Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
3 Tisjrie 5764 Traktaat Zevachiem 111-117 Nr. 33

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 227 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 112b: Totdat het Misjkan werd opgericht, waren de bamot toegestaan

Een Beit Knesset die verhuurd werd voor…  koffie en suiker

Op de laatste bladzijden van traktaat Zevachiem behandelt de Gemara onder­werpen van het Heiligdom [Misjkan], de bamot [mv. van bama – privé altaar, lett. (offer-) hoogte] en hun wetsvoorschriften. Zoals verteld wordt in de Misjna, werd het Misjkan van de woestijn overgeplaatst naar Ĝilĝal, vandaar naar Sjilo, van Sjilo naar Nov en van Nov naar Ĝiv’on, totdat tenslotte het Beit Hamikdasj door Koning Sjlomo gebouwd werd in Jeroesjalajim. Nadat het Beit Hamikdasj ge­bouwd was, werd het verboden om daarbuiten nog offers te brengen, echter, daarvoor, toen het Misjkan in Ĝilĝal, Nov en Ĝiv’on stond, was het toegestaan om ook offers te brengen op de bamot. Dat waren altaren die op verschillende plaatsen waren opgericht om er offers op te brengen voor Hakadosj Baroech Hoe. En zo ook wordt verteld in een Tosefta [hfdst. 13, Baraita 8]: „Ten tijde dat een bama is toegestaan, richt men een bama op aan de ingang van zijn binnen­plaats of aan de ingang van zijn tuin en daarop mogen hij en zijn zoon en zijn dochter en zijn dienstknecht en dienstmeid offers brengen.”

‘Alia lerèĝel toen er nog geen Beit Hamikdasj was: De Ramban [Dewrariem 16:9] stelt een principiële vraag. Bes­tond de mitswa van de ‘alia lerèĝel [de pel­grimstocht naar naar het Heiligdom] voordat er een Beit Hamikdasj ge­bouwd was [en zie zijn woorden daar (12:8), waarin hij vaststelt dat er vanzelfsprekend geen verplichting bestond om op te trekken naar het Misjkan, maar misschien alleen toen het nog in de woestijn stond]. Sommigen bewezen dat uit wat er ver­teld wordt in de Profeten [Sjmoeël 1] over Elkana die optrok naar het Misjkan in Sjilo, en uit de Gemara [Chaĝiĝa 6a], waarover deze zaak gediscusiëerd wordt in verband met de wetsvoorschriften over de opgang. Nochthans, Hamaharatz Chiot [Responsa siman 7 en de inleiding tot Piskei Tesjoewa siman 309] schreef dat uit de woorden van de Rambam, die deze mitswa behandelt, blijkt dat dit ook gedaan werd in de tijd van het Misjkan [en zie in Sefer Hamaf­teach ‘al Harambam, Hil. Beit Habechira, 1:1, en de aantekeningen op de Ramban 12:8 in de uitgave van Mosad Rav Kook].

Na­dat het offeren op de bamot voor altijd verboden werd na de bouw van de Tempel, werden er geen bijzonder­heden geleerd over de bouw van een bama in de halachische boeken, maar het is interessant te ontdekken, hoe twee ver­schil­lende halachische onderwerpen werden beïnvloed door de halachot voor de bama, als volgt.

Is de ontruiming van het meubilair van een synagoge, toegestaan of niet? Eén van de Joodse gemeenschappen in de diaspora, legde de volgende vraag voor aan de leider van die generatie, HaGaon Rav Mosjé Sofeer zts”l, de Chatam Sofeer [Responsa O.Ch. 32]. Vele jaren geleden waren de leden van de gemeenschap met de gouverneur van het gebied waar zij woonden tot over­eenstemming gekomen om een stuk grond te huren voor de bouw van een syna­goge, en als huur zou hij jaarlijks een kikar koffie en een kikar suiker krijgen.” Ten gevolge van veranderingen in de economie waren de prijzen van koffie en suiker zodanig gestegen, dat de leden van de kehila niet langer aan hun ver­plichtingen konden voldoen en zij vroegen de plek te mogen verlaten. Met dit aanbod ontstonden een aantal halachische vragen over de sloop van de syna­goge, die werden voorgelegd aan de Chatam Sofeer. Die stelde daarbij onder­meer vast, dat op ontruiming van het meubilair etc. van de synagoge geen enkel verbod geldt van het slopen van een synagoge en hij leidde dat o.a. af van de bamot, als volgt:

