Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
5-11 Kislev 5764 Traktaat Menachot 34 - 47 Nr. 39

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 233 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 34b: En men plaatst ze in vier compartimenten [gemaakt] uit één huid

Lijm tussen de vier compartimenten van de tefillien

In dit artikel zullen wij een ogenschijnlijk eenvoudig probleem behandelen: Is het toegestaan om lijm te smeren tussen de compartimenten van de hoofd-tefillien? De halachische autoriteiten verschillen erover van mening. Sommigen me­nen dat de lijm de vereiste scheiding tussen de compartimenten [batiem] ongeldig maakt en anderen menen  dat ieder bajit beschouwd wordt als een aparte eenheid, ondanks de lijm, omdat de lijm vreemd materiaal is en niet beschouwd wordt de batiem met elkaar te verbinden. Het is interessant om een enkele halachische be­grippen nader te bekijken, die met ons probleem te maken hebben.

Laten wij beginnen met de basis feiten. De hoofd-tefillien bestaat uit vier hard-leren batiem voor de vier parasjiot. Elk bajit is aan alle zijden gesloten, behalve aan de onderkant, waar het open is. Een leren bedekking, die de titoera genoemd wordt en die dient als de basis van de tefillien, sluit de open onderzijde af en de zacht-leren riemen worden door een gleuf daarin – de ma’avarta – gestoken.

Hoeveel afdelingen moet de hoofd-tefillien hebben? De poskiem verschillen van mening over de vraag of de vier batiem alleen van binnen van elkaar gescheiden moeten zijn of dat er ook een externe scheiding nodig is. Met andere woorden, wij kunnen de hoofd-tefillien zodanig maken dat ieder bajit zijn eigen zijden heeft, zodat wij vier compartimenten hebben met totaal acht afscheidingen (zie tekening rechts hiernaast). Of we kunnen de vier compartimenten ma­ken met slechts vijf afscheidingen, drie in het midden die de afdelingen van elkaar scheiden en twee aan de buitenkant die de twee buitenste compartimenten omgeven (zie tekening links hiernaast) [Zie Zichron Eliahoe op Hilchot Tefillien, hfdst. 4, die de meningen en hun bronnen citeert].

Onze vraag is dus of het is toegestaan de ruimte tussen de batiem te lijmen, daar het niet relevant is volgens degenen die menen dat er geen externe scheiding hoeft te zijn tussen de compartimenten. Het is duidelijk dat  volgens hun, als er zo’n scheiding is men die mag lijmen. Onze vraag is volgens de poskiem die menen dat er een noodzaak bestaat  voor een externe en een interne scheiding: maakt de lijm de externe afscheiding tussen de batiem ongedaan?

Vier batiem met gescheiden huid: Een ander meningsverschil over tefillien houdt verband met dit probleem. Onze Gemara zegt: „…en men plaatst ze in vier batiem in één huid.” Sommige poskiem hebben onze Gemara geïnterpreteerd als dat de vier batiem uit één huid gemaakt moeten worden. De halacha echter heeft de mening gevolgd dat men de vier batiem mag maken van vier verschillende huiden en het is voldoende wanneer die aan elkaar genaaid of zelfs gelijmd worden, om zo uit te voeren wat de Gemara stelt, dat zij gemaakt moeten worden van één huid [Mageen Awraham 32:52; Misjna Beroera 32:172].

Wanneer wij nu trachten na te gaan wat de mening is van die poskiem over onze vraag, moeten wij tot de conclusie komen dat zij lijmen totaal verwerpen. Ten slotte geloven zij dat als men een paar huiden aan elkaar lijmt, dat het dan als één huid beschouwd kan worden en in dat geval moet men de ruimte tussen de scheidingswanden van de batiem niet lijmen, daar onze vraag gebaseerd is op de veronderstelling dat er een extra scheiding tussen de batiem moet zijn.

Dus voor degenen die menen dat er geen noodzaak is voor een extra scheiding, bestaat het probleem helemaal niet. Aan de andere kant, wanneer er wel een externe afscheiding moet zijn, dan zullen degenen die menen dat men huiden aan elkaar kan lijmen en dat men ze dan als één huid kan beschouwen, het lijmen verwerpen, omdat het lijmen veroorzaakt dat de twee afscheidingen dan als één afscheiding beschouwd dient te worden. In dat geval blijft de vraag alleen over voor diegenen die menen dat er een externe afscheiding moet zijn en dat men de vier batiem niet van verschillende, aan elkaar gelijmde huiden mag maken.

