Hearot

            HaDaf HaJomi

                                    Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

                        Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 Archief

 20 Tisjrie 5763

Traktaat Menachot 6-12

Nr. 35

 

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 227 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 119b En het lot valt op hen

Loten om vast te stellen wie er wordt uitgeleverd aan moordenaars

Vele halachot hangen af van loten. De verdeling van Erets Jisraël onder de stammen gebeurde door middel van verlotingen. De keus welke van de twee geiten op Jom Kippoer voor Hasjem is en welke voor ‘azazel werd bepaald door het lot en zelfs Mosjé koos de 70 oudsten uit door middel van loten.

Over loten mag men niet kwaadspreken: De Midrasj [Pesikta Zoetresa, Bamidbar 34:2] verklaart dat men niet kwaad mag spreken over loten. Jehosjoea vroeg zelfs aan Achan [Sanhedrin 43b]: „Spreekt toch geen kwaad over de loten, daar Erets Jisraël zal worden verdeeld door middel van het lot.” [In de Responsa van de Geoniem (60) zien wij dat een partner die de voorwaarden van het partnerschap, die door het lot werden vastgesteld en waartegen hij protesteert, beschouwd wordt alsof hij één van de Tien Geboden heeft overtreden! Maar de Achernomien verwonderen zich over deze uitspraak en laten de zaak open voor nader onderzoek].

Het voordeel van loten komt voort uit het feit dat zij geworpen worden zonder menselijke interventie: Natuurlijk kunnen wij loten die door een profeet geworpen worden in opdracht van Hasjem, niet vergelijken met de loten die mensen werpen om een meningsverschil of twijfel te beslissen. Echter Chavot Jaïr Zst”l schreef [Responsa 61] dat de verdienste van het werpen van loten, indien dat niet gebeurt in opdracht van Hasjem, ook groot is, omdat loten gegooid worden „zonder menselijke interventie” en daarom „mogen wij veilig aannemen dat wanneer de loten eerlijk geworpen zijn, ze door G-ddelijke voorzienigheid bestuurd worden”.

Kunnen wij iets leren van het lot dat in het verhaal van Jona geworpen werd? Volgens de auteur van Tiferet Mosjé [aangehaald in Pitchei Tesjoewa, J.D. 157:13] kan zelfs iemands dood beslist worden door het lot! De Tosefta en Jeroesjalmi [Teroemot hfdst. 8, eind halacha 4] zeggen, en zo is ook de halacha [Rema ibid] dat wanneer moordenaars een groep Joden bedreigen, dat zij iedereen zullen vermoorden, tenzij de Joden één van hen door het lot aanwijzen, en dan zullen de moordenaars hem vermoorden een de rest in leven laten, dat de Joden dan niet één van hen mogen dwingen zich daartoe over te geven. Tiferet Mosjé zegt dat men wel één van de groep door middel van het lot mag aanwijzen, die zich moet overgeven, net zoals Jona in zee geworpen werd, aangewezen door het lot, dat bepaalde dat hij de zondaar was, en dat zo de overige reizigers van de storm gered werden.

Men mag alleen vrijwillig loten: De Chazon Iesj zts”l [J.D. 69:1] betwijifelt bovenstaande mening: wanneer dat zo zou zijn, waarom laat de Jeroesjalmi zich dat expliciet negatief uit over het uitleveren van één van de groep aan de moordenaars en staat er: „zij moeten allen worden gedood maar zij mogen niet één van hen uitleveren”? Waarom suggereert de Jeroesjalmi niet dat zij erom moeten loten? De enige reden kan zijn dat men in zo’n geval niet mag loten. Jona werd niet in zee gegooid, aangewezen door het lot, maar er werd geloot om te weten te komen „wegens wie is dit kwaad” en Jona zei zelf tegen de zeelieden dat zij hem in zee moesten gooien. Niemand twijfelt eraan dat iemand zich vrijwillig mag uitleveren aan de moordenaars, om de overigen te redden, al dan niet aangewezen door het lot [zoals verklaard wordt door Rasji, Ta’aniet 18b, s.v. Beloedkia], maar men mag niet het lot met geweld aan iemand opdringen [en zie daar voor verder bewijs voor verwerping van de mening van Tiferet Mosjé].

