Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
29 Tewet 5764 Traktaat Menachot 97-103 Nr. 46/47

INLEIDING TOT TRAKTAAT CHOELLIEN

De tegenwoordige naam van dit traktaat, Choellien, is in feite een afkorting van de oorspronkelijke naam: Sjechitat Choellien – letterlijk: het slachten van choellien.[1] De oorspronkelijke naam was bedoeld om het onderwerp van dit traktaat te onderscheiden van dat van het eerste traktaat van Seder Kodasjiem, Traktaat Zewachiem, dat oorspron­ke­lijk Sjechita kodasjiem – het slachten van gewijde dieren – heette.

De term choellien [letterlijk: profaan] betekent niet „gewijde dingen.” Dus ieder dier of voorwerp dat niet aan de Tempel gewijd is als offer (en dat dus niet heilig – kodesj – is), is choellien.[2] Waar Traktaat Zewachiem de wetten leert  die betrekking hebben op het slachten van offerdieren, behandelt Choellien de wetten en verplich-tingen die betrekking hebben op het slachten en het verdere gebruik van gewone (d.w.z. niet-geheiligde) dieren, voor dagelijkse consumptie.

Bijna ieder hoofdstuk van dit traktaat gaat over een aparte wet of verplichting. De eerste tweee hoofdstukken behandelen de sjechita, het rituele slachten. Het derde hoofdstuk gaat over de wetten van tereifa, de dodelijke defecten aan een dier, dat het ongeschikt maakt voor consumptie, zelfs als het naar behoren geslacht werd. Het vierde hoofdstuk gaat over de foetus – het ongeboren kind – van een geslacht dier; het vijftde gaat over het ver-bod om een dier en zijn jong op dezelfde dag te slachten. Het zesde hoofdstuk gaat over de verplichting om het bloed van een chaja ( een wild dier, geen huisdier) of vogel te bedekken. Het zevende hoofdstuk gaat over het verbod van het eten van de gid hanasee (de zenuw van de dij); het achtste over het verbod om vlees en melk samen te voegen; het negende behandelt de wetten van toema – de spirituele onreinheid – die geldt voor voedsel en dieren­lijken; het tiende hoofdstuk gaat over de verplichting om iedere voorpoot en kaak van ieder geslacht dier aan een kohen te geven; het elfde over de verplichting om aan een kohen het eerste van het geschorene van de schapen te geven; het twaalfde gaat over het verbod om een vogel uit een nest te pakken, samen met zijn eieren of kuikens.

Verboden omstandigheden van een kosjer dier

Traktaat Choelien gaat hoofdzakelijk over de wetten voor kosjere diersoorten. Niet-kosjere dieren kunnen nimmer geschikt worden voor consumptie. Echter voor kosjere diersoorten gelden ver-scheidene verboden die het onge­schikt kunnen maken voor consumptie.

1. Ever min hachai: een lichaamsdeel van een levend dier. Zolang een dier leeft is zijn vlees verbo-den voor consumptie, zelfs als een lichaamsdeel ervan verwijderd is (bijvoorbeeld doordat het door een roofdier werd afgerukt of door iemand werd afgesneden). Een lichaamsdeel dat van het dier verwijderd werd tijdens zijn leven blijft verboden, ook nadat het dier geslacht is.[3]

2. Tereifa [letterlijk: verscheurd]. Een kosjer dier dat een dodelijke wond of ziekte heeft (bijvoorbeeld het verlies van een essentiëel orgaan of een belangrijk deel van zo’n orgaan) is verboden. Sjechita maakt het niet ge-schikt voor consumptie. Het verbod geldt zowel als het defect zijn oorsprong vindt in een externe verwonding [zoals de aanval van een roofdier, waarvan de naam tereifa is afgeleid] of in een aangeboren defect. De defec-ten die een dier tereifa maken, worden opgesomd in hoofdstuk drie.

3. Neveila. Opdat het vlees van een kosjer dier voor consumptie geschikt wordt, moet het volgens de voorschrif-ten geslacht worden, een methode die bekend staat als sjechita. Een dier dat op een andere manier gedood wordt, of een dier dat door een ondeskundige sjechita geslacht werd, of een dier dat op natuurlijke wijze is gestorven, wordt neveila genoemd en is verboden voor consumpte voor een Jood. Bovendien is een neveila een bron van toema.

