Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
17-23 Tewet 5764 Traktaat Menachot 90-96 Nr. 44

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 241 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 93a: Iedereen moet leunen, behalve een doofstomme, een dwaas en een minderjarige

Het opvoeden van een minderjarige tot een mitswa door middel van een overtreding

Onze misjna zegt dat „iedereen moet leunen (met hun handen op het offerdier voordat het geslacht wordt), behal­ve een doofstomme, een dwaas en een minderjarige.”

Wanneer offert een minderjarige? Heeft deze halacha enige relevantie? Hoe kunnen een doofstomme, een geestelijk gestoorde of een minderjarige hun eigen offer brengen? Het zou kunnen zijn dat een doof­stomme of een geestlijk gestoorde een dier aanwezen voor hekdeesj voordat hun huidige status intrad, maar een minderjarige? Hoe kan die een offerdier hebben? Hij is niet verplicht om offers te brengen, net zoals hij geen mitswot verplicht is en zelfs al heiligt hij een offerdier, dan hebben zijn woorden geen waar­de (Nida 46).

De Acheroniem hebben zich ten zeerste ingespannen om een geval te bedenken waar een minderjarige een offer brengt. Tosafot Chadasjiem (op de misjna) schreven dat, zoals verklaard wordt in de vorige misjna, iemand die een offer erft, de mitswa moet uitvoeren en er met zijn handen op moet leunen. Het zou dus kun­nen zijn dat een minderjarige een offerdier erft. De Rasjasj suggereert een mogelijkheid van een minder­jari­ge die metsora geworden is, voor wie zijn vader een offer mag brengen (Nedariem 35b, en zie Torat Hakodesj door HaGaon Rav M. Ilan ztst”l, I, 565, voor een discussie over de suggestie van de Rasjasj).

De auteur van Minchat Chinoech (mitswa 115) suggereert een interessante oplossing en bedenkt een grote chiddoesj. De eed van een 12-jarige jongen is geldig, en volgens de Tora mag hij dus een dier heiligen (zie Nazier 29b en Rambam, Hilchot Nedariem 11:4). Daarom heeft onze misjna, die zegt dat minderjarigen zijn vrijgesteld van leunen, het over een 12-jarige jongen die gezworen heeft een dier te offeren.

De minderjarige  moet leunen, hoewel het verboden is: Minchat Chinoech gaat verder en zegt, dat hoewel een minderjarige is vrijgesteld van leunen, hij zijn handen op de kop van het offerdier moet leggen en erop moet leunen, omdat zijn vader hem leert dat zo te doen, want zijn vader is verplicht hem de mitswot te leren. De grote chiddoesj is dat een niet-verplicht leunen met de handen op een offerdier verboden is, omdat het „werk met kedosjiem” is. Wij moeten begrijpen hoe de vader zijn zoon mag leren een overtreding te begaan, om hem een mitswa te leren.

Een belangrijk principe in de halacha van de opvoeding: Minchat Chinoech legt uit dat wij een belangrijk principe leren van Tosafot (Pesachiem 88a, beg.w. See labajit) over de halachot van de opvoeding: een verbod op grond van de leeftijd van de minderjarige verhindert de vader niet om hem voor een mitswa op te voeden. Alleen iemand die was meegeteld voor een pesach-offer voordat het geslacht werd mag er van mee­-eten, maar een minderjarige kan niet meegeteld worden voor het offer (volgens diegenen die van mening zijn dat „een schaap per familie” niet een mitswa d’oraita is). Desalniettemin schrijft Tosafot dat zijn vader hem van het pesach-offer te eten gaf wegens de mitswa van opvoeding. Wij leren dus dat als er geen mogelijkheid is om een minderjarige op te voeden voor een mitswa, zonder daarbij een verbod te overtreden, dan moet hij worden opgevoed  met de overtreding!

Minchat Chinoech benadrukt (zie eind mitswa 7) dat dit geen algemene vrijbrief is om verboden te over­treden ten einde minderjarigen op te voeden voor een mitswa. Alleen verboden die hun oorsprong vinden in de leeftijd van de minderjarige, zoals die welke hem verbiedt te leunen op een offerdier, of die welke hem verbiedt te worden meegeteld voor het pesach-offer, worden opzijgezet voor de mitswa dat de vader hem moet opvoeden (zie Avi Ezri, Hilchot Korban Pesach 5:7, ot 2).

