Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
14-20 Chesjwan 5764 Traktaat Menachot 20 - 28 Nr. 37

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 231 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 20a: En bij al je meeloffers zul je zout offeren

Het zouten van een offer

De Soegiot die wij nu leren, handelen over de halachot voor het zouten van een offer, waarover de Tora gebied: „En bij al je meeloffers zul je zout offeren” [Lev. 2:13]. De Mordechai schrijft [Choelien 720] dat in tegenstelling tot het zouten van gewoon vlees, hetgeen bedoeld is om het bloed uit het vlees te trekken, het zouten van de offers niet bedoeld is om het bloed eruit te trekken. Hijbewijst dit van de menachot, die alleen uit deeg bestaan en die ook gezouten worden.

Waarom zout het verdient om te worden geofferd op het altaar: Over het zouten van offers schreven Chazal [zie Rasji en Ramban, ibid] dat „een verbond was gesloten met het zout, reeds in de zes scheppingsdagen, want aan de wateren beneden werd beloofd dat zij geofferd zouden worden [op het altaar] door middel van zout, en bij het plengen van water op het Soekot-feest.” Andere Midrasjiem [Rabbeinoe Bechajei, ibid] zeggen dat de zee voor Hasjem stond en zei: „De Tora was in de woestijn gegeven; de Tempel werd gebouwd op bewerkt land; hoe zit dat met mij?” Hasjem beloofde daarop aan de zee dat het zout dat eruit geproduceerd wordt, op het altaar zou worden geofferd. Sommigen schreven [Peroesj HaRaävad op Sefer Jetsira, p. 69] dat de zee dit verdiende omdat het zich voor de Joden splitste toen zij uit Egypte trokken [zie Tora Sjema, Wajjikra, hfdst. 2, § 111 in de opmerkingen].

Een ongezoute offer is voor niemand gewenst: In ons eerste nummer op Zevachiem [211, Hearot HaDaf nr. 16] zijn wij dieper ingegaan op de verklarin­gen van Sefer HaChinoech, Rambam en Ramban in het artikel „Redenen voor offers”. Over het zouten van offers schrijft de Chinoech [mitzwa 119, en zo ook schrijft Rambam, Ibn Ezra en Rabbeinoe Bechajei]: „Om de ziel van degene die een offer brengt op te wekken, werd hij bevolen een goed, smakelijk ding te offeren, waar hij van houdt, zoals wij boven geschreven hebben…”  Getrouw aan zijn verklaring dat een offer bedoeld is om de „ziel te rectificeren en recht te zetten, van degene die het offer brengt”, legt hij uit dat een offer gezout moet worden „daar alles wat zouteloos is, door niemand begeerd wordt, noch de smaak ervan, en zelfs niet zijn reuk.”

In tegenstelling tot de gewoonte van de afgodendienaren: Rambam [Sefer HaMitswot, verbod nr. 99] noemt ook de reden van de Risjoniem: „…dat het niet is toegestaan een ongezoute offer te brengen, dat geen smaak heeft.” In zijn Moree Nevoechiem geeft hij nog een andere reden. Daar hij gewend is te ver­klaren [Moree Nevoechiem III, hfdst. 46] dat de mitswot voor de offers bedoeld zijn om ons te verwijderen van afgoderij, breidt Rambam zijn verklaring uit tot de mitswot van het zouten van offers „…en omdat afgodendienaren… verkozen zoete dingen te offeren en hun offers bevuilden met honing, zoals wel bekend is uit de boeken waarover ik u verteld heb, en u geen enkel zout zult aantreffen bij hun offers, waarschuwde Hasjem ons geen gegiste offers of honing te brengen en gebood Hij ons overal zout bij te gebruiken: ‘En bij al je offers zul je zout of­feren’.” Met andere woorden, ons werd geboden ons precies tegenovergesteld te gedragen dan de afgodendienaren gewend waren. Zij deden honing op hun offers en dat mogen wij niet doen. Zij zoutten hun offers niet, dus zouten wij ze wel.