Zoals bekend is het verboden om een steen af te breken van het mizbeach – het altaar in het Beit Hamikdasj. De Chatam Sofeer concludeerde dat een der­ge­lijk wetsvoorschrift ook geldt voor de bamot. „Ongetwijfeld is het verbo­den een steen af te breken van een bama”, en datzelfde verbod geldt ook voor het af­­breken van een syna­goge. Maar dat niet alleen, ook de altaren die reeds op hun verhogingen stonden toen het nog was toege­staan, waren verbo­den te worden afgebroken, nadat de bamot eenmaal waren verboden. En des­on­danks vervoer­de Koning David de Aron Hakodesj van de ene bama naar de andere, van Beit Sjemesj naar Beit ‘Oved Adom en vandaar naar ‘Ier David – de Stad van David. Dus mogen wij ook voorwerpen verwijderen uit een plaats waar Hasjem woont en dat wordt niet beschouwd als afbreken. [In het licht van het verbod om de bamot af te breken, ook nadat het verboden was daarop te offeren, verklaart hij waarom ze niet afgebroken werden door de rechtvaardige koningen van Jehoeda, en daarom ontstond de toestand die vele malen beschreven wordt door de profeten: „Het volk offert nog steeds dieren en reuk­werk op de bamot”, totdat Koning Chizkiahoe zich gedwongen voelde  de bamot af te breken, om hen te beschermen tegen zonden “ en zie aldaar voor nog een andere verklaring].

Het verwijderen van messen van de tafel bij Birkat hamazon: En van daar naar onze eettafel. Het is een zeer oude minhaĝ om de messen die op tafel lig­gen, af te dekken als men de Birkat hamazon zegt [Sjoelchan Aroech O.Ch.  180:5]. Eén van de redenen hiervoor is, dat de eettafel lijkt op het mizbeach – altaar, en het mizbeach mag niet gebouwd worden met behulp van ijzeren voorwerpen, zoals er geschreven staat [Dewariem 27:5] „een mizbeach van stenen, waarover je geen ijzer zult bewegen”, omdat het mizbeach de levensdagen van de mens verlengt, terwijl ijzer de levensdagen van de mens verkort. Daarom laat men geen mes liggen op de tafel, die lijkt op het mizbeach. De Maĝeen Awraham [noot 5] schrijft dat men op Sjabbat en Feestdagen zich niet aan deze minhaĝ houdt, zoals in de Sjoelchan Aroech [zie daar] staat, omdat op die dagen men geen mizbeach bouwt. Daarom noemt de Sjoelchan Aroech het mizbeach hele­maal niet, en is er geen reden om op Sjabbat de messen te verwijderen.

Waarom moet men het mes ’s avonds verwijderen? Een aantal Acheroniem hebben zich hierover verwonderd: als men op Sjabbat  de messen niet hoeft te verwijderen, omdat men op Sjabbat geen  altaar bouwt, dan hoeft men het ‘s avonds ook niet te verwijderen, want ook ‘s avonds bouwt men geen Beit Hamik­dasj [Rambam Hilchot Beit Habechira hfdst. 11, hal. 12], en dus ook geen mizbeach dat daarin staat? [Zie Aroech Leneer, Soeka 41, avied Hazahav op de Tora, aan het eind van Jitro, „Har Zwi” en zijn aantekeningen daar, e.a.]. HaGaon rabbi Meïer Simcha Hakohen uit Dvinsk (?)  Zts”l [Mesjech Hachochma, Sjemot 20:22] verklaart de minhaĝ om ook ’s avonds de messen van tafel te verwijderen: Ook over het altaar van de bama is het verboden ijzer te bewegen, maar de bouw ervan is ’s avonds toegestaan. Daarom moet men ook ’s avonds de messen van tafel verwijderen als men Birkat Hamazon zegt.

Daf 116a Het klopt volgens degene die meent dat een trefaa niet baart

„Een trefaa baart niet”: Waarom, en hoe moeten wij reageren als een trefaa toch baart?

Een die waarvan één van zijn organen beschadigd was en dat daardoor geen 12 maanden in leven kan blijven, is trefaa en verboden om te eten [zo is de halacha; zie Choelin 42a in de soegia over de vraag of een trefaa kan leven]. Een trefaa kan ook niet geofferd worden en onze soegia legt uit dat zelfs niet-Joden [bnei Noach] die een offer mogen brengen met een defect [moem], niet een trefaa  moeten offeren. Dit leren wij van Noach, die, toen hij de Ark verliet, dieren offerden van die welke in de Ark overleefd hadden en de Gemara interpreteert van de verzen dat trefaa dieren daar niet binnengingen. De Gemara verklaart ook dat er een verschil van mening bestaat of een trefaa jongen kan baren.

