Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
5764 Traktaat Menachot 62 - 72 Nr. 41

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 237 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 64a:  Hij spreidde een net uit om vis te vangen

Kan het redden van een leven iemand die op Sjabbat autorijdt behoeden van overtreding?

De Risjoniem verschilden van mening in onze soegia betreffende een basis-halacha, waarvan de gevolgen zo praktisch zijn, dat wij het niet willen nalaten  om de diverse meningen hier weer te geven. Natuurlijk zet het redden van een leven de hele Tora opzij en het is een mitswa om Sjabbat daarvoor te ontheiligen. In dit artikel willen wij nagaan of een handeling die in overtreding begaan werd maar uiteindelijk leidde tot het redden van een leven, beschouwd moet worden als een zondige handeling.

In onze soegia verschillen Rava en Rabba van mening over het volgende geval [volgens één versie]. Een Jood vis­te op Sjabbat. Toen hij zijn net ophaalde vond hij daar, samen met de vis die hij gevangen had tot zijn verbazing ook een kind in, dat bijna was verdronken, en welks leven hij dus gered had. Volgens Rabba is de visser vrijgesteld van ontheiliging van Sjabbat, omdat hij het kind gered heeft. Maar Rava is van mening dat, aangezien de visser alleen maar de bedoeling had om te vissen, het begeleidende resultaat niet de overtreding verandert in een red­dingshandeling. Voor wat de halacha betreft, verschillen de Risjoniem van mening. Rambam [Hilchot Sjabbat 2:16] beslist dat de visser is vrijgesteld, maar de Ra’avad beslist dat hij schuldig is aan overtreding van Sjabbat.

Iemand die op Sjabbat reed, werd gevraagd om een zieke Jood naar het ziekenhuis te brengen: Dus een Jood die  Sjabbat ontheiligt door met zijn auto te rijden en die gestopt wordt en gevraagd wordt om iemand die het bewustijn heeft verloren naar het ziekenhuis te brengen, is volgens de Ra’avad niettemin schuldig aan het rijden op Sjabbat voordat er levensreddende omstandigheden waren, maar volgens de Rambam is hij vrijgesteld, omdat dankzij het feit dat hij naar die plaats kwam gereden, hij een leven gered heeft. Echter, de zaak is niet zo simpel en is afhankelijk van twee factoren, als volgt.

Een reddingsactie alleen wanneer daar reeds een noodzaak voor was: HaGaon Rabbi Jehoeda Najar beweert [Limoedei Hasjem, Limoed  203, zie daar hoe hij dit bewijst uit Tosafot op onze soegia; Imrei Bina, Hilchot Jom Tov 3 is het er mee eens] dat het geval van onze soegia alleen van toepassing is als de overtreding gebeurde nadat de ontheiliging van Sjabbat nodig was om een leven te redden. Maar wanneer op het tijdstip van de overtreding er geen noodzaak was om iemands leven te redden, zoals in het bovengenoemde geval van de  automobilist, dan kunnen we volgens alle meningen het autorijden voordat de man de hartaanval kreeg, niet  beschouwen als te zijn gedaan om een leven te redden. Hij is alleen vrijgesteld voor zijn rijden op Sjabbat met de zieke, maar niet van wat hij daarvoor reed [zie Torat Hajoledet, dat men de voorkeur moet geven aan een automobilist die Sjabbat in acht neemt en die uitsluitend rijdt om een leven te redden].