Sjechita – rituele slachting

Sjechita bestaat uit het voor het grootste deel doorsnijden  van de kanè  – trachea, of luchtpijp – van het dier en van zijn weset – oesophagus, of slokdarm.[4] Deze twee organen worden samen de simaniem – de organen – van het dier genoemd. Het doorsnijden zelf is onderwerp van een aantal wetten: het moet gebeuren aan de voor-kant van de hals [de keel] niet de achterkant, het moet gebeuren in één enkele beweging, zonder onderbreking, met een snijdende beweging (in plaats van hakkend) en het moet gebeuren met een glad mes dat de simaniem niet verscheurt. De gemara noemt vijf vormen van sjechita die de sjechita ongeldig maken, die werden geleerd aan Mosjé op Sinai. Dit zijn:

1. Sjehijja – onderbreken tijdens de sjechita (ondanks dat daarna de sjechita compleet is);

2. Derasa – wanneer het mes in de hals van het dier gedrukt wordt in plaats van dat er gesneden mee wordt in een heen en weergaande beweging;

3. Chalada – wroeten, d.w.z. bijv. het mes tussen de luchtpijp en de slokdarm steken en van daar uit snijden;

4. Haĝrama – het veroorzaken” van een snee die niet op de juiste plaats is, d.w.z. boven of onder de voor sjechita aangewezen plaats op de hals;

5. ‘Ikkoer – scheuren, d.w.z. slachten met een gekarteld mes dat de organen stukscheurt in plaats van ze door-snijdt.

Behalve deze ongeldige vormen van slachten zijn er ook een aantal oorzaken die de slachter ongeschikt maken. Hij moet een volwassen Jood zijn, bekend met de wetten van sjechita en een betrouwbaar persoon.

SJECHITA: DIER-VRIENDELIJK OF WREED?

Enkele inleidende opmerkingen over de dier-vriendelijkheid van de Joodse Wet

Het vlees van warmbloedige dieren is alleen toegestaan voor consumptie wanneer het leven van die dieren is weggenomen door middel van sjechita. Ten einde het godsdienstige belang van sjechita te begrijpen, hetgeen een integraal en uiterst belangrijk onderdeel vormt van de Joodse diëet-wetten, is het noodzakelijk de Bijbelse en historische bron ervan te verklaren. Voor de godsdienstige Jood zijn het doden van een dier en het eten van zijn vlees zeer ernstige zaken, die bepaalde veiligheidsmaatregelen vereisen tegen de gewoonten om te doden en tegen de versterking van de dierlijke aard in de mens. Behalve dankzij de speciale permissie van G-d, de Schepper van al het leven, zou het doden van een dier niet te verdedigen zijn. De mens werd oorspronkelijk gedacht een vegetariër te zijn[5]; pas na de Vloed werd het de mens toegestaan vlees te eten  en hiertoe een dier te doden.[6]

Hoewel de mens toestemming was gegeven om een dier te doden voor menselijk voedsel, mocht dat alleen ge-daan worden door middel van een proces van geleidelijke opvoeding en aanpassing. Volgens Rabbi Jismaël (en de meeste andere autoriteiten zijn het met hem eens)[7] was het doden van rundvee en schapen of geiten voor gewone consumptie – basar ta’ava – verboden gedurende de hele periode van de omzwerving door de woestijn, tenzij het gewijd was als vredes offers – sjelamiem. Pas nadat zij het Heilige Land waren binnen gegaan moch-ten dieren die geschikt waren om te worden geofferd, maar die niet gewijd waren tot offerdier, toegestaan worden voor consumptie. Dat is de betekenis van het volgende vers [Dewariem 12:20-21]: „Wanneer de Eeuwige, je G-d, jouw gebied vergroten zal, zoals Hij je toegezegd heeft en jij zeggen zal: Ik zou wel vlees willen eten,” omdat je ziel ernaar verlangt om vlees te eten, dan kun je geheel overeenkomstig je verlangen vlees eten. Wanneer de plaats die de Eeuwige je G-d heeft uitgekozen om daar Zijn Naam te vestigen, ver van jou verwijderd zal zijn, dan zal je van je rund-en kleinvee slachten, dat de Eeuwige je gegeven heeft, zoals ik je geboden heb en je zult het eten binnen je poorten, naar het verlangen van je ziel.”

