Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
12-18 Kislev 5764 Traktaat Menachot 48 - 61 Nr. 40

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 235 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 49a: Deze zijn voor het Tamied van de ochtend

De mitswa van de inwijding van het altaar

Toen de Grieken Jeruzalem veroverden, vervuilden zij de Tempel en het altaar met hun afgodendienst. Toen zij werden verslagen, bedekten de Chasmoneeërs de stenen van het altaar en bouwden een nieuw altaar in Kislev [Avoda Zara 52b]. De Maharsja [Sjabbat 21b] zegt dat de feestdag daarom Chanoeka [„inwijding”] genoemd wordt, omdat zij de verdiensten hadden om een nieuw altaar te bouwen en in te wijden.

Onze misjna legt uit dat men nieuwe voorwerpen voor de Tempel moet inwijden door ze bij de dienst te ge­bruiken en dat het buitenaltaar ingewijd wordt door het ochtend tamied – het dagelijks ochtend-offer – erop te offeren. Wanneer dat niet gedaan is, mag men het namiddag tamied niet brengen totdat het altaar ’s och­tends met het ochtend-tamied ingewijd is.

Een mitswa zonder specifieke karakteristieken wordt niet geteld: Wanneer wij de werken van de Risjoniem nader beschouwen, die handelen over het aantal mitswot, dan vinden wij dat sommigen de inwijding van het altaar als een mitswa telden [Behag, Minjan HaParasjajot, ot 4] maar dat vele anderen het eruit laten. De auteur van Megilat Ester [Sjoresj 3] legt uit waarom. Hij geeft twee redenen. Ten eerste, zegt hij, hoe weten wij dat de inwijding van het altaar een mitswa is? Mogelijk hebben wij alleen maar een verbod om op een nieuw altaar te offeren, zolang het ochtend-tamied nog niet gebracht is. Zelfs al is de inwijding van het altaar een mitswa, dan moet men het nog niet tellen als één van de 613 mitswot, omdat deze mitswa geen speciale karakteristieken heeft. Daar wij geen speciaal offer hoeven te brengen voor de inwijding van het altaar, maar de Tora alleen maar zegt dat het met een tamied moet worden ingewijd, is dat dan een nieuwe mitswa? Om een en ander samen te vatten: Rabbi Jerucham Perla [op Rav Sa’adja Gaons werk, parsja 49] zegt dat de inwijding van het altaar niet een essentiëel verbod inhoudt of een mitswa met zijn eigen inhoud, maar de Tora zegt dat het altaar niet geschikt is voor zijn taak wanneer deze en bepaalde andere voorschriften niet vervuld zijn.

Wanneer Masjiach komt op de dag voor Pesach: Rabbi Awraham Pardo zts”l vroeg zich af: [geciteerd in de Responsa Joseef Omeets 6]: Wanneer Masjiach op de dag voor Pesach komt en het altaar wordt in de namiddag gebouwd, na het tijdstip van het ochtend-tamied, wordt het pesach-offer dan niet gebracht omdat het altaar niet is ingewijd? En inderdaad, wanneer wij de mening volgen dat een altaar dat niet is ingewijd in het geheel geen altaar is, dan kan het pesach-offer niet gebracht worden. Maar Rabbi Pardo is het daar niet mee eens en volgens hem is de geschiktheid van het altaar niet afhankelijk van de mitswa om het in te wijden. Daarom duwt het pesach-offer, hetgeen een positief gebod is, waarop bij nalating de straf van kareet staat, de mitswa van de inwijding van het altaar opzij. Andere Acheroniem denken er netzo over [zie Sefer HaMafteach op Rambam, Hilchot Temidiem Oemoesafien, 1:12, dat de Netsief en Aroch Hasjoelchan iets dergelijks schreven, en zie ook Avi ‘Ezri, ibid, die zegt dat volgens Rambam de halacha alleen is dat men niet met het namiddag-tamied mag beginnen, maar dat andere offers wel op het altaar gebracht kunnen worden als inwijdingsoffer].