Volgens de halacha [Rambam, Hilchot Sjechita 11:1; Sjoelchan Aroech, J.D. 57:18] dat een trefaa geen jongen baart. Daarom, als er twijfel bestaat of een bepaald dier trefaa is, en het baart jongen, dan kunnen wij erop vertrouwen, dat het niet trefaa is.

Logica dicteert dat, als een dier verondersteld werd [moechzak] trefaa te zijn, en het baart jongen, die gebeurtenis de veronderstelling ter zijde schuift. Maar de poskiem [Rema, ibid, overeenkomstig de Risjoniem] hebben gepaskend dat een trefaa dat baart niet aan de definitie van trefaa ontsnapt; alleen een twijfelachtige trefaa die baart ontsnapt aan de definitie van trefaa. Er zijn twee benaderingen om dit te begrijpen.

Sommigen menen dat de bewering dat een trefaa geen jongen kan krijgen, onzeker is. Daarom, als een trefaa toch jongen baart, moeten wij aannemen dat het behoort tot die minderheidsgroep van treifot die wel baren. Alleen als een twijfelachtige trefaa jongen baart, moeten wij zeggen dat, aangezien de meeste treifot niet baren, het waarschijnlijk is dat dit dier niet trefaa was [Meïri, Choelin 42a; Prie Meĝadiem in Siftei Da’at 30:5, betreffende de 12 maanden; en Pletie en Ktav Sofeer, betreffende de geboorte].

De Rasjba: „Misschien ben je iets vergeten of heb je je vergist.” Toen de Rasjba werd gevraagd [Responsa I, 98] hoe we moeten reageren als een trefaa jongen baart, reageerde hij scherp dat dit niet mogelijk was „en het is alsof u getuigt van iets dat onmogelijke is, dat u het gezien zou hebben… misschien bent u wat vergeten of heeft u zich vergist, of misschien heeft u zich vergist in de tijd of misschien was het dier verwisseld voor een ander dier.” Hij was niet tevreden totdat hij schreef dat als iemand gezien had dat een trefaa jongen baarde, „de getuige geneerd moest worden, zelfs al waren er duizend getuigen, want wij kunnen nimmer een punt negeren, waarover de heilige chachamiem, de profeten en de zonen van profeten het eens waren en over dingen die door Mosjé op de Berg Sinai gezegd waren.” Volgens hem geldt de bewering dat een trefaa niet baart, voor alle dieren, zonder enige uitzondering.

Zorgvuldige controle van een trefaa: Maar toch, hoe moeten wij reageren in een geval waar een trefaa zorgvuldig in de gaten werd gehouden en iedereen gezien heeft dat het een jong gebaard heeft of dat het langer dan 12 maanden geleefd heeft? De Rasjba zegt dat zulk een gebeurtenis ons dwingt toe te geven dat er een wonder gebeurd is, want een trefaa baart van nature niet [en zie Sjach, J.D. 57:48; Prie Chadasj, ibid, n. 50 en zie het volgende artikel].

Wij weten nu, dat volgens alle meningen, als een dier twijfelachtig trefaa was en een jong baart, dat het dan de definitie van trefaa ontsnapt. Wij moeten nu nog verklaren of de geboorte alleen bewijst dat het niet trefaa was of dat de conceptie en de geboorte samen dit bewijzen. Het verschil zou betenis krijgen wanneer er twijfel was over een dier of het trefaa is, dat reeds zwanger is. Is de geboorte het bewijs dat het niet trefaa is?

Waarom kan een trefaa geen jongen baren? Om bovenstaande vraag te be­ant­woorden, moeten wij de reden verklaren waarom een trefaa niet kan baren. Is dat omdat het niet bevrucht kan worden of omdat het baren te zwaar is of om beide redenen samen? Wanneer een trefaa niet kan baren omdat het niet zwanger kan worden, dan is het feit dat een dier, dat al zwanger was voordat de twijfel ontstond, baart, geen bewijs dat het niet treife is. Echter, wanneer een treife niet kan baren omdat het baren zelf te zwaar is, dan ontsnapt het dier de definitie van treife als het toch baart. [zie Meïri, Choelin 57b; Prie Meĝadiem, inleiding tot Hilchot Trefot, e.a. en Sjoelchan Aroech, J.D. 57:18 dat alleen zwangerschap en geboorte tekenen zijn in geval van twijfel].