De woorden van Tora: je ziel verlangt ernaar vlees te eten” slaan op het zogenaamde basar ta’ava, dat is vlees dat gegeten wordt ter bevrediging van iemands honger – een seculiere, wereldse” consumptie van vlees, in te-genstelling tot de geheiligde consumptie. Zo’n consumptie van vlees zonder het eerst te offeren, werd pas toe-gestaan nadat het Volk Israël het Heilige Land was binnen getrokken en het Heiligdom niet meer dichtbij ieder-een was, zodat de afstand van een reis naar Jeruzalem het onpraktisch maakte om een dier eerst te offeren, wanneer het de bedoeling was om het voor privé consumptie te slachten. Niettemin, de bijna aarzelende wijze waarop Tora toestemming geeft voor deze vlees consumptie, gaf onze geleerden aanleiding om op te merken: De Tora leert ons hier een gedragsregel, dat iemand geen vlees moet eten tenzij hij daar speciaal trek in heeft.[8] Op dit advies wordt speciaal de nadruk gelegd door Maimonides (Rambam) die daaraan toevoegt dat hoewel het voor een gezond mens voldoende is om eenmaal per week vlees te eten, men iedere dag vlees mag eten, wanneer men zich dat kan permitteren.[9]

Uit al datgene wat hier gezegd is blijkt duidelijk dat het doden van een dier voor voedsel alleen gerechtvaardigd is wanneer men dat, al was het maar in gedachte, verbindt met een offer, dat wil zeggen met de dienst voor Hasjem, Die al het leven gegeven heeft. Het lijkt er haast op dat de toestemming om een dier te doden voor voedsel als een G-ddelijke concessie” aan de menselijke behoeften is gegeven. De Tora veronderstelt dat vlees oorspronkelijk geen normaal onderdeel was van het menselijke diëet, maar alleen gegeten werd uit een speciaal verlangen daarnaar. Hieruit volgt dat het alleen ten gevolge van de toenemende zwakte van het menselijke gestel is, dat de dagelijkse consumptie van vlees een gewoonte en noodzaak werd.[10]

Respect voor dierlijk leven komt ook tot uiting in het feit  dat een speciale beracha gezegd wordt voor de sjechita, welke alleen mag worden uitgevoerd door een vroom en geleerd persoon, zoals wij hierboven reeds opmerkten. Hoewel volgens Tora ieder G-dsvrezende en volgens de mitswot levende Jood die de wetten en praktijk van sjechita kent de sjechita mag doen, is het de Joodse traditie dat het publiek en de vleeshandelaar ervan zijn uitgesloten om een dier voor het voedsel te doden. Het is alleen toegestaan aan speciaal daartoe uitverkozen functionarissen. Deze functionarissen, sjochetiem genoemd, moeten mannen van welbekend goed karakter zijn, vroom en geleerd en mogen alleen slachten met een speciale vergunning, nadat  zij een training achter de rug hebben overeenkomstig de halacha. Een Franse schrijver (A. Leroy-Beaulieu) heeft eens gezegd: Het feit dat geen Joods moeder ooit zelf een kip geslacht heeft, verklaart waarom moord onder de Joden zo weinig voorkomt.” De Talmoed vertelt het volgende verhaal: Eens zat Rabbi Jehoeda Hanassi, de samensteller van de Misjna, voor de Academie in Seforis, toen een kalf voor hem langs naar de slachtbank geleid werd. Het  beest begon klagelijk te loeien, alsof het wilde zeggen: Redt mij.” Daarop zei Rabbi Jehoeda: Ik kan je niet helpen, tenslotte is dat waarvoor je geschapen bent.” Wegens deze uitlating werd Rabbi Jehoeda zwaar gestraft met zware fysieke pijnen, gedurende dertien jaar. Toen liep een klein diertje langs zijn dochter, die op het punt stond het te doden, waarop Rabbi Jehoeda zei: Laat het gaan: G-ds genade strekt zich uit over al Zijn schep-selen.” Het was pas toen, dat Rabbi Jehoeda verlicht werd van zijn pijnen, omdat hij genade getoond had voor G-ds schepselen.