Wie Sjabbat moedwillig overtreedt, heeft geen rectificatie: Bovendien verschillen de Acheroniem van mening met Rambam. HaGaon Rabbi Meïr Auerbach zts`l [Imrei Bina, ibid] schrijft dat de beslissing van Rambam, dat de overtreding beschouwd moet worden als een levensreddende handeling, van toepassing is als de overtreding zowel moedwillig, als onopzettelijk begaan werd. Echter de auteur van Tsafnat Paneach [Hilchot Sjabbat, hfdst. 2] beweert dat Rambams beslissing alleen geldt voor een onopzettelijke overtreding, maar geen enkele levens­reddende handeling kan een opzettelijk gemaakte ontheiliging van Sjabbat goedmaken. Daarom, zegt Tsafnat Paneach, wanneer de autorijder onopzettelijk reed [bijvoorbeeld als hij niet wist dat het verboden is om om Sjabbat te rijden], dan hangt zijn handeling af van het meningsveschil tussen Rambam en Ra’avad. Maar wanneer hij opzet­telijk Sjabbat overtrad, dan wordt zijn rijden, totdat hij de zieke persoon tegenkomt, beschouwd als een pure ont­heiliging van Sjabbat, zelfs volgens de Rambam (zie uitgebreid Torat Joledet, hfdst. 13, opmerking 9, waar hij deze mening toeschrijft  aan de Beioer Halacha en Kovets He’arot;  Wij moeten hier vermelden wat de Sfat Emet en de Chazon Iesj zeggen over Menachot op § 42:18, dat de soegia het heeft over de verplichting om een chatat te brengen voor een onopzettelijke overtreding, maar dat volgens alle meningen is men vrijgesteld van straf wanneer dat met opzet gedaan werd [dan volgt een straf minHasjamajim]).

Daf 64a: Breng eerst de vette en slacht dat!

Het verfraaien van een mitswa nadat die is uitgevoerd

Een significant verschil van mening betreffende de uitvoering van mitswot is afhankelijk van de interpretatie van deze Gemara.

Het probleem van de twee etrogiem: Een algemene vraag in de jesjiva-wereld betreft „de twee etrogiem”. Eén etrog is uiterlijk erg mooi, maar er bestaat twijfel of hij kosjer is. De andere etrog is volgens iedereen kosjer maar is niet mooi. Het is duidelijk dat de eignaar het beste hen allebei kan opnemen. Maar welke moet hij eerst opnemen? Deze vraag is van toepassing op iedereen die, nadat hij de mitswa van de arba’ miniem – de vier soorten – heeft in acht genomen, een schitterende etrog vindt. Moet hij de loelav met de etrog mehoedar [schitterend] nogmaals opne­men? In dit artikel zullen wij twee tegenstrijdige meningen nader onderzoeken.

Als er geen mitswa is, waar is dan de hidoer? HaGaon Rabbi Chaim van Brisk zts”l besliste dat men eerst de twijfelachtige maar schitterende etrog moet opnemen. Wanneer hij eerst de beslist kosjere etrog opneemt, heeft hij de mitswa reeds gedaan en het heeft geen zin meer om dan de mehoedar op te nemen. Daarom moet hij beginnen met de mehoedar. Als die kosjer is, heeft hij verdient dat hij de mitwa  met een hidoer [extra mooi] heeft uitgevoerd, en zo niet, dat doet hij de mitswa alsnog met de kosjere etrog. Deze regeling is gebaseerd op de veronderstelling dat het verfraaien van een mitswa alleen kan plaatsvinden als de mitswa wordt uitgevoerd, maar als er geen mitswa is, waar is dan de hidoer? [Rav Chaims verklaring wordt aangehaald in Mikraei Kodesj van HaGaon Rav Tswi Pesach Frank op Soekot, II, 9 en in de aanvullingen door HaGaon Rav E. Silver aan het eind van Responsa Nefesj Chaja II]. Sommigen echter hadden twijfel over deze beslissing en onze Gemara dient als basis voor deze mening, als volgt.

Het is een positieve mitswa om een extra mooi dier als offer te brengen, zoals ons verteld wordt  [Wajjikra 22:21]: …het zal perfect zijn voor welgevallen” [Rambam, Issoerei Mizbeach 1:1]. Onze soegia legt uit dat een kohen die op het punt staat om een publiek offer te brengen op Sjabbat, en geconfronteerd wordt met twee dieren, de een zwak en de ander vet, en hij slacht de magere eerst, dan moet hij daarna het vette dier slachten om de mitswa met een hidoer uit te voeren. Daar slachten op Sjabbat alleen geoorloofd is voor offers, die dezelfde dag geofferd moe­ten worden, is het verfraaien van een mitswa, nadat die reeds is uitgevoerd, kennelijk toegestaan, want zo niet, hoe mag dan de kohen het vette dier alsnog slachten, nadat hij het andere dier al geslacht heeft en daarmee de mitswa al gedaan heeft? [Dit is de vraag van de Mikraei Kodesj, ibid].