Daf 116a Dit klopt volgens degene die zegt dat een trefaa niet kan baren

Dieren genieten G-ddelijke voorzienigheid

Zoals in het vorige artikel uitgebreid besproken, kan een treife dier volgens de Rasjba geen jongen baren [Responsa I, 98]. Hij is zo vast overtuigd van zijn mening dat hij schrijft dat als iemand een trefaa zorgvuldig heeft gevolgd en gezien heeft dat het een jong gebaart heeft, dan moet hij weten dat hij een wonder heeft waargenomen. Zijn uitlating over wonderen bij dieren werd uitge­breid bediscusëerd door de Acheroniem en dat hernieuwde het oude strijdpunt of dieren onderhevig zijn aan individuele G-ddelijke voorzienigheid of aan een algemene voorzienigheid voor de soort, of het zal overleven of uitsterven [zie Rambam in Moree Nevoechiem; Sjomrei Emoeniem Hakadmon, II, 81 en zijn voorwoord [ibid], waar hij de verschillende meningen uitvoerig bespreekt;  en Ja’arot Devasj, II, deroesj 6]. Rabbi Awraham ben Mordechai Halevi [die vierhonderd jaar geleden Opperrabbijn was van Egypte] dat het kennelijk de mening van de Rasjba was dat dieren ook een individuele voorzienigheid genieten, want als dat niet zo zou zijn, hoe zou er dan een wonder kunnen gebeuren met een trefaa?

Werden de dieren gestraft in de Zondvloed? De auteur van Ginat Weradiem steunt ook op onze soegia als basis voor zijn mening. De Gemara verhaalt dat de Ark van Noach alleen maar die dieren toeliet die niet gezondigd hadden, terwijl de overige dieren ter dood veroordeeld werden in de Zondvloed. We zien dus dat er een individuele voorzienigheid is voor dieren, die bepaalt welk zal leven en welk zal omkomen [wij moeten er hier de nadruk opleggen dat wij bedachtzaam moeten zijn op de zorgvuldigheid van de tekst van onze soegia en, zoals de Maharsja schreef, deze versie wordt niet begrepen; in ieder geval wordt het onderwerp genoemd in Sanhedrin 108b en het blijkt duidelijk uit onze Gemara dat zondige dieren in het geheel de Ark niet binnenmochten, of zij rein waren of niet].

Het begrip van dieren is verdwenen: Aan de andere kant wijdt de auteur van Chikrei Lev [J.D. § 26] een lange discussie aan een meningsverschil over dit idee en verklaart onze Gemara dat er een extreme verandering is opgetreden bij de dieren. Het is mogelijk, schrijft hij, dat de dieren in de tijd van Noach dicht bij de perfecte staat waren, waarin zij tijdens de zes dagen van de Schepping geschapen waren: zij hadden enig onderscheidingsvermogen [tussen goed en kwaad] en konden daarom gestraft worden, in tegenstelling tot de dieren in onze tijd [zie Abarbanel op Bereisjiet 9:5 en Siftei Chajim door HaGaon Rav Chaim Friedlander zts”l, Emoena Wehasjgacha I, voor een verklaring van individuele voorzienigheid bij dieren].

Dit onderwerp omvat de hele wereld van Tora. Wij concluderen met wat er in de Jeroesjalmi staat [Sjewiïet, hfdst. 9, geciteerd in Tosafot ‘Avoda Zara 16b, s.v. Dimoet] over Rabbi Sjim’on die een jager zag die een vogel ving. Een hemelse stem [bat kol]  kondigde aan welke vogel zou worden gered van zijn pijlen, en welke zou worden gevangen. Dit vehaal wordt aangehaald door de schrijver van de Tanja, met een paar andere voorbeelden, om te bewijizen dat er wel degelijk individuele voorzienigheid is voor dieren. Wij moeten opmerken dat het onderwerp zich concentreert op de individuele voorzienigheid van Hasjem voor dieren maar het is duidelijk dat alles in onze wereld geschiedt overeenkomstig Zijn wil, zoals ons verteld wordt [Nechamja 9:6]: „…en U gaf hen allen het leven”.