Dit Talmoedverhaal is een typisch Joods verhaal, dat de uiterste bezorgdheid toont voor het uitoefenen van vrien-delijkehid voor dieren. Om slechts enkele voorbeelden te noemen: Huisdieren moeten rusten op Sjabbat (Sjemot 23:12). Het is verboden om te ploegen met een os en een ezel in hetzelfde span, want zij zijn niet even sterk en de zwakkere  zou lijden wanneer hij probeert in de pas te lopen met de sterkere (Dewariem 22:10). Wanneer iemand een nest vindt  met vogels, mag hij de moedervogel niet uit het nest pakken samen met de jongen, maar hij moet de moeder eerst wegsturen om haar gevoelens te sparen (Dew. 22:6). Men mag een os niet muilbanden bij het dorsen (Dew. 25:4). Een pasgeboren dier mag de eerste zeven dagen niet bij zijn moeder worden wegge-haald. Een dier en zijn jong mogen niet op dezelfde dag worden gedood, om te voorkomen dat men gedachte-loos eerst het jong voor de ogen van de moederouder zou doden (Wajjikra 22:26-33). De Hebreeuwse uitdruk-king tsa’ar Ba’alei Chajiem – wreedheid tegen levende wezens, hetgeen als een ernstig misdrijf wordt bes-chouwd – is een gevleugeld woord geworden in het Joodse leven en behoort tot de meest bekende gezegden in de Joods-godsdienstige opvoeding. Vriendelijkheid ten opzichte van dieren wordt beschouwd als een bewijs van een gevoelig hart en het was een criterium om een vrouw voor Jitschak uit te kiezen (Bereisjiet 24:14). In het boek Spreuken (12:10)  wordt het uitoefenen van vriendelijkheid tegenover dieren beschouwd als een kenmerk van een rechtvaardig mens. De Rabbijnen leren ons dat een mens niet aan de maaltijd moet gaan voordat hij zijn dieren gevoed heeft, en dat wordt geleerd uit wat er staat geschreven in Dewariem 11:15.

Ongerechtvaardigde aanvallen op sjechita

De Joodse godsdienstwetten die het slachten van dieren voor voedsel regelen zijn geheel in overeenstemming met deze leringen en voorschriften betreffende de vriendelijkheid voor dieren. Deze wetten hebben allen tot doel dat de dieren zo min mogelijk pijn zullen lijden.[11] Volgens de getuigenissen van vele eminente niet-Joodse specialisten is sjechita een uiterst humane manier om een dier te doden. Dit is wellicht een goede plaats om te reageren op de ongerechtvaardigde aanvallen die sinds het begin van de vorige eeuw in een aantal landen ge-daan werden en nog worden op de sjechita. Deze aanvallen hebben geresulteerd in pogingen om sjechita zonder verdoving vooraf illegaal te bestempelen. In Zwitserland, Noorwegen, Denenmarken en Zweden is sjechita tot op deze dag in het geheel verboden, in verschillende andere landen, waaronder Groot Brittanië, Frankrijk en Neder-land zijn herhaalde pogingen gedaan, tot zeer recent, om sjechita  te verbieden. In Nederland heeft dat recent geleid tot een gedeel­telijk verbod van sjechita. In Duitsland was sjechita verboden in de Nazi-tijd. Hoewel zijzelf miljoenen onschuldige mannen, vrouwen en kinderen martelden en afslachtten, pretendeerden de Nazi’s dieren-liefhebbers te zijn door in hun Nazi-staat de humane Joodse slachtmethode te verbieden. Ook de pogingen die de laatste jaren in Nederland en Engeland worden ondernomen, om sjechita te verbieden zijn afkomstig van lieden die in het openbaar de slachting van zwangere vrouwen en kinderen steunen en zelfs toejuichen, maar pretenderen van dieren te houden.[12] Daar sjechita een essentiëel onderdeel is van de Joodse godsdienst-wetten, is iedere wetgeving die erop gericht is dat te belemmeren in feite een vorm van Joden vervolging. Helaas, zoals wij recent kunnen zien in Europa, komen de aanvallen op de sjechita niet alleen uit antisemitische krin-gen, hoewel antisemitische gevoelens daar wel vaak mee verbonden zijn. Onwetendheid licht aan dergelijke anti-sjechita-acties vaak ten grondslag, maar monden uit in anti-semitische uitlatingen en acties, zoals antisemiten dit argumenten van dierenmishandeling” misbruiken om de Joodse gemeenschap te issoleren. De acties van dierenrechten extremisten worden uitgelokt en gesteund door anti-semitische politici.