HaGaon Rav S. Birnbaum zts”l, de schoonzoon van HaGaon Rabbi Akiwa Eiger zts”l, merkt in zijn Rachasj Leivav (42) op dat het idee van de Minchat Chinoech, dat onze misjna het heeft over een 12-jarige, die gezworen heeft een offer te brengen, een probleem meebrengt. Ten slotte is de eed van een 12-jarige geldig, omdat hij als voldoende rijp (ben da’at) beschouwd wordt om de betekenis van zijn eed te begrijpen, terwijl onze soegia zegt dat een mindejarige niet mag leunen omdat hij geen da’at heeft… Klaarblijkelijk is een minderjarige die rijp genoeg is om te zweren en de betekenis van zijn eed te begrijpen, ook intelligent genoeg om te leunen.

Daf 93b: Zijn hand en niet de hand van een agent

Hij moet eerst zijn lichaam offeren

Een onbesnedene mag de ‘azara niet binnengaan. Daarom moet hij zijn offers meegeven met een sjeliach (vertegenwoordiger-gevolmachtigde, Pesachiem 62a). Daar wij geleerd hebben dat een sjeliach net met zijn handen op het offerdier leunt, wordt het dier van de onbesnedene geofferd zonder semicha. De Chatam Sofer zts”l zei hierover: Dit is wat de Tora bedoelt: ‘Iemand die wil offeren van jullie offerdier” (Wajjikra 1:2). Ieder die een offer brengt van hemzelf, d.w.z. wie de mitswa van de besnijdenis in acht neemt (zie Zohar I, 93) „die zal het nabij de ingang van de ohel mo’eed brengen”, hij zal het zelf mogen offeren, zonder hulp van een vertegenwoordiger en dan kan hij ook  „met zijn handen op het hoofd van het ola leunen”

Daf 94a: Want door het bakken zette het uit.

Wat is een „opgeblazen matsa”? Het bewijs, de verwerping en de beslissing

Een halachische chidoesj, door geen enkele belangrijke poseek genegeerd,  werd gegeven door de Maharil en de Rema (Sjoelchan Aroech, O.Ch. 461:5): „Een in het midden opgeblazen matsa is verboden” (zie Chok Ja’akov, S.K. 9). Vele poskiem waren het niet eens met deze chidoesj. De Taz getuigde dat zijn schoonvader  en mentor, de Bach, uitgebreid over deze halacha discussiëerde, maar „het nimmer verbood” (zie Mageen Awraham id. S.K. 13). De geleerden van Venetië hebben ook nimmer begrepen waarom een opgeblazen matsa verboden zou zijn (Chok Ja’akov ibid; n.b. echter chameets rijst voor dat het gebakken wordt).

Het toonbrood, dat matsa was, was ook opgeblazen:  Eén van de vragen betreffende deze halacha komt in onze soegia aan de orde. Onze Gemara legt uit dat wanneer het toonbrood uit de oven in de Tempel ge­haald werd, ging het niet terug in de schaal die gebruikt werd om het deeg te maken, omdat tijdens het bak­ken het volume was toegenomen. „Zodra het gebakken werd, zette het uit,” en dan moest het in een grotere schaal gelegd worden. Wij zien dus, dat Toonbrood, dat geen chameets was maar matsa, uitzette tijdens het bakproces en dat veroorzaakte geen defect. Rabbi Mosjé ben Zechus, de Ramaz, noemt dit probleem ook (Responsa 52) en is het niet eens met deze halacha, en zegt: „en een ander duidelijk bewijs, zoals wij dat leren in Menachot: ‘zodra als het gebakken was, zette het uit.’ Als dat zo is, zien wij dat het Toonbrood opgeblazen was.”  Hij besliste daarom dat opgeblazen matsa kosjer is.

Twee mogelijkheden van gerezen matsa: Eén van de poskiem die probeerde het probleem van de Maharil op te lossen was Rabbijn Sjmoeël Abuhav, die het probleem bespreekt in zijn Responsa Dwar Sjmoeël (234, 374). Wij moeten weten dat matses om twee redenen kunnen rijzen. Soms deelt zich het deeg bij het bakken in tweeën en dan ontstaat er een holle ruimte tussen de twee helften en soms zet het hele deeg gelijkmatig uit (zie Bach en Misjna Beroera 461:33). Daarom, zegt Rabbijn Abuhav, heeft onze Gemara het over de Toon­brood-matsa die uitzette maar niet in twee helften splitste, en een dergelijke matsa is geoorloofd. De Maharil verbood echter matsot die in twee helften gesplitst waren, omdat die chameets  kan zijn geworden.