(De Chazon Iesj Zts”l [Menachot 25:18] verbaast zich erover dat het niet de ge­woon­te is van Rambam om redenen te geven in zijn Sefer Mitswot. Daarom, zo legt hij uit – en dat schreef ook HaGaon Rav Itzel van Ponevitz zts”l [Zecher Jitschak, 40] dat Rambam ons wilde informeren dat het verbod om een onge­zou­ten offer te brengen niet is dat wij niet moeten nalaten het te zouten, maar dat wij geen ongezouten offer moeten brengen. Met andere woorden, behalve het feit dat er een positief gebod bestaat om een offer te zouten, bestaat er ook een negatief verbod het niet te offeren zonder zout. De halachische implicatie is of het offeren van een ongezouten offer beschouwd wordt als een negatieve mits­wa zonder handeling [lav sj’ein bo ma’asee – hij liet het na om het te zouten] en zo ja, dan wordt dat niet gestraft met geseling. Nu wij weten dat het verbod in de handeling van het offeren zit, is het wel strafbaar met geseling en dat is inder­daad wat Rambam schrijft in Hilchot Isoerei HaMizbeach 5:12. Rav Itzel noemt nog een ander voorbeeld dat het verschil uitdrukt tussen beide definities: als een kohen een offer brengt, waarop zout gevallen is, dan heeft hij niet de mits­wa uitgevoerd maar heeft nagelaten het offer te zouten, maar volgens Rambam heeft hij geen overtreding begaan, want hij heeft geen ongezouten offer ge­bracht. Leden van ons beit midrasj merkten op dat wij daarom kunnen begrijpen waarom Rambam beide redenen in zijn Moree Nevoechiem noemt, dat offers gezouten moeten worden om ons te distantiëren van afgoderij en de reden die de andere Risjoniem noemen, dat offers gezouten moeten worden, opdat zij smaak hebben. In het licht van het voorafgaande zou het mogelijk kunnen zijn dat de positieve mitswa om offers te zouten, is gegeven om volledig anders te gedragen dan niet-Joden en dat de negatieve mitswa, om geen ongezouten offer te brengen, onafhankelijk is van de mitswa-handeling van het zouten, om­dat het alleen maar gebeurt opdat het vlees smaak zal hebben. Apart hiervan kunnen wij uitleggen dat de voornaamste reden is zoals hij schreef in Sefer HaMitswot en de reden om zout te kiezen voor de smaak is wat hij schreef in Moree Nevoechiem).

Zout om iemands ziel te behoeden: Het is interessant om nog een andere reden voor het zouten van offers te noemen die in Sefer Chinoech staat [ibid]: „Omdat zout alles conserveert en behoedt tegen verlies en rotting en zo, bij het offeren wordt degene die offert bewaard tegen verlies en zijn ziel blijft altijd be­staan.”

Moet het vlees dat de kohaniem eten, gezouten zijn? Wij eindigen hier met een interessante opmerking van de auteur van Revid HaZahav [Wajjikra 2:13]. Er bestaan een meningsverschil onder de Risjoniem over welk vlees gezouten moet worden. Volgens de Rasjba, zoals staat in Torat HaBajit [bajit 3, sja’ar 3] en in zijn responsa Misjmeret HaBajit, hetgeen hij schreef in antwoord op de op­mer­kingen van de Raä op zijn sefer, worden alleen offers op het altaar gezouten [en dat schreef ook de Rosj, Pesachiem hfdst. 2, §23]. Aan de andere kant schreef de Raä in zijn aantekeningen op Misjmeret HaBajit, dat vlees dat de kohaniem eten en dat de eigenaar van het offer eet ook gezouten moet worden [en dat is ook de mening van andere Risjoniem; zie de Ran, Choelien 15b; het manuscript, toegeschreven aan Rasji, Nedariem 18b, s.v.Lisjna Acharina; en zie Klie Jakar, Wajjikra, ibid].

Daf 20a: En bij al je meeloffers zul je zout offeren

Zoet zout!