Een uiteengespatte droom

Rosj Hasjana: Nog even en de rode zon van 5763 is ondergegaan. De geluiden van de sjofar, die het ang­stig kloppen van onze harten uit­drukt, heeft ons tot Rosj Hasjana ge­bracht, de Dag van de Recht­spraak. Op deze dag onderzoekt ieder­een zichzelf, accepteert de heer­schappij van de Koning van de wereld, buigt zijn hoofd voor Hem en onderzoekt  nogmaals waar hij gedwaald heeft en welke dingen hij beter had kunnen doen. Wanneer iemand tot de conclusie komt dat, als hem de gelegenheid gegeven was, hij bepaalde dingen anders zou doen, dan wordt hij uitgenodigd aan te tonen hoe serieus hij is in een nieuw leven, dat hem voor het komende jaar geschonken wordt.

Sinds een paar weken ligt er een brief op het bureau van de redactie, ontvangen van een kind, dat ergens in het centrum van Israël woont, en dat door zijn vader geholpen werd de geschiedenis van zijn grootva­der op te schrijven. Dit is simpele taal van een gewoon mens, zonder enig drama of grote verassingen. Maar juist de eenvoud ervan grijpt onze harten, en laat een diepe indruk na op ons leven:

Ik ben zo gelukkig om de fijnste grootvader te hebben, die altijd klaar staat om mij een boeiend ver­haal te vertellen en om met zijn klein­kinde­ren naar een andere wereld te vlie­gen’. Een paar maanden geleden vroeg ik hem  iets over hem­zelf te vertellen. Hij werd ernstig, keek in de verte, leunde achterover in zijn leunstoel en bracht een be­zoek’ aan zijn jeugd.

Ik herinner mij 60 jaar geleden, toen ik een kind van jouw leeftijd was, dat ik mijn vader smeekte om voor mij rolschaatsen te kopen. Hij kocht ze voor mij en ik reed er voortdurend op  tot ik er moe van werd en ik ze in de kast liet staan, als een nutteloos voorwerp. De volgende dag wilde ik een fiets. Mijn vader haalde zijn fiets uit de kelder en gaf hem mij. Het was een grote fiets waarop ik gereden heb totdat ik opgroeide en ik een motor­fiets wilde hebben – niets meer maar ook niets minder. Maar die droom ging niet zo snel in vervulling als de andere, maar tenslotte had ik mijn motorfiets. Mijn trots en vreug­de kende geen grenzen. Een paar maal ontsnapte ik op wonder­baar­lijke wijze zonder verwondin­gen aan een valpartijen. Mijn ouders en mijn vrouw waren altijd bezorgd als ik om mijn motorfiets reed en toen hij werd gestolen verklaarde mijn vader dat hij bloemen zou sturen naar de dief.

„‘De droom van een motorfiets was verdwenen en werd vervangen door die van een auto. Ik begon met een Susita, stapte toen over op een Transit, een Opel, een Susuki en andere modellen, totdat ik de trotse eigenaar werd van een GMC. Wat zal ik zeggen, mijn lieve jon­gen? In al die jaren was ik een slaaf van de auto geworden. De gezond­heidstoestand van mijn hart kwam overeen met die van de motor van mij auto, tot… de textiel­crisis. Die crisis bevrijdde’ mij van mijn bedrijf, mijn auto en van praktisch alles. Ik  had geen ambities meer over – behalve voor nog een daf  Gemara en nog een Daf HaJomi sji’oer. Begrijp je?’ vertelde hij mij met vochtige ogen. Waarom moest ik die hele weg af­leggen?  Ik had van het begin over Gemara kunnen dromen en de weg verkorten…’”

Tijdens zijn leven heeft een mens vele dromen, maar wij moeten ons herinneren dat het leven zelf de grote droom is waaruit wij uiteinde­lijk ontwaken. Niemand kan altijd blijven dromen, en wij moeten ons voorbe­reiden op wat wij nodig zul­len he­bben wanneer wij ontwaken.

En wie is als Uw volk Israël? Aan het eind van het jaar, wanneer wij allen bidden dat het volgende jaar beter zal zijn, zouden wij een indruk­wekkend feit moeten vermelden. Bij de terroristen aanslag in Emek Re­faimstraat in Jeroesjalajim werd een vader met zijn dochter gedood, Dr. David Appelbaum en zijn doch­ter Nava – een dag voor haar huwe­lijk. Ieders hart was geroerd en ieder­een rouwde mee om deze dubbele tragedie. De aanslag vond laat op de avond plaats. In de och­tend, en­kel uren na dit afschuwlijke drama, verliet de grootvader van de bruide­gom zijn huis met zijn broer, die uit het buitenland was gekomen voor het huwelijk. Zij gingen naar een Daf Jomi sji’oer, gegeven door Rav S.M., een lid van ons beit midrasj.