Een derde mogelijkheid voor gerezen matsa: Dit is ook de mening van de Maharam van Lublin, dat gere­zen matsa geoorloofd is, maar dat in twee helften gespleten matsa verboden is. De Taz  (Mageen Awraham s.k. 13) beweert het tegenovergestelde: matsa met een holte is toegestaan en matsa die uitgezet is, is ook toegestaan; alleen matsa die gerezen is als een berg, ongelijk gerezen, is verboden wegens de verdenking dat het chameets geworden is op de plaatsen waar het gerezen is, maar gelijkmatige uitzetting is een na­tuur­lijk fenomeen dat geen verdenking oproept van chameets (zie Prie Megadiem in Misjbetsot Zahav, s.k. 6 en Sja’arei Tesjoewa aan het eind van het hoofdstuk). Volgens deze mening heeft onze Gemara het over Matsa die op natuurlijke en gelijkmatige wijze is uitgezet, terwijl de Maharil daarentegen het heeft over een gedeeltelijk, ongelijk uitgezette matsa.

Leden van ons Beit hamidrasj discussiëerden uitgebreid over dit idee en kwamen een ernstig probleem tegen: het probleem van de Maharil is gebaseerd op onze Gemara, dat vertelt dat het Toonbrood uitzette, dus waarom lkeurde de Maharil opgeblazen matsa af? Maar hoe weten wij dat de Gemara bedoelt dat de matsa naar boven uitzette? Misschien bedoelt het dat de toonbrood-matsa naar opzij uitzette. Het is zelfs logisch dat dit de betekenis ervan is, omdat de Gemara zegt dat na het bakken het brood niet meer terug kon in de originele schaal, omdat het was uitgezet. Wanneer het naar boven was uitgezet, waarom was het dan zo moeilijk om het terug te doen in de oorspronkelijke schaal? Wij moeten zeggen dat de Gemara bedoelt dat het naar de zijkanten uitzetten en dan is er geen vraag op de Maharil.

De Sja’arei Tesjoewa (s.k. 5) bespreekt dit probleem uitgebreid, maar komt tot de conclusie dat Rabbijn Abuhav begreep dat de Gemara het had over matsa die in alle richtingen uitzette. De Ramaz (ibid) helpt ons de zaak beter te begrijpen. Hij wijst erop dat de toonbroden zodanig naar boven toe uitzetten, dat het  nodig was om ze in de schaal te doen met hogere zijwanden, omdat het zacht was, zonder voldoende steun en dat anders zijn unieke form geruïneerd zou worden.

De praktijk is dat reeds vele generaties alle soorten opgeblazen matsot verboden zijn, zowel matsot die gelijkmatig uitgezet zijn als die welke in de lengte verdeeld zijn (Mageen Awraham en Chok Ja’akov, ibid. Misjna Beroera, s.k. 33). Toch wilden sommigen doorgaan met deze discussie met matsot die in oriëntaalse landen gebruikt worden, die zeer dik zijn, maar niet met dunnen matsot (Responsa Sjmoël, ibid; Sja’arei Tesjoewa, s.k. 6; Misjna Beroera 35).

Het perforeren van matsot:  En inderdaad, Aroch Hasjoelchan (461:12) getuigt: „Wij hebben nimmer opgeblazen matsot verboden. Het is bekend dat als dunne matsot opgeblazen zijn, dat komt omdat zij onvoldoende geperforeerd zijn of de sterkte van het vuur” (Misjna Beroera noemt deze mening in naam van „sommige Acheroniem”, maar geeft geen beslissing op dit punt; zie Piskei Tesjoewot, hier). En inderdaad, de reden dat wij het deeg vóór het bakken perforeren is ook om deze reden.

Een opgeblazen matsa dat verzeild raakt in een pak met matsot: Een andere vraag is, of als een opge­bla­zen matsa in een pak met matsot terecht komt. Wordt daarmee het hele pak verboden, of de hete gebruiksvoorwerpen die het aanraakt? De Misjna Beroera (ibid) schrijft: „Het schijnt dat wij in ieder geval soepel moeten zijn als een opgeblazen matsa terecht komt in een meerderheid van 60 matsot, met name met dunne matsot, zoals de onze; zelfs al wil mijn streng zijn voor zichzelf, dan moet men in geen geval streng zijn met mengsels van matsot.”