Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
22 Eloel 5763 Traktaat Zevachiem Nr. 31

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 225 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 96a – Met water maar niet met wijn

Het kasjeren van voorwerpen met margarine…

De Soegiot die deze dagen geleerd worden houden zich bezig met haĝa’alat keliem – het kasjeren in kokend water van gebruiksvoorwerpen – waarin kodosjiem gekookt werden, met als doen om de smaak die erin geabsorbeerd werd, eruit te trekken. Vele halachot die in deze soegiot behandeld worden zijn van toepassing op de haĝa’ala van onze dagelijkse gebruiksvoorwerpen. Een van de onderwerpen die besproken worden gaat over de vraag: in welke vloeistoffen moet men kasjeren? Wij zijn gewend om te kasjeren in grote ketels kokend water. De vraag is: moet het speciaal water zijn? Waarom zou men niet in kokende olie of in margarine kunnen kasjeren?

Een geleerde discussie tussen de Ramban en zijn leerling de Rasjba: Er bestaat een verschil van mening bij de Risjoniem, tussen een rav en zijn leerling over dit onderwerp.  Volgens de Ramban mag men alleen maar kasjeren in water. „Aldus zei ons de Ramban zts”l “ schreef zijn leerling de Rasjba [Responsa I, 503 en in Misjmeret HaBajit, bajit 4, begin sja’ar 4]. Maar de Rasjba is het niet eens met zijn leraar als hij beschrijft hoe en waarom: „…en ik was getroffen door jeugdig enthousiasme en debatteerde met hem schaamteloos over dit onderwerp… en ten­slotte vond hij geen passend antwoord om deze stelling te steunen.” De Rasjba is van mening dat men keliem in alle soorten vloeisof mag kasjeren en hij steunt zijn mening op onze soegia [96b], dat de verschillen bespreekt tus­sen gewone haĝa’ala en de haĝa’ala van kodosjiem. Eén zo’n verschil is dat gewone haĝa’ala gedaan mag worden „zelfs met wijn of met verdunde wijn”. Hieraan zien wij dat haĝa’ala gedaan mag worden met iedere vloei­stof.

Echter de Ran [Choelin, eind Kol Habasar] verwerpt dit bewijs van onze soegia, omdat dat alleen de mening is van Abajjé, terwijl de overige geleerden het daar niet mee eens zijn. Bovendien is het mogelijk dat Abajjé zelf niet bedoelde om wijn te gebruiken voor haĝa’ala, maar dat men wijn alleen kan gebruiken voor de mitswa van merika – afspoelen – hetgeen gedaan wordt na de haĝa’ala, door de klie in koud water onder te dompelen. Daarom, zo verklaart hij, bepaalde de Ramban dat haĝa’ala in iets anders dan water niet helpt, zelfs niet bedi’avad – apostiori [Prie Chadasj 452:5].

Water verschilt van alle overige vloeistoffen: De psak halacha van de Ramban is hierop gebaseerd, dat volgens hem er een verschil bestaat tussen de eigenschappen van water en die van andere vloeistoffen. Kokend water trekt de smaak uit de wanden van de klie, dat erin wordt gedompeld, zonder dat die smaak er weer in terug wordt geabsorbeerd. Andere vloeistoffen zijn verschillend in dit opzicht, omdat zij „doen absorberen en niet extraheren” [Rasjba t.p.]. Sommigen verklaren dat de Rasjba niet bedoelt dat andere vloeistoffen niet iets uit een klie kunnen extraheren, maar dat zij de smaak er niet volledig uittrekken [zie Haĝa’alat Keliem Hfdst. 10, opm. 1].

Als halacha voor de praktijk paskent de Rama [452:5]: „Men doet haĝa’ala met geen enkele andere vloeistof dan met water, maar bedi’avad [apostiori, achteraf, als het eenmaal gebeurd is] is de haĝa’ala geldig met iedere vloeistof.”

Een treife lepel waarmee in twee potten geroerd werd: één pot is kosjer en de ander is treife? Het gebeurde eens, vertelt Rabbijn Chaim Joseef David Azulai in zijn boek Birkei Joseef [op de Sjoelchan Aroech, O.Ch. 447:24], dat een vrouw voor Rabbeinoe Gersjom Meor HaĜola verscheen en hem vertelde dat zij in een pot, die op het vuur stond, geroerd had met een treife lepel, en er daarna mee in een andere pot geroerd had en dat zij zich pas daarna gerealiseerd had dat de lepel treife en niet gekasjerd was. „En hij permitteerde haar de tweede pot omdat de lepel haĝa’ala had ondergaan in het kooksel van de eerste pot.” Met andere woorden, de vloeistof in de eerste pot oefende haĝa’ala uit op de lepel en daarom was de tweede pot niet verboden. De Birkei Joseef brengt zelfs een bewijs van onze soegia voor deze halacha, waar gezegd wordt dat „het gebruik van iedere dag dient als haĝa’ala voor de volgende dag”, dus het kooksel wordt beschouwd als haĝa’ala.

Het kasjeren van een fabriek voor de productie van olie: Vandaag is dit onderwerp zeer relevant. Kasjroet-orga­nisaties moeten vaak een hechsjer [een kosjer-verklaring] afgeven aan een grote fabriek waar olie geproduceerd wordt, waar het kasjeren met water uiterst onpraktisch is om verschillende redenen. Een mogelijke oplossing is dat de eerste olie  die kokend door de machines stroomt, de machine kosjer maakt  voor de volgende producties. Maar omdat de Rama paskent dat dit alleen toegestaan is bedi’avad, moeten de poskiem voor ieder geval beslissen of het valt onder de toestemming van de Rama, of dat de fabriek toch gekasjerd moet worden met water [zie Responsa Shraga Hameïr 71 over olie; Responsa Igrot Moshe, J.D. I, 60 over vet; id. Deel II, eind hfdst. 42 over margarine; en zie Haĝa’alal Keliem Hfdst. 10, opm. 4].