Wij hebben het voorschirft voor de inwijding van het altaar, dan wel het verbod om het te gebruiken en de gevolgen daarvan, behandeld alsof de inwijding van het altaar een voorwaarde is om geschikt te zijn voor gebruik. Maar de Chazon Iesj [Menachot 30:3-5] zegt dat wij de mitswa nog niet volledig hebben begrepen. Om zijn opmerking correct te begrijpen, moeten wij er eerst de nadruk opleggen dat klei sjaret ingewijd worden door hun dienst [Joma 12b, etc.]. Met andere woorden, een voorwerp in de Tempel wordt ingewijd wanneer de kohen er de dienst mee uitoefent in de Tempel met het doel om het in te wijden. Daarom moeten wij nagaan of de inwijding van het altaar met het ochtend-tamied zijn oorsprong vindt in de taak van het altaar als een klie sjaret, dat ingewijd moet worden met de dienst waarvoor het bestemd is, zoals ieder nieuw klie sjaret, of dat er wellicht, om het altaar als klie sjaret in te wijden, geen noodzaak is om het ochtend-tamied te brengen, maar dat het voldoende is om ongeacht welk offer dan ook te brengen, waarbij de halacha van de inwijding van het altaar met het ochtend-tamied zijn oorsprong vindt in het feit dat het een voorwerp is dat de Tempel-structuur aanvult en wanneer er een nieuwe Tempel gebouwd wordt, moet het altaar op die manier ingewijd worden.

De Chazon Iesj noemt een bepaald geval dat het verschil tot uitdrukking brengt tussen de twee gezichtspun­ten. Hoe zit het met een altaar dat ongeschikt is geworden, doordat een van zijn hoorns beschadigd is maar later weer hersteld werd. Het is duidelijk dat het opnieuw moet worden ingewijd als een klie sjaret, want toen het beschadigd werd was het niet meer geschikt als zodanig. Maar wanneer inwijding met een ochtend-tamied gekoppeld is aan de inwijding van een nieuwe Tempel, dan is het voldoende om het in te wijden met ieder offer [zie Mikdasj Jechezkel op onze soegia].

Waarom duurt Chanoeka geen negen dagen? Wij eindigen met waar wij begonnen zijn. De Chatam Sofer werpt een vraag op over de verbinding die Maharsja legt tussen Chanoeka en de inwijding van het altaar. Wanneer die veronderstelling correct is, zo vraagt de Chatam Sofer, laat ons dan de volgorde van de gebeurtenissen in de Tempel nader bekijken en dan zullen wij ontdekken dat Chazal negen dagen Chanoeka hadden moeten instellen! De Chatam Sofer veronderstelt dat de hele inwijding op één dag plaatsvond en vraagt zich af: op de ochtend van de 24ste Kislev werd het altaar ingewijd met het tamied en in de namiddag werd de menora aangestoken. Wanneer Chanoeka zo genoemd wordt, hoofdzakelijk wegens de inwijding van het altaar, waarom vieren wij het dan niet op de 24ste, toen het altaar werd ingewijd? [En als het altaar werd ingewijd op de 25ste, dan werd de menora aangestoken in de namiddag vóór de 26ste en waarom steken wij dan de lichtjes aan op de 25ste?].

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 236 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Menachot 60a: Eisen wij dat de hoeveelheid olie gelijk is aan de hoeveelheid levona?

Van wie is het geld in de tsadaka-busjes?

Het beroemde tsadaka busje dat nog in vele huizen en sjoels in de diaspora staat, was door onze voorvaderen [en soms opnieuw] bestemd om de armen in Erets Jisraël te steunen. Het gebeurde eens dat een gemeente een grote som geld nodig had voor een belangrijk liefdadig doel en er werd gesuggereerd om het geld te gebruiken dat zich in de tsadaka-busjes had opgestapeld.