Kiddoesj over inferieure wijn: Inderdaad, de Chida [Birkei Joseef, O.Ch. 272, din 1] beslist dat iemand die kiddoesj gemaakt heeft en dan ontdekt dat de wijn open gestaan heeft en niet mehoedar is, opnieuw kiddoesj moet maken over andere wijin met een beracha, net zoals de Gemara de kohen opdracht geeft opnieuw te slachten [zie daar, dat volgens vele poskiem, wijn die open gestaan heeft, onbruikbaar is geworden maar dat zelfs volgens diegenen die menen dat die wijn alleen maar niet mehoedar is, men opnieuw kiddoesj moet maken].

Echter sommigen [Hameïr Le’olam] zijn het hier absoluut niet mee eens, omdat er geen bewijs te halen is van onze Gemara, omdat, zoals zij benadrukken, er geschreven staat: Hij werd geconfronteerd met twee chataot, een vette en een magere. Wanneer hij de magere geslacht heeft en dan de vette, is hij vrijgesteld en niet alleen dat, maar hem wordt gezegd als hij de vette nog niet geslacht heeft]: Breng de vette en slacht het’.” Bedoelt de Gemara dat het magere beestje al geofferd was op het altaar? Helemaal niet! De Gemara bedoelt dat het offerdier was geslacht maar de mitswa, het sprenkelen van zijn bloed op het altaar, was nog niet gedaan. Daarom heeft deze kohen de mitswa nog niet uitgevoerd en daarom moet hij alsnog een ander dier nemen om de mitswa uit te voeren met een hidoer. Maar iemand die de mitswa al uitgevoerd heeft – wie het bloed van het offerdier al op het altaar gesprenkeld heeft, of wie al een kosjere etrog heeft opgenomen – moet de mitswa niet opnieuw met een hidoer doen.

Wij moeten onderscheid maken tussen een hidoer van Tora en een hidoer miderabbanan: Sommigen voegen hieraan toe dat zelfs al vatten wij de Gemara op, alsof die het heeft over een kohen die de mitswa van het sprenkelen van het offerbloed reeds uitgevoerd heeft, dan nog kunnen wij de mitswot niet met elkaar vergelijken. Het voorschirft om een offer met een hidoer te brengen is een mitswa van Tora, maar een hidoer voor andere mitswot wordt geleerd van het vers: Dit is mijn G-d en ik zal Hem verfraaien”, en is volgens vele Risjoniem een decreet van de rabbijnen. Daarom moet een hidoer die door Tora vereist wordt, uitgevoerd worden, ook nadat de hoofdzaak van de mitswa reeds gedaan is. De Tora heeft zelf de hidoer opgenomen in het voorschrift van de uitvoering van de mitswa. Zolang als de mitswa niet verfraaid is, is een deel van de mitswa nog niet uitgevoerd [want de verfraaing is een deel van de mitswa]. Maar een hidoer ingevolge een rabbijns decreet is geen integraal onderdeel van de mitswa en zodra de mitswa vervuld is, is er geen reden meer om hem te verfraaien, want de mitswa is er niet meer. Rav Chaim had gelijk toen hij besliste dat men de etrog mehoedar niet moet opnemen, nadat men de mitswa reeds gedaan heeft [Mikraei Kodesj, ibid. in Harerei Kosdesj, opmerking 5; wij moeten hieraan toevoegen dat sommigen een voorkeur hebben voor het tegendeel, dat zelfs al is er voor alle mitswot geen reden om ze te verfraaien nadat ze zijn gedaan, de zaak anders ligt met een loelav, omdat zelfs nadat men de hoofdzaak van de mitswa gedaan heeft, het een mitswa blijft, iedere keer als men hem opneemt)zoals Tosafot op Soekka 39a uitlegt, beg.w. ‘over la’asiatan, en in de Rosj, Soekka, hfdst. 3, nr. 33)]. 

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 238 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 69a: Tarwekorrels [die gevonden worden] in de uitwerpselen van rundvee en gerstenkorrels in de uitwerpselen van vee, wat is [daarvan de wet]?