Zout voor hamotsi om twee redenen: De Rama schrijft [O.Ch. 167:5]: „Het is een mitswa om zout te zetten op iedere tafel voordat met het brood breekt, omdat de tafel vergelijkbaar is met het altaar.” en eten dat bedoeld is om iemand te sterken opdat hij zijn Schepper kan dienen [Misjna Beroera 167:31], wordt beschouwd als een offer. Wij zien in de Gemara [Berachot 40a] dat het stuk brood van de hamotsi in het zout gedoopt moet worden, opdat het smaak heeft. In onze tijd, waar al het baksel gekruid is met allerlei ingrediënten, is er geen noodzaak voor zout om smaak te geven aan het hamotsi-stukje brood [Tosafot, ibid, s.v. Havei melach, en Sjoelchan Aroech O.Ch. 167:5]. Niettemin is het ook onze hedendaagse gewoonte om zout op tafel te zetten, om ons te herinneren aan het Tora-gebod „en bij al je offers zul je zout offeren” [Wajjikra 2:13], en dan dippen wij het brood in het zout. Sommigen leren van wat de Rama schrijft: „Het is een mitswa om op iedere tafel zout te zetten” dat er kennelijk geen noodzaak is om het motsi-brood in het zout te dippen, zoals wij op de seder-avond twee gekookte soorten voedsel op de seder-schotel zetten, om ons te herinneren aan de pesach en chaĝiĝa-offers, hoewel die niet worden gegeten [Responsa Dvar Sjmoeël, 37; wij moeten overigens opmerken dat de simpele betekenis van de Rama is dat men ook van het zout gebruik maakt, zoals hij schrijft: „want eten is vergelijkbaar met offeren” en offers werden gezouten; zie Kitsoer Sjoelchan Aroech 41:6 en Misjna Beroera 475:4, en zie ook Dvar Sjmoeël, ibid, die tot de conclusie komt: „en misschien is het volgens hem goed om het met zout te eten”]. In ieder geval schreven de Mekoebaliem dat men het motsi-broodje driemaal in het zout moet dopen [Misjna Beroera 167:33, volgens de Maĝeen Awraham 167:15 en de verklaring van Machatsiet HaSjekel]. Wij moeten opmerken dat volgens de Mekoebakliem het motsi-broodje in het zout gedompeld moet worden en dat men het zout er niet op moet strooien [Bisjvilei HaParasja, blz. 304, innaam van Derech Se’oeda door Maharam Paparisj].

Dippen in suiker: Rabbi Joseef Chajiem uit Bagdad [Responsa Tora Lisjma 500] werd gevraagd: „Wij hebben gehoord dat men zout op tafel moet zetten. Wanneer er geen zout is kunnen wij er dan iets anders voor in de plaats zetten?” Hij antwoordde dat het mogelijk is dat men het motsi-broodje misschien in suiker kan dippen. Dit antwoord is gebaseerd op de enorme vernieuwing van Rabbi Ja’akov Chagiz, auteur van Responsa Halachot Ketanot [I, 218], die schreef dat in afwezigheid van zout in de Tempel, men de offers met suiker mag zouten! Hij raadpleegde experts die verklaarden dat volgens hen alle soorten suiker zout bevatten en hij schrijft: „Scheikundige experts zeggen dat alles zout bevat en in het suikerriet dat uit Egypte komt zit vlak bij de wortel en aan de top een zoutige smaak.” De auteur van Minchat Chinoech [eind mitswa119] drukt het aldus uit: „Suiker is ook een soort zout, maar dan zoet.” Echter de Tora zegt „Van al het gegiste en alle honing [dat wil zeggen alle zoete fruitige substanties] mag je geen brandoffers brengen voor Hasjem” [Wajjikra 2:11], en suiker wordt ook beschouwd als fruit. Niettemin, het positieve gebod om een offer te kruiden, zet het negatieve verbod om zoet voedsel te offeren opzij [zie Minchat Chinoech, ibid, die opmerkt dat de zaak onduidelijk is daar een positieve mitswa geen negatieve mitswa opzij duwt in de Tempel].