Het probleem is dat in vorige generaties  velen tefillien gebruikten die van een aantal aan elkaar gelijmde huiden waren gemaakt en zij lijmden de tussen ruimten tussen de batiem ook aan elkaar. Sommige Tora-geleerden namen de moeite deze praktijk te verdedigen en suggereerden het volgende onderscheid:

HaGaon Rav Sjlomo Zalman Auerbach zts”l suggereerde een mogelijke oplossing [in het manuscript van Halichot Sjlomo, Tefilla, Miloeïm, hfdst. 3] gebaseerd op een veronderstelling dat wij lijm niet moeten beschouwen als een volledig verenigende factor, maar die niettemin voldoende is om huiden van batiem aan elkaar te lijmen. Het zou kunnen zijn, zo legt hij uit, dat de halacha „en men plaatst ze in vier batiem in één huid” negatief moet worden opgevat.  Met andere woorden, het is verboden om ze volkomen van elkaar te scheiden. (Er is geen derasja dat zij gemaakt moeten worden van „één huid” maar „één zikaron [herinnering] en zolang de batiem  niet volledig van elkaar zijn gescheiden, kunnen zij beschouwd worden als „één herinnering”. Daarom is het voldoende als men de vier huiden aan elkaar lijmt om tefillien te maken, want als zodanig zijn zij dan niet volledig van elkaar gescheiden.) Maar daar gelijmde huiden niet één lichaam worden, is het toegestaan de ruimte tussen de batiem te lijmen en de scheiding tussen de wanden wordt daardoor niet opgeheven [zie daar voor nog een andere verklaring voor het geval dat wij de mening accepteren dat de lijm wèl verenigt]. Daarom had men de gewoonte om de ruimte tussen de compartimenten aan elkaar te lijmen.

Het verschil tussen verschillende soorten lijm: We eindigen hier met een idee uit de beit midrasj van de Maharsjam [Da’at Tora, 32:40 overeenkomstig de Responsa van Maharam Mintz]. Volgens hem veroorzaakt lijm, die gemaakt is van hetzelfde materiaal als datgene wat het samen lijmt, wel degelijk een volkomen eenheid van de beide onderdelen. Aan de andere kant, als men twee dingen aan elkaar lijmt met lijm die van ander materiaal gemaakt is, vormen zij geen eenheid. Daarom, zo schrijft hij, is het beter als de huid van de tefillien aan elkaar gelijmd wordt met lijm die gemaakt is van huiden zodat de tefillien beschouwd kunnen worden als te zijn gemaakt uit één huid, maar dat de ruimte tussen de batiem gelijmd moet worden met lijm van nader materiaal, zodat de vereiste extra afscheiding tussen de compartimenten in stand blijft [zie daar, dat er over deze mening vragen gesteld worden op grond van Keliem, hfdst. 3].

Voor wat de halacha betreft, als eerste keuze moet men handelen overeenkomstig de Sjoelchan Aroech [O.Ch. 32:40]: „De ruimte tussen de batiem moet doorlopen tot onderaan toe waar het genaaid is en zo niet, dan is het kosjer.” De Béoer Halacha schrijft dat wanneer men lijmt, men er voor moet zorgen dat men de hoeken niet lijmt, maar alleen in het midden [zie daar, dat het aanbevolen kan zijn om een beetje lijm in het onderste deel van de tussenruimte aan te brengen om de vierkante vorm van de vier batiem samen te houden en zie ook Zichron Eliahoe, ibid.].

Daf 34b Hoe is de volgorde? ÷ăů ěé [kadeesj li] en ĺäéä ëé  éáéŕę [Wehaja ki jewiacha] komen rechts.