De anti-sjechita-campagnes die van tijd tot tijd uit de grond schieten zijn niet alleen aanvallen op een bepaalde Joods-religieuze ritus. Daar sjechita altijd door degenen die het aanvielen,  beschreven werd als iets wreeds, en daar de Joden geloven dat het een Bijbels gebod is en dus van G-ddelijke oorsprong, is iedere anti-sjechita-campagne tevens van nature een aanval zowel op de Joodse moraal als op de G-ddelijke oorsprong van de Tora, en tegelijkertijd een aanval op het morele karakter van het Joodse Volk. Want als men zegt dat de Joodse methode van slachten wreed is, dan brandmerkt men daarmee de Joden als een wreed volk.

Bovendien werd altijd door de tegenstanders van sjechita gezegd, zelfs door degenen die beweren dat zij de Hebreeuwse Bijbel respecteren, dat de wetten en de details van sjechita nergens in de Bijbel genoemd worden en dus een uitvinding zijn van de Rabbijnen. Daarmee is de aanval op sjechita tegelijkertijd een aanval op de fundamenten van ons geloof, namelijk de G-ddelijke oorsprong en de bindende autoriteit van de Mondelinge Leer.

Het is verder een onmogelijke poging van de kant van buitenstaanders om de godsdienst van anderen te inter-preteren, een taak die moet worden overgelaten aan de autoriteiten van die godsdienst zelf. Dit geldt niet alleen voor het Jodendom, het geldt voor iedere godsdienst. Ieder poging hiertoe is een inbreuk op de godsdienst vrij-heid, een van de basisbegrippen van de Mensenrechten. Een recht waarop overigens alleen een beroep gedaan kan worden wanneer de beschuldiging van wreedheid effectief weerlegd kan worden. Daartoe zijn vele boeken en artikelen in het verleden zowel als recent geschreven door vele deskundigen.[13]

Iedere Jood die bezorgd is voor de heiligheid van de Tora, de eer van zijn volk en de overleving van kasjroet zou bekend moeten zijn met op zijn minst een deel van de bestaande literatuur die de sjechita verdedigt.


 


[1] Dit is bijvoorbeeld de naam die Rasji gebruikt voor dit traktaat.

[2] Vergelijk de uitdrukking  jom chol – werkdag – tegenover de heilige Sjabbat.

[3] Dit verbod geldt ook voor niet-Joden en is één van de zeven Noachidische wetten.

[4] Bij een vogel is het doorsnijden van één van deze twee organen voldoende, maar miderabbanan moeten ook hier beide organen voor het grootste deel worden doorgesneden.

[5] Gen. 1:29-30.

[6] Gen. 9:3.

[7] Zie Choelien 16b en 17.

[8] Choellien 84a.

[9] De gemara (84a) voegt daaraan toe dat men altijd minder moet eten dan men zich kan permitteren; men moet zich kleden in overeenstemming met zijn middelen; men moet zijn vrouw en kinderen eren boven zijn middelen en nimmer vergeten dat vrouw en kinderen afhankelijk zijn van de heer des huizes, terwijl hijzelf afhankelijk is van G-d.

[10] Zie daf 84a en Hirsch op Dewariem 12:20.

[11] Zie ook Maimonides: Moree nevoechiem, deel III, hoofdstuk 26. Volgens onze geleerden is het een verbod van Tora om een dier pijn te laten lijden.

[12] Op hen is de bittere vermaning van Hosea (13:2) van toepassing: „Zij offeren mensen en kussen kalveren.”