Gewoon vlees zouten met suiker: Sommigen gingen zover met Rabbi Chagiz’s vergelijking tussen zout en suiker, dat zij, zoals de auteur van Avnei Nezer zts”l vertelt [Responsa O.Ch. 532] over de Gaon van Lissa, het vlees „zoutten” met suiker.

Het offer wordt gezouten voor de mitswa niet om bloed uit te trekken: Ech­ter vele halachische autoriteiten keerden zich sterk tegen deze toestemming, daar het zouten van de offers niet bedoeld was om er het bloed uit te trekken, maar om de smaak te verbeteren en daarom, bij afwezigheid van zout, mag men de mitswa doen met zoet zout. Wij kunnen daar echter niet van leren dat men zo ook gewoon vlees mag zouten, want daar is het zout bedoeld om het bloed eruit te trekken – een eigenschap die alleen zout heeft [Divrei Chajiem J.D. 25; Roeach Chim door Rabbi Chajiem Falaji, J.D. 69:5 en Responsa Rav Pe’aliem II, J.D. 4.].

Een schotel met honing op Rosj Hasjana:  Rabbi Joseef Chajiem zegt dat hoewel wij niet van Rabbi Chagiz de regels voor het zouten van vlees leren, het mogelijk is  dat wij daar wel de halacha kunnen leren voor het brengen van zout op tafel, hetgeen alleen gebaseerd is op het zouten van de offers. Mogelijk dat dit de basis is voor de gewoonte van diegenen die een schotel met suiker op de tafel van Rosj Hasjana zetten als een goed teken.

De letters van melach van lechem : Maar toch schrijft hij het moeilijk te vinden om ermee in te stemmen dat suiker kan worden gebruikt ter vervanging van zout. Niet alleen dat, maar „in het dopen van het stukje motsi-brood in zout is een geheime en diepzinnige betekenis verborgen, want de letters van het woord îěç [melach – zout] vormen het woord ěçí [lechem – brood]… en met dit indopen wordt de [G-ddelijke] hardheid verzacht door liefde… zoals dit alles wordt verklaard door de Ari z”l.” Hij concludeert met te zeggen dat ook op Rosj Hasjana, toen hem een schotel suiker werd aangeboden, hij één kant van het brood in de suiker en de andere kant in het zout doopte.

Het dopen van brood in brood: Het is interessant op te merken dat de verklaring van de auteur van Kal HaChajiem [167:37] in naam van Jafee Laleev dat in afwezigheid van zout men het brood in meer brood moet dopen, omdat de letter van lechem dezelfde zijn als van melach.

De Chatam Sofers gewoonte op Sjabbat avond: Minhagei HaChatam Sofer [Hfst. 5:12] vermeldt dat op Sjabbat avond hij zijn brood niet in het zout doopte, hoewel hij wel zout op tafel zette [Responsa Be’er Sarim III:43], omdat in de Tempel de lichaamsdelen van de offers iedere avond verbrand werden op het altaar [zie Menachot 26b], behalve op Sjabbat en dus werd op de avond van Sjabbat geen zout gebruikt. Minhag Jisrael Tora [I:274] zegt dat de gewoonte om niettemin op Sjabbat avond brood in zout te dopen verklaard kan worden uit het feit dat de organen die op het altaar werden gelegd vóór Sjabbat, door bleven branden op Sjabbat.

De laatste wil

De opwinding en drukte van de Jamiem Toviem zijn weer achter de rug en de winter nadert. We keren terug naar de dagelijkse routine. Lange maanden liggen voor ons, vol regen en grauw en het lijkt dat de tijd gekomen is om de inhoud van twee boeiende brie­ven te onthullen, die vele tientalle jaren geleden werden geschreven.

HaGaon Rabbi Aizik Sher zt”l, Rosj Jesjiva van Slobodka, placht te ver­tellen over een jongen Leizer Judel genaamd, die in de Halusk Jesjiva leerde. Hij kreeg regelmatig brieven van zijn vader en die bevatten altijd een scherpe boodschap. „Mijn lieve zoon, iedere keer wanneer je aar­zelt en in twijfel staat of het de moei­te waard is om je studie te onder­breken voor iets anders, bedenk dan het volgende: bedenk eerlijk wat je zou doen als dit je laatste dag op deze wereld zou zijn. Zoals je op die dag zou doen, gedraag je zo op iedere ogenschijnlijk wille­keuri­ge dag.”