Velen hebben de gewoonte om tefillien volgens Rabbeinoe Tam te leggen nadat zij die volgens Rasji gelegd hebben [zie Sjoelchan Aroech O.Ch. 34] en de gewoonte komt vooral veel voor bij Sefardiem en Chassidiem. Aan de andere kant wordt er vermeld in naam van de Gaon van Wilna dat er 64 meningen zijn over tefillien en als iemand aan alle meningen wil voldoen, hij iedere dag 64  paar tefillien zou moeten leggen! [Zie Measef Lechol HaMachanot 34:2 en zie Keter Rosj in siddoer HaGra, noot 14 voor een berekening van de 64 ideeën]. Het meningsverschil tussen Rasji en zijn kleinzoon Rabbeinoe Tam concentreert zich op de verklaring van de Gemara, dat de volgorde van de vier parasjiot in de hoofd-tefillien bespreekt, als volgt:

De hoofd-tefillien is verdeeld in vier compartimenten, die elk een stukje perkament bevatten waarop één van de vier parasjiot geschreven staat: Kadeesj li [Sjemot 13:1-10], Wehaja ki jewiacha [Sjemot 13:11-17], Sjema’ Jisraël [Dewariem 6:4-9] en Wehaja iem sjamoa [Dewariem 11:13-21]. Onze Gemara zegt: „Kadeesj li en Wehaja ki jewiacha aan de rechterkant en Sjema’ en Wehaja iem sjamoa’ aan de linker kant.” Rasji zegt dat zij moeten staan in de volgorde waarop zij in de Gemara genoemd worden, van rechts naar links en dat is ook de mening van de Rambam [Hilchot Tefillien 3:5]. Echter Rabbeinoe Tam is van mening dat de Gemara de parasjiot in twee groepen verdeelt en zoals het zegt „Kadeesj li en Wehaja ki jewiacha aan de rechter kant” en waaruit wij begrijpen dat Kadeesj li de meest rechtse parasja is, zo ook moeten wij, als de Gemara zegt „Sjema’ en Wehaja iem sjamoa’ aan de linkerkant” begrijpen dat Sjema’ de meest linkse parasja is:

 

 

 

Tefillien die gevonden werden in het graf van de Profeet Jechezkel: Dit meningsveschil heeft onze geleerden door alle generaties bezig gehouden. Zij onderzochten ieder onder­deel­tjes van historische informatie, dat hen kon helpen dit belangrijke probleem op te lossen. Beit Joseef [O.Ch. 34] schrijft in naam van de Mordechai en de Smag over een brief uit Erets Jisraël , waarin verteld werd hoe een platvorm over het graf van Jechezkel brak en mensen daar zeer oude tefillien onder vonden en de parasjiot lagen in de volgorde van Rasji en Rambam. Sommigen verwierpen dit bewijs, en beweerden dat zij juist waren begraven omdat hun parasjiot niet in de juiste volgorde stonden. De Bach weerlegt echter deze verwerping, en zegt dat er geen reden was om de tefillien te begraven omdat hun parasjiot opnieuw en in de juiste volgorde erin geplaats hadden kunnen worden. Aan de andere kant vermeldt Piskei Tosafot dat er twee paar tefillien werden ontdekt in Nehardea en Jeroesjalaim, de één met de parasjiot in de volgorde van Rasji en de ander volgens Rabbeinoe Tam.

De vraag rijst op hoe het komt dat plotseling op een dag Rabbeinoe Tam besluit de algemeen geaccepteerde praktijk te veranderen. HaGaon Rav Reoeveen Maragaliot zts”l [in zijn opmerking op Sjeëlot oetesjoevot min Hasjamajim, sjeëla 3] biedt vershillende bewijzen dat dit meningsverschil al zeer oud is. Het meningsverschil gaat terug tot de periode na de verwoesting van de Tempel, toen wij verspreid werden over de wereld en het ontstond reeds vele jaren voor de tijd van Rabbeinoe Tam. Dus Rabbeinoe Tam vond zijn idee niet zelf uit, maar onderzocht de zaak en kwam tot de conclusie dat een bepaalde mening gevolgd moest worden. Daar hij die mening propageerde, werd het als zijn mening beschouwd.

Wij moeten erop wijzen dat er vele onder de Risjoniem zijn die het niet eens zijn met elkaar over dit onderwerp. Rema’ van Pano [Responsa 107] wijdt een lange discussie aan de dicverse opinies over de volgorde van de parajiot. Hij citeert de mening van Sjimoesja Raba, een oud commentaar dat door Tossafot en de Rosj genoemd wordt, en die de volgorde van de parasjiot van Rasji aanhoudt, maar in omgekeerde volgorde, van links naar rechts. Dus waar volgens Rasji de volgorde van rechts naar links moet zijn: Kadeesj, Wehaja ki jewiacha, Sjema’ en Wehaja iem sjamoa’, moet het volgens Sjimoesja Raba in precies omgekeerde volgorde zijn. Ra’avad accepteert Rabbeinoe Tams opinie aangaande de volgorde maar ook volgens hem moet die volgorde precies andersom zijn, dus van links naar rechts in plaats van rechts naar links.