[13] Zie bijvoorbeeld:  The scientific approach to resolving conflicts between veterinary science and shechita, door L.S.Shore. Een uitgave van de Israel Veterinary Medical Association van 1999, te vinden op het internet onder:

http://www.isrvma.org/article/54_1_4.htm.

Zie ook: Fear over European Kosher bans, door Adam Dicker op: http://www.jewishworldreview.com/0702/euro_kosher.asp.

En: www.kashrusmagazine.com/magazine/115/europe.html

Een beknopte bibliografie ter verdediging van sjechita is verkrijgbaar.

 

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 244 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 2a Iedereen mag slachten

Wie is geschikt als sjocheet?

In de eerste paragraaf van het eerste hoofdstuk van Jore Dea noemt de Rema op, wie er geschikt zijn om als sjocheet te functioneren. „Iemand hoort niet te slachten, ondanks dat hij een expert is en de halachot van sjechita kent, tenzij hij driemaal ten overstaan van een chacham, die een expert is in de halachot van sjechita, geslacht heeft, zodat die weet dat hij een expert is en niet zal flauwvallen [Toer in naam van de Rambam]. Daarom zijn wij gewoon dat niemand slacht, voordat hij een kabala [een goedkeuring om te slachten] heeft gekregen van een chacham. De chacham geeft hem die kabala niet voordat hij weet dat de sjocheet de halachot van sjechita kent en een expert is in de praktijk. Daarom zijn wij gewend om te vertrouwen op iemand die komt om te slachten [dat hij een kabala heeft]… En in sommige plaatsen zijn ze strenger en eisen een geschreven kabala als bewijs. Iedere sjocheet, ook al heeft hij een kabala, moet van tijd tot tijd de halachot van sjechita herhalen, opdat hij er expert in blijft en ze niet vergeet [Rav Ja‘akov  HaLevi in naam van de Maharsja]. Hetzelfde geldt voor de halachot voor het onderzoeken van de longen en voor de bodeek – degene die controleert – hun halacha en gewoonte zijn gelijk in dit opzicht. En het Beit Din moet de bodekiem en sjochetiem controleren, om erop toe te zien dat zij experts zijn en kosjer [Mahari 50], want het risico van een overtreding bij de sjechita en bedika, als iedereen daar toegang toe heeft, is enorm groot.”

Hoe vaak moet hij de halachot van sjechita herhalen? Wanneer de Rema zegt: „van tijd tot tijd”, dan be-doelt hij dat een sjocheet de halachot iedere maand moet herhalen! [Baer Heteev 8]. De Beër HaGola schreef in naam van de Maharil dat gedurende de eerste 30 dagen van zijn aanstelling een sjocheet de halachot van het slachten  en controle iedere dag moet herhalen. Na de eerste dertig dagen moet hij ze iedere dertig dagen her-halen en na het eerste jaar moet hij ze nu en dan herhalen en als hij dat niet doet, is zijn slachten ongeldig!

Sjocheet Oebodeek: Het is altijd bekend geweest dat een sjocheet een buitengewoon G-dvrezend mens moet zijn en de beginletters Sj en Oeb van sjocheet oebodeek vormden van oudsher een bron van trots, zodanig, dat sommigen de titel Sjoeb of Schub als familienaam aannamen. De noodzaak voor een buitengewoon G-dvrezend slachter is niet slechts een extra verzwaring, maar betreft de basis-halachot van het slachten, als volgt:

De drie fasen van sjechita: Het proces om een dier geschikt te verklaren om te eten na sjechita bestaat uit drie fasen: (1) het onderzoek van het mes; (2) het slachten; (3) het onderzoek van de longen.