De zoon werd uiteindelijk de Rosj Jesjiva van Mir, HaGaon Rav Eliëzer Jehuda Finkel, en de vader was de Alter van Slabodka, Rabbi Natan Zwi Finkel.

Het verhaal van de andere brief werd verteld door één van de Tora-geleerden zt”l. Kort voor de Eerste Wereld Oorlog ontmoette hij iemand wiens zoon leerde in dezelfde jesji­va waar hij leerde en de vader was daar zeer blij mee. Lange tijd had hij zich zorgen gemaakt hoe hij met zijn dierbare zoon in contact kon komen nu had de G-ddelijke voor­zienigheid een betrouwbare bood­schapper geor­ga­niseerd om een gratis brief over te brengen. De va­der zette enthousiast zijn bril op, nam een bruin stuk papier en schreef daar een paar regels op, vouwde het op en gaf het aan de jongen om het aan zijn zoon te geven in de Bialistok Jesjiva.  De jongen stopte de brief in zijn zak en ging heen.

Een paar dagen later brak de oorlog uit. Geweervuur vulde overal de lucht, wegen werden geblok­keerd, reizen werd gevaarlijk en  Joden werden naar alle kanten ver­strooid. De trouwe bood­schap­per be­waarde de brief vele jaren, niet in staat de rechtmatige eige­naar op te sporen. Na acht jaar ont­dekte hij dat hij de zoon op een be­paalde plaats kon ontmoeten en hij ging opweg daarheen. De schrijver van de brief was intussen, gekweld door zorgen en moeilijk­heden over­leden en grote opwinding maakte zich meester van de zoon toen hij vernam dat er de laatste brief van zijn vader naar hem onderweg was. Zijn jonge familie kon er de hele nacht niet van slapen. Keer op keer streelde hij, met ogen vol tranen de wang van zijn eerstgeboren zoon, die naar zijn vader genoemd was. Wat een groot moment zou het zijn – welk een gelegenheid een ge­schre­ven boodschap te ontvangen van zijn overleden vader!

De boodschapper zou later in de ochtend komen en de zoon voelde een sterke behoefte om uitdrukking te geven van zijn gemengde gevoe­lens. Hij ging met zijn vrouw naar een lijstenmaker. Zo zouden zij zijn vaders laatste brief eren. Zij aarzel­den tussen de verschillende lijsten, totdat zij besloten een houten lijst te kopen met een ontwerp dat leek op turmulente golven, om hem eraan te doen herinneren hoe de brief zijn lange weg gevonden had door alle moeilijkheden en tegen­sla­gen heen.

Een paar uur later hoorden zij de lang verwachte klop op de deur. De brief was gearriveerd. Trillend van emotie opende de zoon de ver­weer­de envelop en haalde er een bruin vel papier uit waarop een paar regels waren geschreven met een stomp potlood in het bekende krullende handschrift van zijn gelief­de vader. Zijn familie stond rondom hem, hem nauwkeurig gadeslaand. Zijn vrouw stond al klaar met het lijstje, gereed om de kostbare letter voor het nageslacht te bewaren. Hij las de regels woord voor woord. Draaide het papier om en begon nog eens opnieuw. „Nou, wat schreef hij?” vroeg een broer die voor de gelegenheid was uitgeno­digd. Maar de zoon bleef stil en bleef met stijgende verbazing sta­ren naar de brief. Hij is vermoe­delijk is shock, dacht de broer en nam de brief en las hardop voor: „Mijn lieve zoon, als je naar huis komt, neem dan alstjeblieft vier haringen voor mij mee, die ik zo lekker vind.”

