Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
26 Kislev - 2 Tewet 5764 Traktaat Menachot 76 - 82 Nr. 42

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 239 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

74b Wie wijn doneert [aan de Tempel] sprenkelt dat uit op het vuur

Het uitdoven van het vuur op het altaar: het verbod en de mitswa

Onze soegia herhaalt het standpunt van Sjmoeël [Zewachiem 91b], dat iemand die wijn schenkt als plengoffer in de Tempel, die gooit het uit op het vuur op het altaar. De Gemara [ibid] legt uit dat hoewel een deel van de wijn het vuur zou kunnen doven en de Tora zegt: „Er zal een permanent vuur branden op het altaar, het mag niet worden uitgedoofd[Wajjikra 6:6], het toch geoorloofd is volgens Rabbi Sjim’on, omdat een „onbedoelde handeling geoorloofd is.” Echter, Rabbi Jehoeda zegt: „een onbedoelde handeling is verboden,” en de wijn mag niet op het vuur gegooid worden. Deze soegia werd besproken in Meorot HaDaf nr. 224 [niet in het Nedelands vertaald], betreffende iets onbedoeld doen. Deze keer zullen wij Sjmoeëls beslissing bespreken dat wijn wèl op het vuur gegooid mag worden.

Waar verdween de mitswa? De auteur van Chelkat Joav schreef hierover in Koentres Kaba DeKoesjjata, dat 103 moeilijke problemen bevat [gelijk aan de nummerieke waarde van ÷áà [kaba], om de pilpoel tussen lerners te vergroten. Eén van de problemen is dat apart van het verbod om geen vuur uit te doven op het altaar, er ook een positief gebod bestaat dat het vuur permament moet branden op het altaar. Hoewel iemand die onbedoeld iets doet, vrijgesteld is volgens Rabbi Sjim’on, geldt deze permissie alleen voor de overtreding van verboden. Wanneer het niet zijn bedoeling was het verbod te overtreden, wordt hij niet beschouwd als het verbodene toch te hebben gedaan daar zijn handeling hem niet kan worden aangerekend.  Dit kan iemand er echter niet van redden als hij onbedoeld een positief gebod heeft nagelaten uit te voeren, want Tora heeft hem geboden het wel te doen en hij deed het niet. Als dat zo is, hoe kan het de persoon dan zijn toegestaan het vuur op het altaar te doven, het is immers een positieve mitswa om het vuur te laten branden en dat heeft hij niet gedaan?

Het verschil tussen het verbod en de mitswa:  HaGaon Rav Sjim’on Moshe Diskin zts”l behandelt dit probleem in zijn Masat Hamelech [parasjat Tsav] en lost het op wondermooie wijze op. Wij moeten onderscheid maken tussen het verbod om het vuur de doven en de mitswa om het aan te steken. De positieve mitswa van „er zal een perma­nent vuur branden” wordt alleen overtreden wanneer het vuur volledig wordt geblust. Het vuur verminderen wordt niet beschouwd als een overtreding  van de positieve mitswa, want het vuur bestaat nog, en de mitswa wordt uitgevoerd met een klein vuur. Echter, iemand die de vlam verkleint, overtreedt het verbod „het mag niet worden uitgedoofd”, want hij blust een deel van het vuur. Daarom overtreedt iemand die wijn op het vuur gooit in het geheel niet een positief gebod en we hoeven ons alleen maar zorgen te maken over de negatieve mitswa en dan is de situatie gered omdat een „onbedoelde handeling geoorloofd is.”

82b: Alles wat men verplicht is mag alleen komen uit choelien

Giften voor de armen op Poeriem van ma’aser gelden

Een zeer belangrijke regeling betreffende de halacha van liefdadigheid is gebaseerd op onze misjna. De Maharil had deze halacha nodig toen hem gevraagd werd [responsa 56] over giften aan armen op Poeriem: Kan men aan de mitswa van het geven van geschenken aan armen op Poeriem voldoen door hen ma’aser-geld te geven. De bron van deze vraag is gelegen in de twijfel of de regeling van Chazal om giften te geven aan de armen op Poeriem beschouwd moet worden als een mitswa of als liefdadigheid, hetgeen een verplichting is om geld te geven, of dat de hoofdzaak is om de armen blij te maken met geld.

Zijn giften aan de armen alleen om hen blij te maken? Als het een verplichting is om te geven, dan kan men de ene geldelijke verplichtingen niet omzeilen met een andere, maar beide schulden moeten apart voldaan wor­den. Maar wanneer de hoofdzaak is om de armen blij te maken, dan doet het er niet toe hoe wij hem blij maken, met ma’aser-geld of met ander geld. De hoofdzaak is dat het hem blij maakt. De Maharil besliste overeenkomstig de eerste mening, dat het een verplichting is om te geven en daarom moet de mitswa van giften aan de armen op Poeriem alleen worden uitgevoerd met gewoon geld, zoals wij leren in onze misjna over het schenken van offers: „Alles dat geofferd wordt, op basis van een verplichting, mag alleen komen uit een wereldse bron.” Inder­daad zegt de Mageen Awraham [O.Ch. 694:1] dat in het licht van de verklaring van de Maharil men de twee giften die men in gevolge de halacha moet geven aan de armen, moet geven van gewoon geld, maar wanneer men daaraan iets wil toevoegen, dan „mag men toevoegen uit de ma’aser gelden”, want dat geld heeft niet meer de definitie van een verplichting en de Misjna Beroera beslist hetzelfde [ibid 694:3 en zie Responsa Pnei Jehosjoea I:2].

Dit principe, dat men geen twee verplichtingen kan doen met een en dezelfde handeling, wordt door de poskiem genoemd in verband met vele gevallen.