Een kip die verboden voedsel gegeten had

Meer dan 100 jaar geleden wendde een Joodse ganzenfokker zich tot de Maharsjam met een vraag. De boer wist dat paardenvlees goed was om ganzen mee vet te mesten en hij maakte een overeenkomst met paardenhandelaren om hem de zwakke paarden te geven, die niet meer konden werken, als voedsel voor zijn ganzen. Op een dag vermoedde hij dat hij niet geheel juist handelde en dat het ganzenvlees verboden was, daar het hoofdzakelijk gevormd werd uit het paardenvlees. De Maharsjam [Da’at Tora, J.D. 60:4-5] verwierp de vraag niet onmiddellijk en besliste zelfs dat de boer gelijk had! Ter ondersteuning van zijn beslis­sing vertelde hij een verhaal over HaGaon Rav Sjlomo Kluger zts”l, aan wie, toen hij als Rabbijn diende in Brodi, een gans gebracht werd waaraan een vraag kleefde. Toen het hem opviel dat het beest extreem vet was, ondervroeg hij de eigenaar en toen hij ontdekte dat het dier was vetgemest met varkensvlees, besliste hij dat de gans verboden was om te eten. Wij zullen nu de ideeën bespreken die dienden als basis voor deze beslissing en de afwijkende meningen.

Graan door een dier ingeslikt en heel weer uitgescheiden: Onze Gemara behandelt de definitie van voorwerpen, zoals graan, gebruiksvoorwerpen of dieren die door dieren zijn opgegeten en vervolgens weer werden uitgescheiden. Eén van de gevallen betreft graan dat door een dier is gegeten en of het geschikt is voor minchat ha’omer, of, nadat het eenmaal is ingeslikt, het niet langer meer beschouwd kan worden als graan. De Gemara komt tot de conclusie dat zolang als het ingeslikte voorwerp heel blijft, het zijn originele naam en aard behoudt. Echter voedsel dat is begonnen te verteren, verliest zijn naam en wordt beschouwd als een onafscheidelijk deel van het dier dat het heeft ingeslikt.

Houdt voedsel dat begonnen is te verteren, zijn naam? Volgens de Rema [J.D. 60:1, zie responsa Igrot Moshe, O.Ch. I, 147], is er een groot verschil van mening onder de Risjoniem over deze Gemara. Tosafot in Temoera [31a] begreep uit wat onze Gemara zegt, n.l. dat voedsel dat is begonnen te verteren, zijn onafhan­k­elijke status verliest en deel wordt van het dier, alleen maar betrekking heeft op halachot van onreinheid. Met andere woorden, een levend dier wordt nimmer onrein. Daarom, zegt de Gemara, wordt een voorwerp dat is ingeslikt en is begonnen te verteren, niet onrein. Maar het heeft nog steeds zijn eigen karakteristieke samenstelling, hetgeen het verboden maakt om te eten.

Desalniettemin houden Tosafot op onze soegia [s.v. Debala’] en andere Risjoniem vol [de Rasj en de Rosj op Ohalot 11:7 en de Ram van Pontoise in de Rosj op Bechorot 7 en Rabbeinoe Tam in Tosafot, Bechorot, ibid., beg.woord. Dag] dat voedsel dat begonnen is te verteren, in ieder opzicht zijn eigen karakter verloren heeft. Voed­sel dat met de hand geproduceerd werd uit verboden voedsel, is verboden om te eten. Maar wanneer het proces gebeurt door natuurlijke spijsvertering, dan wordt het beschouwd als een wezenlijke verandering, die het voedsel losmaakt van zijn oorspronkelijke identiteit en dat geeft het een nieuwe naam [Responsa Minchat Jitschak V:5].