Iets dat recht is wanneer het omgekeerd is: Waarom leggen degenen die Rabbeinoe Tams opinie in acht nemen, niet vier paar tefillien: Rasji, Rabbeinoe Tam, Sjimoesja en Ra’avad? HaGaon Rav Chaim van Brisk zts”l [geciteerd in Chidoesjeei HaGriz en in Emek Beracha, Tefillien 3] verklaart dit heel mooi. Iemand die op zijn hoofd tefillien achterste voren legt, met de ma’avarta naar voren, heeft de mitswa uitgevoerd – maar door het zo te doen verandert hij de volgorde van de parasjiot van rechts naar links [zie Beit Joseef O.Ch. 27]. Dus iemand die tefillien volgens Rasji legt, heeft ze bediavad [achteraf bezien] ook gelegd volgens Sjimoesja Raba want hij is niets slechter dan iemand die tefillien achterst voren legt. En iemand die tefillien volgens Rabbeinoe Tam legt, vervult, op dezelfde wijze ook de mitswa volgens Ra’avad. [Leden van ons beit midrasj merkten op dat de zaak niet zo simpel is: Teroemat adesjen (49, hetgeen de bron van Beit Joseef is) maakt onderscheid tussen hoofd- en arm-tefillien en staat alleen het omdraaien van de tefillien sjel jad toe, zoals onze Gemara uitlegt dat betreffende de hoofd-tefillien en bepaalde parasjiot rechts en links moeten zitten. Zie daar en de verklaring van HaGaon Rav Chaim verdient dus nader onderzoek].

De Chafets Chaim legde Rabbeinoe Tams tefillien: In zijn latere jaren begon de Chafets Chaim zts”l tefillien volgens Rabeinoe Tam te leggen ten gevolge van een bepaalde gebeurtenis. In die tijd beweerde iemand met grote beschaving en brede kennis dat hij iets verbazingwekkends ontdekt had: een Talmoed Jeroesjalmi op Seder Kedoesjiem dat nimmer eerder ontdekt was. In deze nieuw ontdekte versie van Menachot stond de volgorde van de parasjiot expliciet vermeld volgens Rabbeinoe Tam! De Chafets Chaim zag de versie en begon ze onmiddellijk om te doen. Na enige tijd werd het duidelijk dat de hele afaire een bedrog was en dat de „ontdekker” de hele tekst vervalst had. De Chafets Chaim hoorde hierover, maar is niet gestopt met de tefillien van Rabbeinoe Tam te leggen [Toledot HeChafets Chaim door zijn zoon, p. 27].

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 234 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 42b: Tefillien moeten onderzocht worden

Controle van gebruikte tefillien

Vele mensen hebben de gewoonte om van tijd tot tijd hun tefillien te laten nakijken en de zorgvuldigen doen dat in de maand Eloel [Matee Efraim 581:10, Kitsoer Sjoelchan Aroech 128:3].

Tweemaal in de zeven jaar: Tosafot op onze soegia [beg.w. Tefillien jeesj lahen] zegt dat de Tanaim over deze zaak van mening verschilden. Sommigen meenden dat tefillien iedere 12 maanden nagekeken moeten worden en anderen menen dat ze helemaal niet hoeven te worden nagekeken. Tosafot zegt, dat volgens de halacha zij niet gecontroleerd hoeven te worden maar dat de Sjimoesja Raba schreef dat het goed is om ze tweemaal in de zeven jaar na te laten kijken. De Sjoelchan Aroech [O.Ch. 39:10] stelt vast dat „Tefillien verondersteld worden [moechzak] kosjer te zijn en ze hoeven nimmer te worden nagekeken maar iemand die ze niet regelmatig omdoet, die moet ze tweemaal in de zeven jaar laten nakijken.”