TRAKTAAT MENACHOT

Soorten menachot en hoe zij worden geofferd

Deze week hebben de lerners van Daf Hajomi over de hele wereld traktaat Zevachiem geëindigd en zijn wij begonnen met traktaat Menachot, het tweede traktaat van Seder Kodesjiem. Ons traktaat handelt over menachot, offers die afkomstig zijn van de plantenwereld. Rambam schrijft [Hilchot Ma’asee HaKornabot, 12:1] dat „alle menachot bestaan uit fijn tarwemeel [solet], met uitzondering van het mincha-offer van een sota en dat van de ‘omer, die bestaan uit gerst.” Er zijn drie menachot voor de gemeenschap – de ‘omer, de twee broden [sjtei halechem] en de toonbroden – en er zijn negen soorten menachot die privé geofferd worden: het mincha-offer van de zondaar [iemand die bepaalde verboden overtreden heeft en die zich niet kan permitteren om  een dier of vogel als zondoffer te brengen], het mincha van  een sota, het inaugurele mincha [minchat chinoech: een mincha dat gebracht wordt door een kohen op de eerste dag van zijn Tempeldienst], het mincha van de kohen ĝadol, een mincha van fijn meel [minchat solet], minchat machavat, minchat marchesjet [soorten bakpannen], een mincha chalot, gebakken in een oven en een mincha  van rekikiem, gebakken in een oven. Dan is er nog een minchat nesachiem, dat gebracht wordt samen met een gemeenschapsoffer of met een individueel offer als een begeleidend mincha offer. Behalve deze offers, die menachot genoemd worden, behandelt ons traktaat ook de toda-broden, hoewel die geen mincha genoemd worden.

Wanneer wij Menachot beginnen, moeten wij in gedachten houden dat menachot offers waren in ieder opzicht en dat het mincha-offer in het algemeen correspondeert met de dier-offers. Wij zullen ons nu concentreren op de verschillen en overeenkomsten tussen de menachot en de dier-offers.

Vier overeenkomsten in de diensten van dier- en mincha-offers: In Zevachiem hebben wij geleerd over de vier diensten [‘avodot] die gelden voor de dier-offers: het slachten, de kabbala [de opvang van het bloed in een kom], holacha [het brengen van het bloed naar het altaar] en het sprenkelen [van het bloed op het altaar]. Menachot heeft ook vier diensten die overeenkomen met de vier diensten van de dier-offers: kemitsa [de kohen neemt een handvol (komets) van het mincha], hetgeen correspondeert met het slachten; matan klie [het doen van de komets in een klie sjaret (dienst-vaatwerk)], hetgeen correspondeert met kabbala; holacha, hetgeen identiek is aan het brengen van het bloed; en het verbranden van de komets op het altaar, hetgeen overeenkomt met het sprenkelen van het bloed, hetgeen de dienst is die boete en verzoening doet voor de eigenaar van het offer. Net zoals een gedachte van „niet voor zichzelf” [sjelo lisjma] of piĝoel tijdens één van de diensten van een dieroffer het offer diskwalificeert, zo ook maken deze gedachten tijdens één van deze diensten het mincha-offer ongeldig.

Ondanks de overeenkomsten tussen kemitsa en het slachten, geldt voor kemitsa het strengere voorschrift dat het moet gebeuren door een kohen, in tegenstelling tot het slachten, hetgeen iedere Jood mag doen. Een ander belangrijk verschil tussen dier-offers en menachot is dat sommige dier-offers kodesjei kodosjiem zijn en alleen gegeten mogen worden door kohaniem in de ‘Azara, terwijl andere kodesjei kaliem zijn en mogen gegeten worden door niet-kohaniem in Jeroesjalajim, maar alle menachot worden gedefiniëerd als kodesjei kodosjiem en mogen alleen door kohaniem in de ‘Azara gegeten worden.

