Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
29 Tewet 5764 Traktaat Menachot 97-103 Nr. 45

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 242 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 98: Het stond in het oosten en in het westen

Waar moet de Menora met Chanoeka staan in de synagoge

Het is minhag, die zijn oorsprong vindt bij de Risjoniem, om met Chanoeka een Menora aan te steken in Sjoel (Sjoelchan Aroech, O.Ch. 671:7), behalve de lichten die iedereen thuis moet aansteken. Betreffende de exacte plaats voor de lamp in de synagoge, bestaat een aantal interessan­te problemen en de poskiem hebben getracht daar een beslissing over te nemen, in overeenkomst met onze soegia, die de plaats van de Menora in de Tempel behandelt.

De Menora in de Tempel: De Menora stond aan de zuidzijde van de Heichal. Daar de ingang aan de oostzijde van de heichal was, stond de Menora aan de linker kant van degenen die binnenkwa­men. Iedereen is het hiermee eens, maar volgens Rabbi Elazar ben Rabbi Simon was de Menora zodanig geplaatst, dat de linker arm naar het zui­den gericht was en de rechter arm  naar het noor­den [positie A in de tekening]. Echter Rebbi beweert dat de Menora van oost naar west stond, parallel met de zuidelijke muur van de heichal [positie B].

Voor wat betreft de halacha, schrijft de auteur van Troemat HaDesjen [104], geciteerd door de Beit Joseef [O.Ch. 671, ot 7, beg.w. Oemitsasv lehanicha], dat aangezien de „halacha is volgens Rebbi tegen zijn collega’s” [Eroevein 46b], moeten wij Rebbi volgen. Rasji schrijft hetzelfde [Bamidbar 8:2]. Rambam [Hilchot Beit HaBechira 3:12] en de Semag echter, beslissen overeenkomstig Rabbi Elazar ben Rabbi Simon en de commentatoren van de Rambam bespreken deze zaak. Om te weten of wij de plaats van de Chanoeka/lamp in de synagoge kunnen leren van de plaats van de Menora in de heichal, moeten wij nagaan waarom wij een Chanoeka-lamp in de synagoge aansteken.

De reden waarom wij een Chanoeka-lamp in de synagoge aansteken: Beit Joseef [ibid] beweert dat het aansteken van een Chanoeka-lamp in de synagoge bedoeld was voor gasten die de mitswa niet konden in acht nemen, net zoals de geleerden hebben ingesteld dat men in de synagoge voor gasten kiddoesj moet maken op vrijdagavond [Sjloechan Aroech, O.Ch. 269]. De Kolbo [44] noemt een andere reden, namelijk dat het aansteken in de synagoge is bedoeld om het wonder bekend te maken en zo het publiek voorgechreven berachot te leren. De Ravasj [Responsa 111] schreef dat de bedoeling van deze oude gewoonte was om het wonder bekend te maken, omdat het onmogelijk was om de mitswa naar behoren te vervullen aan de ingang van de mensen hun eigen woning, uit angst voor de niet-Joden. De Kolbo schreef nog een andere reden, namelijk dat de synagoge een „kleine Tempel” is en het aansteken van de Chanoeka-lamp dient als aan­denken aan de Tempel.

Voor wat betreft de halacha, schrijft de Toer  [O.Ch. 671] in naam van de Semak [280], en de Sjoelchan Aroech is het daarmee eens, dat de Cha­noe­ka-lamp tegen de zuidzijde van de synagoge geplaats moet worden, net als de Menora in de Tempel. Desondanks zien wij dat sommige ge­meenten de minhag hebben om hem in het noorden aan te steken [Darchei Mosjè, ibid] en wij moeten de reden hiervoor begrijpen.

De voorkeur van links boven het zuiden: HaGaon Rabbi Betzalel Stern zts`l [Responsa Betzel HaChochma, II, 50] geeft een schrandere verklaring voor de reden waarom de rabbijnen van die gemeenten een andere plaats voor de Chanoeka-lamp hebben vastgesteld. Ten westen van Erets Jisraël staat de aron hakodesj aan oostkant van de synagoge en de ingang is in het westen. Daardoor is het niet mogelijk om de Chanoeka-lamp in dezelfde positie te zetten als in de Tempel. In de Tempel stond de Menora links van de ingang, tegen de zuid-wand. In de landen ten westen van Erets Jisraël had men echter de keuze tussen links van de ingang, tegen de noordelijke muur, of aan de zuidzijde, maar dan rechts van de ingang. Daarom kozen sommige gemeenten de lamp aan de linker kant te zetten, ondanks dat dit de noordzijde is.