De getuigenis van de Ja’vets: Echter, vele Acheroniem schrijven, en zo ook beslist de Misjna Beroera [39:26], dat tefillien weliswaar moechzak kosjer zijn, maar dat het „goed is ze te controleren omdat zij na verloop van tijd gebrekkig worden ten gevolge van zweet” en we moeten ons ook zorgen maken over letters die in de loop van de tijd uitgewist raken [zie Knesset Hagedola O.Ch.I, id. aangehaald in de Toer, geciteerd door mageen Awraham 39:14]. De zaak wordt nog duidelijker uitgedrukt in Baroech Sjeamar [in het voorwoord van TikkoenTefillien, noot 3, geciteerd in Elia Raba 39:6], een Risjon. Hij schrijft: „Door onze vele zonden hebben vele mensen niet de gewoonte om hun tefillien te controleren en het gevolg is dat zij bijna hun hele leven zonder tefillien doorbrengen, omdat zij vaak aan de buiten­kant kosjer lijken, maar aan de binnenkant wegslijten door zweet en vocht.” De Ja’vets [Mor Oektsia] getuigde dat hij eens zijn tefillien controleerde en dat zij kosjer bevonden waren en dat hij ze drie jaar later weer controleerde en ontdekte dat zij passoel waren geworden „en ik zei hoe groot zijn de woorden van de geleerden, die gezegd hebben dat men ze teemaal in de zeven jaar moet controleren” [zie Maharsja Aboehav in Sefer HaZichronot 7:3; Tiferet Sjmoeël op de Rosj, Hilchot Tefillien 17; Aroch Hasjoelchan , O.Ch. eind § 39; en Prie Megadiem en Esjel Awraham noot 15].

Er werd vermeld in naam van HaGaon Rav Sjlomo Zalman Auerbach zts”l [Halichot Sjlomo hfdst. 36] dat er in onze tijd bijzonder fijne tefillien gemaakt worden en dat er geen reden is zich zorgen te maken dat zij passoel worden omdat het perkament en de inkt van een betere kwaliteit zijn en dat de batiem van dikker leer worden gemaakt, die voorkomen dat er zweet in binnendringt. In tegendeel, tefillien kunnen juist beschadigen door ze open te maken en de parasjiot eruit te halen en ze er weer in terug te doen en daarom is de gewoonte vandaag ze niet te controleren [zie ook Orchot Rabeinoe I, blz. 46, betreffende de gewoonte van de Chazon Iesj en de Kehilot Ja’akov en Melechet Sjamajim, klal 22]. Dit alles is natuurlijk niet van toepassing als er redenen tot twijfel bestaan omtrent bepaalde tefillien, bijvoorbeeld als zij in het water zijn gevallen [Mageen Awraham ibid] of wanneer zij lange tijd in de zon of op een zeer warme plaats hebben gelegen [Jeriot Sjlomo, ibid 7, en Misjnat HaSofer Hfdst. 24:3].

Daf 44b: De stieren en de rammen en de lammeren [voor het moessaf-offer] zijn niet essentiëel voor elkaar

Een fout in moessaf

Sinds de verwoesting van de Tempel en de onderbreking van de offers, vervangen wij die met onze gebeden. De Asjkenazische gewoonte [Rema O.Ch. 488:3] is om in de moessaf van Sjabbat en feestdagen de verzen over de offers  op die dagen te reciteren. Gewoonlijk zal iemand die dawwent zich concentreren en erop letten dat de verzen die hij zegt overeenkomen met de dag maar de poskiem waren niet onachtzaam voor degenen die verward raken en fouten maken.

Soekot: een feest voor vergissingen: Vergissingen worden vaker gemaakt tijdens moessaf met Soekot, wanneer het aantal offers iedere dag anders is: op de eerste dag werden er 13 stieren geofferd en daarna werd er iedere dag één minder geofferd tot zeven stieren op de zevende dag.

‘Al hanissiem in het midden van de zomer: Iedereen is het erover eens dat als men verzen van de offers weglaat, dat geen belemmering is voor moessaf en het is voldoende om te zeggen „en dan zullen wij voor U de offers brengen die wij verplicht zijn, temidiem in hun volgorde en moessafiem volgens hun halacha” [Sjoelchan Aroech O.Ch. 268:4]. De vraag is echter of verzen die niets te maken hebben met het onderwerp, beschouwd moe­ten worden als een interruptie in het gebed. Dit probleem geldt niet alleen voor de verzen over de offers, maar  ook voor het bij vergissing zeggen van ‘al hanissiem in het midden van de zomer, of het zeggen van Ja’alee wejawo in het midden van de maand en dergelijke vergissingen. De poskiem verschillen van mening of men in zo’n geval het gebed over moet zeggen [Chajei Adam, klal28:13; Misjna Beroera 488:13; Taz, eind 108; Responsa Sjoël Oemeisjiev, 4de uitgave, II, 108].