Het traktaat dat wij op het punt staan te leren: Er is veel overeenstemming tussen de eerste twee hoofdstukken van Zevachiem en de eerste twee hoofdstukken van Menachot: In alle vier de hoofdstukken wordt de diskwali­ficatie van sjelo lisjma, piĝoel en andere defecten behandeld. De volgende twee hoofdstukken concen­treren zich op bepaalde gevallen, waar een aantal factoren van elkaar afhankelijk zijn en waar de één de uitvoering van de ander verhindert. Bijvoorbeeld net als een mincha fijn meel nodig heeft, zowel als olie, en een komets levona nodig heeft, zo zijn de twee geiten van Jom Kippoer van elkaar afhankelijk. De twee parasjiot in een mezoeza zijn van elkaar afhankelijk en het techelet in tsietsiet is afhankelijk van de witte draden, enz. Tussen haakjes, 15 dapiem in het midden van Menachot behandelen de onderwerpen tsietsiet en het schrijven van sifrei Tora, tefillien en mezoezot.

In hoofdstuk 5-8 zullen wij leren over de details van de voorbereiding voor menachot en hoe ze geofferd worden, met inbegrip van de halachot van minchat ha’omer, de toda broden en onderwerpen met betrekking tot de mitswa van de ‘Omer-telling. Hoofdstuk 9 begint over materialen waarvan de menachot gebracht worden, zoals meel, olie en wijn en hoofdstuk 10 gaat over de gebruiksvoorwerpen waarmee men de menachot wijdt. Wij moeten nog opmerken dat is de misjna-boeken de volgorde van de hoofdstukken anders is dan in de Gemara: hoofdstuk 6 van de Gemara staat in hoofdstuk 10 van de Misjna. [Zie Melechet Sjlomo op de Misjna, begin hoofdstuk 10]. Hoofdfstuk 11 gaat over sjetei halechem, de toonbroden en de vorm van de tafel in de heichal. Hoofdstukken 12 en 13 gaan over de halachot met betrekking tot eden voor offers.

Het mincha is gekarakteriseerd als het offer voor de arme, die noch een dier, noch een vogel kan offeren. De laatste Misjna in het traktaat [110a] gaat daarover: „Er wordt gezegd van een ‘ola van een dier dat het „een aangename geur” heeft en van een vogel-offer dat het „een aangename geur” heeft en van een mincha dat het een „aangename geur” heeft, om je te vertellen dat hetzelfde geldt voor iemand die veel brengt als voor wie weinig brengt, zolang zijn hart maar gericht is op de Hemel.”

Het verband tussen het mincha gebed en de menachot: Sommigen verklaren dat het mincha-gebed zo genoemd wordt omdat het gezegd wordt in de namiddag, wanneer de zon zijn rustplaats zogezegd nadert [Tosefot Jom Tov, Berachot 4:1] [waarbij dan verondersteld wordt dat dat het woord mincha verband houdt met en dezelfde stam heeft als het woord menoecha – rust]. Maar sommige Risjoniem zeggen dat het namiddag gebed mincha genoemd wordt omdat op die tijd het mincha van het namiddag tamied geofferd werd en de naam van het gebed correspondeert daarmee [Tosafot in Pesachiem 107a, s.v. Samoech; zie verder ibid, dat Eliahoe geantwoord werd op de tijd van het mincha offer en dat het een tijd is van goede wil en zie ook Radaks Sefer HaSjorosjiem].