Synagogen ten oosten van Jeroesjalajim: Gezien het bovenstaande, zo gaat de auteur van Betzel HaChochma verder, is het voor synagogen die ten oosten van Jeroesjalajim gelegen zijn, volgens iedereen niet toege­staan om de Chanoeka lamp aan de noordzijde te zetten. Die synagogen zijn precies zo gelegen als de Tempel: de ingang is aan de oostzijde, en de zuidzijde is links van de ingang [zie ibid, waar hij de synagogen bespreekt, waarvan de Aron Hakodesj aan de noord- of zuidzijde gelegen is]. Voor wat betreft de halacha: de poskiem [Sjoelchan Aroech ibid] hebben beslist dat de Chanoeka-lamp over de hele wereld aan de zuidzijde moet staan.

Moet er ruimte blijven tussen de Chanoeka-lamp en de muur van de synagoge? Een ander probleem, niet minder interessant, betreft de ruimt die men moeten laten tussen de Chanoeka-lamp en de muur van de synagoge. De Chatam Sofer zts”l [Responsa O.Ch. I, 186] schrijft: „In alle grote gemeenten, die ik bezocht heb en die werden opgericht bij de eerste Geoniem, heb ik gezien dat de Chanoeka-lamp tegen de zuidzijde van de synagoge staat en degene die hem aansteekt staat [er achter], met zijn rug naar het zuiden, zijn gezicht naar het noorden en hij begint de lichten aan te steken [op de eerste nacht] aan zijn rechter kant, hetgeen het licht is dat het dichtst bij de aron hakodesj is.” Volgens hem moet het licht dat het dichts bij de aron hajkodsesj is het eerst worden aangestoken. Daar degene die aansteekt, rechts begint, zou hij, wanneer hij met zijn gezicht naar het zuiden gekeerd stond, het licht dat het dichts bij de ingang het eerst hebben aangestoken. Daarom moet hij tussen de zuidelijke muur en de lamp staan, zodat zij rechter zijde naar de aron hakodesj gekeerd is. De Chatam Sofer leert dit van de Tempel, waar zij ook eerst dat licht aansta­ken dat het dichtst bij de aron hakodesj was [zie Misjna Beroera 671:43, die de Chatam Sofer citeert en daar kennelijk mee eens is].

Daf 99b Maar de Babyloniërs eten het rauw

Het eten van rauw vlees

„Rabbi Abahoe zei dat Rabbi Jochanan gezegd heeft: ‘Men wordt niet gegeseld voor welke overtreding van Tora dan ook, behalve wanneer men er op een normale manier van profiteert’” [Pesachiem 24b]. HaGaon Rav Elchanan Wasserman zts”l legde veel nadruk op deze regel [Kovets Sji‘oeriem, Pesachiem, ot 96]: „Dit is een belangrijke regel, dat alle halachot van de Tora alleen van toepassing zijn op hun natuurlijke wijze [behalve op plaatsen waar er een speciale interpretatie van Tora is die deze regel uitsluit]. Daarom geldt dat wie op een onnatuurlijke wijze eet, vrijgesteld is en hetzelfde geldt voor een mitswa: als iemand op een onnatuurlijke manier eet, heeft hij de mitswa niet in acht genomen.” Dit wordt geleerd van de mening van de Misjne Lemelech [Hilchot Jesodei HaTora 5:8]: net zoals men is vrijgesteld van een overtreding die op onnatuurlijke wijze begaan is, zo ook heeft men een mitswa niet vervuld, die op onnatuurlijke wijze gedaan is.

In onze soegia komt een discussie voor over deze regel. Onze gemara vertelt dat wanneer Jom Kippoer op vrijdag viel, de Babylonische kohaniem het buiten-chataat van Jom Kippoer rauw opaten op Sjabbat-avond, omdat men op Sjabbat niet kon koken. Daar rauw vlees eten beschouwd wordt als eten op een onnatuurlijke manier, hoe konden zij op deze manier de mitswa doen om het offervlees te eten?