Soorten fouten: Wanneer wij willen weten of een vergissing in de verzen over de offers beschouwd moet worden als het uitspreken van een irrelevant onderwerp, dan moeten wij onderscheid maken tussen twee soorten vergissingen: een vergissing in het aantal offers en een vergissing in het aantal dagen. Wij zullen eerst het eerste soort vergissing bespreken, welke twee mogelijkheden heeft: iemand kan een lager aantal dan het vereiste offers noemen en hij kan een hoger aantal noemen.

Soekot is anders dan andere feestdagen: Volgens de Piskei Tesjoeva [488:3 en 663:1] is iedereen het erover eens dat de verzen van de moessaf die bij vergissing gezegd worden, niet beschouwd worden als een gebed dat niet op zijn tijd gezegd werd, behalve met Soekot, wanneer iemand die verzen zegt die irrelevant zijn voor die dag, wel beschouwd wordt als irrelevante dingen te hebben gezegd. Ten slotte legt onze Gemara uit dat het niet offeren van de ene moessaf niet het offeren van een ander moessafoffer belemmert. Maar Soekot is een uitzondering, omdat dan de offers wel van elkaar afhankelijk zijn en bij afwezigheid van het ene offer, mag men geen ander moessaf-offer brengen [zie Soeka 47a].Daarom, wie een te klein aantal offers noemt op andere feestdagen, wordt niet beschouwd als iemand die een irrelevante iets heeft gezegd, omdat zelfs in de Tempel het offeren van minder dat het vereiste aantal moessafiem niet de offers die gebracht werden diskwalificeerde. Maar iemand die zoiets doet op Soekot wordt wel beschouwd als iets gezegd te hebben dat buiten zijn tijd valt, zoals in de Tempel de offers ongeldig werden als er minder offers gebracht werden dan vereist was. Bijgevolg blijft deze persoon het onderwerp van discussie van de poskiem  of zo iemand over moet dawwenen of niet. [Dit is niet zo simpel, zoals opgemerkt in Responsa Sjevet HaLevi IV:63, omdat Rambam niet besliste overeenkomstig onze soegia, en zie ook Minchat Chinoech, mitswa 320, noot 1, volgens hetwelk de persoon zijn verplichting wel vervuld heeft, zelfs op Soekot].

Tot zover iemand die het aantal vereiste offers verminderde maar hoe zit dat met iemand die een vers citeert dat er een aantal aantoevoegt? In dit geval is de vraag of een niet vereist aantal dat toegevoegd wordt de overige onderdelen van het offer diskwalificeren. Dit probleem wordt op een aantal plaatsen behandeld en komt ook aan de orde in onze soegia, dat zegt: „Waar lijkt dit op? Het lijkt op een student wiens leraar hem verteld heeft „Breng mij tarwe” en hij brengt hem tarwe en gerst, dan heeft hij de woorden van zijn meester niet overtreden, hij heeft er slechts iets aan toegevoegd.” Met andere woorden, de toevoeging staat op zichzelf en diskwalificeert niet datgene wat naar behoren vervuld werd. Daarom bewijzen sommigen dat volgens alle meningen iemands tefilla niet ongeldig wordt als hij een groter aantal offers noemt dan vereist is [Chavaliem Bine’imiem II, HaMeaseef, O.Ch. noot].

Blijven wij over met de laatste vergissing, als iemand zich vergist in de dag. Bijvoorbeeld op de tweede dag, wanneer er twaalf stieren worden geofferd, zegt hij „en op de derde dag, 12 stieren”. HaGaon Rav S. Wosner [ibid] is vanmening dat hij de tefillat moessaf niet hoeft te herhalen, omdat zelfs een kohen die in de Tempel de offers bracht en de verkeerde dag in gedachten had, de offers daarmee niet diskwalificeerde [zie Responsa Minchat Jitschak VIII:49].

Voor wat betreft de halacha: de Misjna Beroera bepaalt overeenkomstig de Chajei Adam, dat een onopzettelijke vergissing niet beschouwd wordt als een interruptie die vereist dat men opnieuw zou moeten dawwenen.