De laatste wil…

In tijden van de feestdagen en vreug­de hebben wij middelen om belang­rijke boodschappen aan onze kin­deren over te brengen. Wij starten Tisjrie majesteitelijk met de opwek­kende tonen van de Sjofar, en een appel en honing verhogen onze geest. Jom Kippoer, de heilige dag staat in de harten van onze kin­deren gegrift en Soekot, eindigend met Simchat Tora is tot aan de rand gevuld met buitengewone beteke­nis, van het verblijven in de soeka tot het dansen met de sifrei Tora. Nu zijn wij terug gekeerd naar onze routine bezigheden. Deze twee brie­ven kunnen dienen als voorbeelden wanneer wij onszelf afvragen wat voor indruk wij zouden willen die onze kinderen absorberen uit ons dagelijks leven. Zullen onze kinde­ren begrijpen dat de meest be­langrijke zaak voor hun vader is zij regelma­tige sji’oer of zullen zij zich later herinneren dat zijn dag tot een hoog­tepunt kwam wanneer hij zich ontspannen onderuit liet zakken om de krant te lezen? Niemand zal be­weren dat de vader die de brief schreef over de haring, zich onjuist gedragen heeft. Wie houdt er niet van haring? Aan de andere kant kunnen wij niet de doordringende gedachte negeren, dat wanneer hij geweten had dat dit zijn laatste brief zou zijn geweest…

Dit lijkt te eenvoudig, maar het is de realiteit. Onze routine handelingen en niet de speciale en zeldzame, zijn een leidraad voor de volgende generatie. Wij moeten de juiste en ware indruk scheppen door verant­woordelijk en zonder compromis­sen tijd opzij te zetten voor Tora iedere dag. Zo niet, dan laten wij hen een laatste wil over haring na…

áářëú äúĺřä, äňĺřę

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 232 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 28b: Een menora tegenover een menora

Een zevenarmige kandelaar voor Sjabbat

Onze Gemara bespreekt het verbod om voorwerpen te maken die identiek zijn aan die  van de Tempel: „Iemand moet geen structuur bouwen zoals de heichal, een portaal als de oelam, een binnenplaats als de ‘azara, een tafel als de Tafel [voor de Toonbroden] of een kandelaar  als de menora. Maar hij mag een vijf-, zes- of acht-armige kandelaar maken maar hij moet geen zevenarmige kandelaar maken, zelfs niet van een ander soort materiaal.” De bron van dit verbod zit verborgen in het vers [Sjemot 20:20]: „Je zult niet [iets] naast Mij maken” – „in de vorm van de functionarissen die Mij dienen” [Avoda Zara 43a, zie Tosafot Rosj Hasjana 24a, beg.w. bidemoet]. Sommige halachische autoriteiten beweren dat het verboden is om voorwerpen te maken waarvan de vorm en afmetingen identiek zijn  aan die van de Tempelvoorwerpen [Chacham Zwi, Responsa 60]. Mahari Kolon [sjoresj 75] is het hier niet mee eens en meent dat het ook verboden is om iets te maken dat lijkt op voorwerpen uit de Tempel.

De verzegeling van een arm van de kandelaar: Deze halacha is relevant voor het dagelijkse leven, daar onze Gemara uitlegt dat de menora in de Tempel kosjer is, zelfs als hij niet van goud is gemaakt, decoratieve knoppen of bloemen  mist of in het geheel niet uit één stuk metaal gegoten is. Daardoor kan men makkelijk ten prooi vallen aan het verbod om een menora te maken die lijkt op de menora van de Tempel. Een familie kocht eens een kandelaar voor Sjabbat met zeven armen en na aandacht aan het probleem te hebben besteed, moesten zij één van de zeven armen verzegelen.

Chanoeka duurt acht dagen wegens de Chanoeka lamp: Er werd een interessante reden gesuggereerd waarom Chanoeka acht dagen duurt, hoewel het wonder slechts zeven dagen duurde [zie Beit Joseef O.Ch. 670], namelijk wegens het feit dat men geen Chanoeka lamp met zeven armen kan maken! [‘Eidoet LeJisraël door HaGaon Rav J. Weltz, etc.].