Het onderzoek van het mes: Rabbeinoe Jona schrijft in zijn Sja’arei Tesjoewa [sja’ar 3, ot 96] dat het onder-zoek van het mes extreme zorgvuldigheid vereist: „En iemand die niet consciëntieus is, diens hart zal niet be-grijpen hoe nauwgezet hij moet zijn in het onderzoek van het mes, want hij moet al zijn aandacht concentreren op dit onderzoek. Je zult zien dat iemand soms twee of driemaal controleert, zonder de minste fout te ontdek-ken, en dan vindt hij het, want de laatste keer heeft hij zich pas geconcentreerd.” Inderdaad was de taak om het mes te controleren gegeven aan de chacham of rabbijn en een sjocheet die zijn mes niet aan de rabbijn ter con-trole geeft vóór het slachten wordt uitgestoten [Choellien 18a]! De Sjoelchan Aroech  [J.D. 18:17] beweert dat in latere tijden de gewoonte ontstond  om speciale mensen te benoemen voor deze taak en de rabbijn doet afstand van zijn eer ten gunste van hen, daar zij uitermate zorgvuldig zijn. De auteur van de Sjoelchan Aroech HaRav [18, Koetres Acharon, s.k. 9] schrijft dat de rabbijnen alleen afstand deden  van hun eer aan G-dvrezende mensen maar dat anderen niet geoorloofd zijn de messen te controleren!

Slachten: Eén getuige wordt geloofd betreffende een verbod [Choellien 10b], in tegenstelling tot de halachot voor financiële en huwelijksaangelegenheden, waar minstens twee getuigen vereist zijn. Volgens de Reëem wordt één enkele getuige niet geloofd als hij beweert dat een dier naar behoren geslacht is, omdat er een tegengestelde chazaka [voorafgaande kennis] is dat het verboden is om een [niet of verkeerd geslacht] dier te eten. En één getuige wordt niet geloofd tegenover een chazaka. [Een dier dat niet naar behoren geslacht is, mag niet gegeten worden. Dat is een bekend gegeven. Zolang niet bekend is gemaakt dat het dier naar behoren geslacht is, wordt het verondersteld (is er een chazaka) dat het nog in de ongeoorloofde toestand is. De verandering van de ene, verboden toestand naar een andere, toegestane toestand, kan slechts plaatsvinden nadat minstens twee per-so-nen daarover een getuigenis hebben afgelegd.] Alleen een getuige waarvan bekend is dat hij betrouwbaar is en kosjer, mag getuigen [Mordechai, Choellien §579]. Daarom is het nodig dat de sjocheet een G-dvrezend persoon is, want anders, wanneer hij alleen, zonder toezicht, een dier slacht, kan hij niet geloofd worden dat hij naar behoren geslacht heeft. Wij leggen er de nadruk op dat het standpunt van de Reëem niet als halacha geaccep-teerd werd [zie de Prie Meĝadiem in het voorwoord en Aroech Hasjoelchan, 4]. Maar al de poskiem waarschuw-en bij herhaling dat wij alleen van de sjechita van een G-dvrezend en nauwgezet sjocheet mogen eten, zoals de Baer Heteev [s.k. 29] schrijft: „Geef geen kabala aan iemand die frivool is, maar alleen aan een G-dvrezend persoon.”

Het onderzoek van de longen: Een onderzoek van de longen wordt uitgevoerd, om de mogelijkheid van een gat of ander defect van de longen uit te sluiten, waardoor het dier treifa zou zijn. Hoewel de meeste dieren niet treifa zijn, moet men de longen toch controleren omdat treifot  veel voorkomen [Sjach, ibid] en de Sjoelchan Aroech [J.D.39:1] waarschuwt: „Íeder die de omheining doorbreekt – d.w.z. die eet, zonder dat de longen ge-controleerd zijn – die zou moeten worden gebeten door een slang.”

Alleen de G-dvrezende mag soepel zijn: Betreffende twee soorten van verdachte treifa, die in de longen kunnen optreden, zegt de Sjoelchan Aroech [ibid, § 11 en 13] dat onder bepaalde omstandigheden wij soepel mogen zijn maar hij beperkt zijn opmerking als volgt: „Wij vertrouwen op deze soepelheid alleen in geval van een buitengewoon G-dvrezend en kosjer onderzoeker.” Hieraan zien wij dus de noodzaak voor een buitengewoon G‑dvrezend SjoeB, want in andere gevallen mag men niet soepel zijn.


N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de

gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij

moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren

 onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd

is om een psak halacha te geven.

 

Bovenstaande tekst (behalve de inleiding) is een woordelijke vertalingen van resp.

Meorot Hadaf HaYomi 

De toelichtende en verklarende teksten

tussen rechte haken [ ] (niet de bron­

vermeldingen) zijn afkomstig

van de vertaler.