De auteur van Tiferet Jisraël [op de Misjna] geeft een verklaring: als de Babyloniërs gewend waren rauw vlees te eten, dan was voor hen het eten op die manier gewoon. Echter vele Acheroniem geloven dat het eten van rauw vlees helemaal niet iets ongewoons is en daarom hoeven wij ons niet te verwonderen over de wijze waarop zij de mitswa van het eten van het offer uitvoerden [zie Minchat Chinoech, mitswa 7, die dit bewijst op grond van onze soegia, en zie ook de Beoer Halacha 612:6]. Echter de auteur van Beit HaLevi zts”l [III, 51, ot 4] beweert dat een mitswa om iets te eten niet gedaan kan worden met rauw vlees omdat dat een ongewone manier van eten is, maar de mitswa van het eten van offerdieren verschilt van het eten van andere mitswot. Wij hebben zijn mening al eens eerder hier beschreven [in het artikel „Wat is de mitswa om kodesjiem te eten?” in „Meorot HaDaf HaYomi” nr. 225 (niet in het Nederlands vertaald)] en herhalen dat hier nog eens in het kort. Volgens hem is het voornaamste van iedere mitswa om iets te eten, dat de persoon geboden wordt om iets bepaalds te eten. Maar betreffende het eten van offerdieren gebiedt Tora de eigenaar van het offer om het vlees binnen de gestelde tijd op te eten. Daarom, of het rauw of gekookt is, het doel – het vlees op te eten – is bereikt.

De Rajasj merkt op dat Tosafot op onze soegia opmerkt dat de Babyloniërs niet de bedoeling hadden om de mitswa van het eten van offers uit te voeren. Zij hadden alleen de bedoeling om te voorkomen om het verbod van notar [het overgebleven vlees van en offer, nadat de toegestane tijd om het op te eten verstreken is] te overtreden. Dus er is geen basis voor de vraag hoe zij de mitswa konden doen  door vlees te eten op een onnatuurlijke wijze [zie Avi ‘Ezri, Hilchot Ma‘asee HaKorbanot 10:1, ot 3, die onderscheid maakt tussen het eten van een kleine hoeveelheid voedsel, hetgeen beschouwd wordt als eten en het eten op een ongewone manier, hetgeen helemaal geen eten is].

Mogen wij daaruit leren dat volgens Tosafot het eten van rauw vlees beschouwd wordt als iets ongewoons? Sommigen menen dat er geen bewijs is, omdat er een speciale halacha bestaat voor kodesjiem, die gegeten moeten worden lemisjchach – iets heiligs, iets bijzonders, zoals koningen eten. Daarom schrijft Tosafot  dat de Babyloniërs de mitswa van het eten van kodsjiem niet vervulden [deze verklaring is een grote nieuwigheid, daar het eten van kodesjiem ook gedaan wordt zonder lemisjchach; zie Chazon Jechezkel, Menachot, blz. 20; Responsa Ktav Sofer, O.Ch. 18 en 96; en Misjmar HaLevi, Zewachiem 124 en 127].

Daf 99b: Ieder die iets vergeet van wat hij geleerd heeft, overtreedt een verbod van Tora

De mitswa van Tora-kennis: Begaat iemand tegenwoordig een overtreding als hij vergeet wat hij geleerd heeft?

„Reisj Lakisj zegt: ‘Ieder die iets vergeet van wat hij geleerd heeft, begaat een overtreding, want ons wordt gezegd: „Wees zorgvuldig en let zeer goed op, dat je de dingen niet vergeet’.” Anderen in de gemara zeggen dat iemand die iets vergeet wat hij geleerd heeft, drie overtredingen begaat! Behalve wat er in onze gemara staat, zegt de gemara in Joma 38b dat wie vergeet wat hij geleerd heeft, ongeluk over zichzelf brengt, en de Misjna in Avot 3:8 zegt: „Ieder die één ding vergeet van wat hij geleerd heeft, wordt beschouwd als iemand die zijn leven in gevaar gebracht heeft.” In dit artikel zullen wij uiteenzetten welke delen van Tora men zich altijd moet herinneren, of deze mitswa nog geldig is in onze tijd en of een talmied chacham de nieuwigheden die hij geleerd heeft, moet onthouden.

Geldt het verbod nog steeds, nadat de Mondelinge Leer werd opgeschreven? De gedoliem verschillen van mening over de definitie en waarde van dit strenge verbod. De auteur van de Sjoelchan Aroech HaRav [Hilchot Talmoed Tora 2:4] is van mening dat deze halacha ook vandaag nog van toepassing is en ieder die kan herhalen wat hij geleerd heeft en het zich zó kan herinneren, maar dat niet doet, die begaat de overtreding. HaGaon Rabbijn Chajiem van Volotzin zts”l [Keter Rosj, ot 67] is het hier niet mee eens en meent dat het verbod op het vergeten van Tora gold voor de periode dat de Tora uit het hoofd geleerd werd, maar sinds de Mondelinge Leer werd opgeschreven, geldt het verbod niet meer.