Daf 5a: Er staat geschreven [in Jechezkel 45:15]: „Van het feest van Israël”, waarvan wij leren dat offers alleen mogen gebracht worden van wat voor een Israël toegestaan is voor consumptie

Van wat toegestaan is aan Joden: de basisregel voor de halachot voor offers

In onze soegia raken wij bekend met een basisregel in de halachot voor offers: „van het drinken van Joden – van wat aan Joden is toegestaan.” Deze regel wordt geleerd van het vers „…en een schaap van het kleinvee van de tweehonderd van het drinken van Israël voor het mincha en het ‘ola en de sjelamiem om voor hen verzoening te doen” [Jechezkel 45:15]. Men mag dus geen offers brengen van voedsel dat niet geschikt is voor consumptie voor Joden. Daarom mag een treifa dier niet geofferd worden, want het mag niet gegeten worden en hetzelfde geldt  voor ander verboden voedsel. In dit artikel zullen wij dieper ingaan op de criteria voor deze regel en een aantal implicaties daarvan.

Daar de regel van „van wat is toegestaan aan Joden” gebaseerd is op een vergelijking tussen het altaar en de Joden – alles dat geschikt is voor Joden is geschikt voor het altaar en omgekeerd – vragen de Acheroniem [zie Neot Ja’akov 8 en Kehillot Ja’akov op onze soegia] zich af wat de betekenis is van deze vergelijking en zij komen op twee mogelijkheden. Aan de ene kant kunnen wij begrijpen dat iemand niet voedsel kan offeren dat hij zelf niet kan eten. Aan de andere kant kunnen wij een verklaring vinden dat om dezelfde reden als waarom Tora bepaald voedsel voor Joden verboden heeft, het ook verboden is het aan Hasjem te offeren. Over het essentiële verschil tussen beide verklaringen kunnen wij leren van de halacha voor teroema wijn.

Teroema wijn: De Risjoniem [Zevachiem 88b] verschillen van mening of teroema wijn, dat alleen door kohaniem gedronken mag worden, beschouwd kan worden als „drank voor Israël” en geofferd mag worden op het altaar. Volgens Rasji [s.v. Menachot oenesachiem] mag het niet geofferd worden op het altaar, want hoewel het voor kohaniem geoorloofd is, is het geen „drank voor Israël” want het is niet voor alle Joden toegestaan. Aan de andere kant vraag Tosafot [s.v.Min hamedoema] zich af waarom het niet als „drank voor Israël” kan worden beschouwd, als kohaniem het mogen drinken.

HaGaon Rav A.N. Garbuz schrijft in zijn Minchat Avraham dat wij het meningsverschil tussen Rasji en Tosafot kunnen verbinden aan ons onderzoek. Wanneer „drank voor Israël” betekent dat iemand geen offer mag brengen van voedsel dat hijzelf niet mag eten, dan kunnen wij Rasji’s mening begrijpen, want het is ongeschikt voor een niet-kohen om teroema wijn te offeren, want dat mag hijzelf niet drinken. Aan de andere kant, wanneer „drank voor Israël” betekent dat om dezelfde reden waarom bepaald voedsel verboden is voor een Jood  het ook verboden is voor het altaar, dan is er geen reden om te zeggen dat het niet geofferd mag worden omdat een niet-kohen het niet mag eten, omdat teroema alleen door kohaniem gegeten mag worden [dat wil zeggen: de reden dat het niet geofferd zou mogen worden zou dan zijn omdat alleen een kohen het mag eten, en dat is niet logisch]. Ten slotte, is het altaar minder heilig dan de kohaniem, die het wel mogen eten? [Zie verder ibid, waar hij uitlegt in naam van de Acheroniem dat de Amoraïem het niet eens zijn met deze mening in Choelien 90b, of gid hanajee op het altaar verbrand wordt]. Wij zullen nu twee bewijzen behandelen, één voor iedere kant van de zaak.