* * * * * * * * * * *

Een jaar met zijn vloeken is geëindigd

Moge een nieuw jaar met zegeningen komen.

Parels van de Gemara

Daf 112b: Toen zij in Sjilo kwamen

De Gaon van Ostrovtsa zts”l schrijft dat het inderdaad een wonder is dat de plaats van de Tempel nergens in Tora genoemd wordt. Er is echter een aanwijzing te vinden in het vers op de plaats die Hasjem zal uitkiezen [jivchar]”  [Dewariem 12: 14]. Het woord éáçø [jivchar] is sa­men­gesteld uit de letters éåã áéú çéú øéù [joed, beit, chet, reesj]. De verborgen delen van deze letters, d.w.z. de delen die niet te zien zijn in het woord, zijn åã éú éú éù, waarvan de nummerieke waar­de 1.130 is. De woorden ùéìä, ðåá, âáòåï, éøåùìéí [Sjilo, Nov, Giv’on, Jeroesjalajim] hebben dezelfde num­me­rieke waarde! De Tora gaf in het woord jivchar een aanwijzing, welke plaatsen Hasjem zou uit­kiezen om te wonen.

Een Tsaddiek valt zeven keer en staat weer op

De Gerer Rebbe Zts”l zei dat zijn vader zts”l, de auteur van Imrei Emet, verklaarde de Torat Koha­niem (Tsav) dat Mosjé al de zeven heiligdommen die werden opgericht en afgebroken, zelf oprichtte en ont­mantelde, en dat daarmee be­doeld werden het misjkan in de woestijn, in Gilgal, in Nov, in Givon, in Sjilo en de twee Tempels. „En ik zeg dat Mosjé er voor zorgde dat zelfs als in latere generaties men­sen zullen vallen en zwak worden in de dienst van Hasjem, zij opnieuw  en opnieuw zullen opstaan: ’Een tsaddiek valt zeven maal en staat weer op’ – wanhoop nimmer!” [Peëer Jisraël, III, 97].

Daf 115a Rasji: s.v. Jachol sjeani motsi

Aan de Pesach van de Ohel Mo’eed

Er komen vele drukfouten voor in de diverse uitgaven van de Talmoed. Een bepaalde fout komt nog steeds veel voor in de meest edities, in Rasji, s.v. Jachol sjeani motsi: het vers „aan de ingang (ôúç petach) van de Ohel Mo’eed wordt daar geciteerd als ôñç pesach, dat wil zeggen het feest Pesach. Deze malle fout kon ontstaan doordat beide woorden in de Asjkenazische uitspraak op de­zelfde manier worden uitgesproken. Een soortgelijk voorbeeld is te vinden in Beit Joseef [E.H. 77, s.v. Katav HaMordechai], dat een vrouw niet gelijk [ùåä – sjawa] is aan haar echtgenoot, terwijl er natuurlijk moet staan dat zij „niet terugkeert [ùáä] naar haar echtgenoot” [He’akov Lemisjor 11].

 

Daf 116a: Zij die uit zichzelf kwamen

Voedsel komt niet uit zichzelf

HaGaon Rav Jitschak Zeev uit Brisk schreef: Deze Gemara, die zegt dat de dieren uit zichzelf naar de Ark kwamen, verklaart mij een woord in Tora. Nadat aan Noach gezegd was dat hij de dieren naar de Ark moest brengen, zegt de Tora: …en jij, neem voor jezelf al het voedsel dat gegeten kan worden [Bereisjiet 6:21]. Waarom schrijft Tora en jij? Daar de dieren als een wonder uit zichzelf kwa­men, benadrukt Hasjem aan Noach dat hijzelf het voedsel moest brengen… [Chidoesjei Maran HaRiz HaLevi ‘al HaTora, Noach].

 


N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de

gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij

moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren

 onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd

is om een psak halacha te geven.

 

Bovenstaande teksten zijn woordelijke vertalingen van resp.

Meorot Hadaf HaYomi en Weekly DAF Footnotes.

De toelichtende en verklarende teksten

tussen rechte haken [ ] (niet de bron­

vermeldingen) zijn afkomstig

van de vertaler.