Volgens vele Acheroniem [zie Zevach Toda; Sefer HaMafteach, Hilchot Beit HaBechira 3:3; Sjevet HaLevi III:106]  is onze soegia een aanwijzing voor een interessante halacha. Een menora die niet van goud gemaakt is, is inderdaad kosjer voor zijn functie, zelfs zonder kelken, knoppen of bloemen, maar een gouden menora is niet kosjer zonder zijn specifieke decoraties. Wij kunnen dus concluderen dat wij een zevenarmige gouden kandelaar mogen maken zolang die verschilt van de vorm van de gouden menora uit de Tempel, die niet als menora beschouwd werd zonder zijn decoraties. Maar Rabbi Akiva Eiger zts”l [in zijn commentaar op de Sjoelchan Aroech J.D. 141:8] citeert de auteur van Bechor Sjor, die het verbiedt om een gouden menora te maken, omdat, volgens Mahari Kolon, het verboden is een voorwerp te maken  dat lijkt op een voorwerp uit de Tempel.

HaGaon Rav S. Wosner [ibid] biedt twee verklaringen waarom de Bechor Sjor het verbood om een zevenarmige gouden kandelaar te maken, hoewel zulk een voorwerp niet in de Tempel als menora zou kunnen dienen [zie ibid, dat de woorden van Maharik niet beslissend zijn].

De Gaon van Wilna [Sjoelchan Aroech ibid] zegt dat wanneer wij ons eenmaal realiseren dat een menora die niet van goud gemaakt is, kosjer is zonder decoraties, wij moeten concluderen dat de decoraties niet de belangrijkste eigenschappen zijn maar slechts toevoegingen. Daarom kunnen wij begrijpen waarom men geen gouden zeven­armige kandelaar moet maken, zelfs zonder zijn decoraties, omdat zo de voornaamste vorm van de menora was.

Een andere verklaring van de mening van Bechor Sjor is gebaseerd op een regel die hiervoor reeds verscheidene malen genoemd is in onze publicatie over het onderscheid tussen de functie van de voorwerpen van de Tempel als gebruiksvoorwerpen en hun functie als onderdeel van het Tempel bouwwerk. Het lijkt erop, zegt Rav Wosner, dat de mitswa om de lichten in de Tempel op te steken niet verhinderd werd door de afwezigheid van de details van de menora. Maar wanneer die ontbreken, wordt het niet beschouwd als een onderdeel van de Tempel en daarom moeten er knoppen en bloemen aan zitten Het is daarom duidelijk waarom wij geen zevenarmige gouden kandelaar moeten maken, zelfs zonder decoraties [zie ibid, dat hij concludeert dat dit niet zo blijkt uit de Rambam en het probleem moet nog worden opgelost].

Kroonluchters: Rav Wosner beweert [ibid, deel X:129] dat een hangende kroonluchter zonder centrale tak niet beschouwd kan worden als een kandelaar, die vergelijkbaar is met de menora in de Tempel en daarom is het toe­ge­staan.

Rabbi Akiva Eigers vrees voor verboden: Tussen haakjes, wij moeten nog het verhaal vertellen dat verteld werd door HaGaon Rav Ch. Sj. Birnbaum zt”l, Rabbi Akiva’s schoonzoon [in het voorwoord tot Responsa Rachasj Leivav en in zijn brief in Igrot Soferiem]. In het huis van zijn schoonvader was een zevenarmige kroonluchter zonder centrale arm maar Rabbi  Akiva Eiger gaf opdracht daar een arm aan toe te voegen, omdat hij bang was, hoewel er geen verbod op bestaat. En inderdaad kreeg een vakman opdracht dat te doen en hij vernielde daarbij bijna de kroonluchter ten gevolge van de grote moeilijkheid van het karwei.

 

N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de

gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij

moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren

 onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd

is om een psak halacha te geven.

 

Bovenstaande teksten zijn woordelijke vertalingen van resp.

Meorot Hadaf HaYomi en Weekly DAF Footnotes.

De toelichtende en verklarende teksten

tussen rechte haken [ ] (niet de bron­

vermeldingen) zijn afkomstig

van de vertaler.