Plengoffer met openstaand water: Chazal [Teroemot 8:4,6; Rambam, Hilchot Rotseach oesjmirat hanefesj] verbieden om water te drinken dat open gestaan heeft, wegens het gevaar dat een slang ervan gedronken heeft en zijn gif erin gespoten heeft. Wanneer wij willen beslissen of zulk water verboden zou moeten worden voor plengoffer, dan vinden wij het volgende: wanneer de regel van „drank voor Israël” bepaalt dat men geen voedsel mag offeren op het altaar dat men niet mag eten, dan mag met dit water dat heeft open gestaan, niet offeren. Maar als de regel „drank voor Israël” betekent dat de reden waarom het voedsel verboden is voor Joden dezelfde reden is als waarom het voor het altaar verboden is, dan kunnen wij het water niet voor plengoffers verbieden, want de reden van het gevaar van het slangengif geldt niet voor het altaar.

De misjna in Soeka [48b] zegt dat men geen water dat heeft opengestaan op het altaar moet offeren en de Jeroesjalmi [ibid 4:7] legt uit dat dit is vanwege de regel „drank voor Israël”! Wij zien dus dat het verbod op het „drank voor Israël” gebaseerd is op het feit dat het ongeschikt is voor iemand om iets te offeren dat hijzelf niet kan eten. [De Acheroniem (zie Responsa ‘Ein Jitschak, O.Ch.  24) benadrukken dat Rasji en Tosafot (Soeka, ibid) nog een andere reden noemen waarom blootgesteld water verboden is voor plengoffer: omdat volgens hen het verbod van „drank voor Israël” niet voldoende is om het blootgestelde water te verbieden voor het altaar].

De offers van Adam en zijn zonen: De Acheroniem discusiëren over nog een ander  bewijs, dat zij afleiden uit de offers van Adam, Kaïn en Hevel [Abel]. Voordat Noach uit de Ark kwam, was het verboden vlees te eten [Sanhedrin 59b]. Wanneer het verbod van „drank voor Israël” betekent dat iemand niet iets mag offeren dat hij niet mag eten, hoe konden zij dan offers brengen? Hieraan zien wij dus dat de bron van het verbod van „drank voor Israël” is dat de reden dat iets verboden is voor Joden om te eten, dezelfde is als waarom het verboden is voor het altaar. Daar vlees niet verboden was voor Joden maar alleen aan Noachieden, konden Adam en zijn zonen dieren offeren.

Dit bewijs werd op een aantal manieren verworpen en hier volgen er twee van. De auteur van ‘Oneg Jom Tov [in het voorwoord, in de haĝaha] legt hij uit dat wij het verbod op het eten van vlees vóór Noach niet moeten definiëren als een gewoon verbod op eten, maar totdat Noach de Ark verliet, verbood Hasjem de mensen dieren te doden voor voedsel – het ene schepsel was niet geoorloofd een ander schapsel te doden. Dus vlees werd niet beschouwd als inferieur voedsel voor Adam, maar, in tegendeel, het was een soort voedsel waarvoor Adam niet geschikt was om het te eten, maar wat wel degelijk aan Hasjem geofferd kon worden.

Daarentegen zegt Pardes Joseef [Bereisjiet 8:20] dat de halacha, die verbiedt om verboden voedsel te offeren, niet aan de Noachieden was gegeven maar aan de Joden alleen [zie Klie Chemda, Bereisjiet noot 3, en Margaliot HaJam, Sanhedrin, ibid; zie Minchat Chinoech, mitswa 299, noot 21-22, die geneigd is te zeggen dat zelfs voedsel dat bij rabbinaal decreet verboden is, door Tora verboden is om op het altaar te offeren, wegens „drank voor Israël”, want hij neemt het eerste standpunt in; zie ibid, dat hij het onderwerp overlaat voor verder onderzoek].

N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de

gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij

moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren

 onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd

is om een psak halacha te geven.

Bovenstaande teksten zijn woordelijke vertalingen van resp.

Meorot Hadaf HaYomi en Weekly DAF Footnotes.

De toelichtende en verklarende teksten

tussen rechte haken [ ] (niet de bron­

vermeldingen) zijn afkomstig

van de vertaler.