Het busje behoort toe aan de armen: Wanneer iemand zweert dat hij aan een bepaalde arme tsadak zal geven, dan verschillen de Acheroniem erover of hij van gedachten kan veranderen en het aan een andere arme kan geven [zie Ketsot HaChosjen 212]. Echter in ons geval beweerde HaGaon Rabbijn Mordechai Ze’ev Etinga, de auteur van Mefaresjei HaJam op Bawa Kama en de zwager van de auteur van Sjoël Oemeisjiev, dat volgens iedereen de eigenaars van de busjes het geld daarin niet aan andere arme mensen mag geven, daar het geld het eigendom is van de armen en vanaf het moment dat het geld in de bus valt, is het het eigendom van de armen en geen ander mens heeft het recht het eruit te halen [Responsa Maämar Mordechai 15]. Echter de auteur van Beit Jitschak [Responsa O.Ch. 21:2] beweert dat voordat wij over dit probleem een beslissing nemen, wij aandacht moeten besteden aan Tosafot op onze soegia:

Onze Gemara legt uit dat de mitswa van netina – het geven [leggen] van het wieroek op het mincha – de hoeveelheid van een kezajit moet zijn. Tosafot [beg.w. Mi ba’inan sima] legt uit dat iedere netina –geven – in de Tora niet betekent dat men de kleinst mogelijke hoeveelheid mag geven, maar dat men een hoeveelheid moet geven van een halachische maat – een sji’oer. Voor wat betreft voedsel, is netina gedefiniëerd als een kezajit en wanneer wij het over geld hebben, wordt alleen een peroeta* [of meer] beschouwd als ‘geven’.

Betreffende liefdadigheid zegt de Tora [Dewariem 15:10]: „Geef, je zult geven” en beveelt ons om liefdadigheid te geven aan een arme die om geld vraagt en hem niet te negeren. Dus de mitswa van tsadaka wordt alleen in acht genomen als men aan een arme minstens een peroeta geeft. Wie minder dan een peroeta geeft, neemt de mitswa niet in acht.

Het tsadaka-busje is van de armen en daarom krijgen zij de munten niet: Als iemand geld in een tsadaka-busje doet, wil hij natuurlijk daarmee de mitswa van liefdadigheid uitvoeren. Maar zelfs al stopt hij er gouden munten in, dan nog heeft hij de mitswa niet gedaan, want er zijn zeer vele armen in Israël en zodra hij het geld in het busje laat vallen, behoort het aan hen allen, en wordt het geld onder hen allen gelijk verdeeld. Daardoor krijgt ieder van hen minder dan een peroeta en men heeft de mitswa niet gedaan. De enige mogelijkheid voor de donor is om een voorwaarde te stellen dat hij de munten niet aan de armen geeft, voordat zij hen daadwerkelijk gekregen hebben. Dan krijgt inderdaad degenen die het geld in ontvangst neemt, de waarde van een peroeta [of meer] en dan wordt de mitswa vervuld. En daarom kunnen wij niet zeggen dat het niet toegestaan is om geld uit het tsadaka-busje te halen, nadat de armen het hebben verkregen, want de eigenaar van het busje had nog niet de bedoeling om het aan hen te geven.

Hij komt ten slotte tot de conclusie, dat ondanks alles, de mitswa van liefdadigheid verschilt van alle andere donaties die in Tora genoemd worden en dat ook als iemand minder geeft dan de minimum vereiste hoeveelheid van een peroeta hij de mitswa doet [zie zijn bewijs ibid en Maharil Diskin zts`l is het met hem eens en zie ook Derech Emoena, Hilchot Matenot ‘Aniïem, halacha 1 in Beoer Halacha].

De leden van ons beit hamidrasj concludeerden deze zaak met verbazing en zeiden: „Zie wat de kracht is van een enkele regel in Tosafot in Menachot, dat handelt over wierook op een handvol mincha, en dat zich uitstrekt tot de tsadaka-busjes die in ieder huis staan.”


* In de tijd van de Misjna gingen er 768 peroetot in een Sela, de term die toen gebruikt werd voor een bijbelse Sjekel. Een Sela stond gelijk aan 17 gram zilver. Vandaag, 10 december 2003 is de prijs van een troy ounce zilver (31,103 gram) € 4,5924. Dus 768 peroetot = 1 Sela = (17 ş 31,103) x 4,5924 = € 2,51.  Of  3 peroetot =  ± € 0,01.


N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de

gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij

moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren

 onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd

is om een psak halacha te geven.

 

Bovenstaande teksten zijn woordelijke vertalingen van resp.

Meorot Hadaf HaYomi en Weekly DAF Footnotes.

De toelichtende en verklarende teksten

tussen rechte haken [ ] (niet de bron­

vermeldingen) zijn afkomstig

van de vertaler.