Mitswot veranderen niet: Deze verklaring moeten wij natuurlijk wel goed begrijpen, want niemand zal denken dat de Tora verandert, zoals de Sjoelchan Aroech HaRav zo treffend schrijft: „De mitswot van Tora veranderen niet in de loop van de generaties…”

Het verbod om Tora te vergeten, opdat de traditie niet onderbroken wordt: HaGaon Rav Jitschak Zeev van Brisk zts”l [op de Tora, parasjat Waetchanan] verklaart de mening van Rav Chajim van Volotzin, dat het verbod op het vergeten van Tora niet geldt voor de individuele mitswa van leren, maar voor de algemene verplichting voor iedereen om te voorkomen dat de Mondelinge Leer vergeten wordt voor toekomstige generaties. Met andere woorden, het is duidelijk dat de mitswa om te leren op zodanige wijze moet worden uitgevoerd dat degene die leert weet en zich herinnert wat hij geleerd heeft [Rambam, Hilchot Talmoed Tora 1:12]. Echter, het verbod op het vergeten van Tora is op ons allen collectief gelegd, om niet in een situatie te geraken, waarin wij die dingen zullen vergeten die wij aan onze kinderen moeten overbrengen, om te voorkomen dat Tora voor Israël vergeten zou raken. Daarom, sedert  dat de Talmoed voltooid werd en de persoonlijke mondelinge overdracht van de Mondelinge Tora ophield, is er niemand vandaag de dag die, door te vergeten wat hij geleerd heeft, een onderbreking kan veroorzaken van de traditie van overdracht van generatie op generatie. Maar de Sjoelchan Aroech HaRav meent dat het verbod om Tora te vergeten voor iedereen geldt die Tora geleerd heeft en dat daarom het neerschrijven van de Mondelinge Leer dit verbod niet heeft opgeheven. Volgens de Sjoelchan Aroech HaRav moet iedereen weten wat de omvang van zijn geheugen is en overeenkomstig herhalen wat hij geleerd heeft. Zie daar voor de details van dit gebod van leren en de prioriteiten van wat men moet leren.

Het verbod op het vergeten van Tora is om verwarring van halachot te voorkomen: HaGaon Rav Jechezkel Sarna zts”l, Rosj Jesjiva van de Jesjiva Chevron, schreef een lang werk over dit onderwerp [gedrukt in Achar Heaseef]. Hij definiëert het verbod anders, gebaseerd op de Risjoniem. Volgens hem is het verbod om Tora te vergeten niet gebaseerd op de mitswa van het leren van Tora maar op de vrees dat het vergeten van Tora kan leiden tot verwarring van de halachot. Ten slotte is de reden waarom wij leren, ons te brengen tot de uitoefening van de mitswot en wanneer de Talmoed vergeten wordt, kunnen de halachot die daarin voorkomen niet meer gedaan worden.

Een talmied chacham mag de nieuwigheden die hij geleerd heeft niet vergeten! Wij eindigen met een interessante conclusie van HaGaon Rav Navtali Tswi Jehoeda Berlin zts”l. Hij schrijft dat wij het verbod om Tora te vergeten niet uit onze gemara leren, maar van de gemara in Joma, waar staat: „Rabbi Elazar zegt: „Ieder die iets vergeet van wat hij geleerd heeft, brengt ballingschap over zijn kinderen, zoals ons verteld wordt: „Wanneer je de Tora van je G-d vergeet, dan zal Ik ook je kinderen vergeten.’” Van die gemara leren wij dat iemand niet Hasjems Tora mag vergeten, terwijl onze gemara iets anders leert: „Ieder die iets leert van wat hij geleerd heeft…”: een talmied chacham mag zijn chidoesjiem  niet vergeten: „Een waarschuwing voor talmidei chachamiem, die zich bezighouden met Torastudie, dat zij niet mogen vergeten wat zij geleerd hebben dankzij de diepte van hun studie. Dit is de betekenis van ‘wat hij geleerd heeft’ – d.w.z. datgene wat hij met zijn intelligentie geleerd en geabsorbeerd heeft.”


N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de

gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij

moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren

 onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd

is om een psak halacha te geven.

 

Bovenstaande teksten zijn woordelijke vertalingen van resp.

Meorot Hadaf HaYomi en Weekly DAF Footnotes.

De toelichtende en verklarende teksten

tussen rechte haken [ ] (niet de bron­

vermeldingen) zijn afkomstig

van de vertaler.