Verboden voedsel dat deel werd van een dier: De Rema [ibid] concludeert uit een halacha van Tosafot in Teroema dat een dier  dat altijd gevoed werd met verboden voedsel, niet gegeten mag worden, net zoals ieder voedsel dat zijn oorsprong vindt in verboden voedsel, verboden is [Tora verbiedt alles dat afkomstig is van iets dat verboden is; Bechorot 6b; Igrot Moshe ibid]. Zelfs als de vorm en de smaak van het voedsel chemisch zijn veranderd, dan nog is het verboden. Volgens Tosafot in Teroema is het karakter van voedsel dat is begon­nen te verteren, niet veranderd. Een dier bestaat dankzij het voedsel dat het verteert en trekt er vitale ingre­diënten  uit en het scheidt de rest uit. Dus een dier dat altijd verboden voedsel eet is verboden voedsel, waar­van de vorm en de smaak veranderd zijn, maar dat verboden blijft [zie Igrot Moshe, ibid]. Echter, wanneer het dier behalve het verboden voedsel ook geoorloofd voedsel te eten kreeg, is het toegestaan, daar wij niet ondubbel­zinnig kunnen vaststellen dat zijn vlees afkomstig is van verboden voedsel.

De halacha: er is geen verbod voor voedsel dat door het lichaam van een dier is geabsorbeerd: Echter de Sjach [ibid, n. 5] en andere Acheroniem zijn het niet met de Rema eens en staan het toe om een dier te eten dat altijd gevoerd werd met verboden voedsel. Volgens hun was het niet de bedoeling van de Risjoniem om het vlees van een dier te verbieden, maar alleen het voedsel dat in hun ingewanden verteerd is. Maar nadat het een deel is geworden van zijn lichaam, verdwijnt het verbod, en zo werd de halacha vastgesteld [echter een dier dat isoerei hanaä gegeten heeft – voedsel waarvan het verboden is voordeel te hebben – is verboden; zie Igrot Moshe die het hier niet mee eens is].

Het verschil tussen het eten van verboden voedsel en het eten van verboden vlees: Wij keren nu terug naar de vetgemeste gans en zullen een nieuw idee zien van de Maharsjam. In de praktijk verbieden wij het niet om een dier te eten dat met verboden voedsel gevoed werd. Niettemin verboden Rabbi Sjlomo Kluger en de Maharsjam de ganzen te eten, die hoofdzakelijk met paarden-of varkensvlees waren gevoed. De reden is dat de poskiem het alleen maar hebben over verboden voedsel, dat geen vlees is. Wanneer een dier verboden vruchten eet – zoals teroema, tevel of iets dergelijks – dan is het makkelijk in te zien dat de aard en de identiteit van het voedsel veranderd is. Het was eerst fruit en nu is het vlees geworden. Echter, wanneer een gans paardenvlees eet, treedt er geen essentiële verandering op: het was vlees en het bleef vlees! Daarom verdwijnt het verbod niet.

Echter HaGaon Rav Moshe Feinstein zts”l [ibid], die uitvoerig op dit onderwerp ingaat, verzet zich sterk tegen deze chidoesj, omdat naar zijn mening, het proces van spijsvertering de aard van alle voedsel zodanig verandert, dat men dit verbod kan negeren.

 

Daf 72a: Kom en zie hoe geliefd een mitswa is die op zijn tijd gedaan wordt

Een passend offer

Tijdens het moesaf-gebed van Sjabbat zeggen wij: „En U gebood ons… een passend Sjabbat moesaf offer te brengen”. HaGaon Rav M.D. Soloveitchik, rosj jesjiva van Brisk, werd gevraagd wat zijn mening was oven het woord „passend”. Wij kunnen zeggen, antwoordde hij, dat, hoewel men met het offeren van het vet en de organen kan wachten tot na Sjabbat, de mitswa is om het te doen zoals het hoort en ze te offeren op Sjabbat, zoals er staat in onze soegia, want een „mitswa is geliefd op zijn tijd”. Dat is daarom „passend” [Sjai LaTora, Rosj Hasjana-Jom Kippoer, 103]. 


N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de

gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij

moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren

 onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd

is om een psak halacha te geven.

 

Bovenstaande teksten zijn woordelijke vertalingen van resp.

Meorot Hadaf HaYomi en Weekly DAF Footnotes.

De toelichtende en verklarende teksten

tussen rechte haken [ ] (niet de bron­

vermeldingen) zijn afkomstig

van de vertaler.