Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
9-15 Sjewat 5764 Traktaat Choelien 2-8 Nr. 48

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 244 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 2a Iedereen mag slachten

Is sjechita een mitswa?

De eerste 40 dapiem van ons traktaat gaan over sjechita. We zullen nu de basis handelingen van het slachten definiëren.

Het is duidelijk dat een dier niet gegeten mag worden als het niet geslacht is – wanneer het nog leeft, wegens het verbod op een orgaan van een levend dier, en wanneer het dood is wegens het verbod op nevela. Iedereen is het erover eens dat het slachten van een rein dier deze verboden opzij zet en dat het dier daarna gegeten mag worden. Maar deze informatie onthult niets over het vol­gende probleem.

Is sjechita een mitswa? De Bahag, een van de eersten die de mitswot opge­somd heeft, telt sjechita niet Als een mitswa. Ramban (in zijn opmerkingen op Sefer HaMitswot, sjoresj 2) zegt dat volgens hem sjechita geen mitswa is, maar dat Tora geboden heeft dat sjechita de verboden die aan het dier vast­zitten, wanneer het niet naar behoren geslacht wordt, verwijdert. De Tasjbets (Zohar HaRakia, noot 82) biedt een interessant bewijs voor deze mening: De Midrasj (Tanchoema, parasjat Sjelach 15) zegt dat er voor iedere handeling die een mens doet, een mitswa is. Bijvoorbeeld, over ploegen is ons geboden: „Je mag niet ploegen met een os en een ezel samen” en slachten houdt ook een mitswa in: giften aan de kohaniem: dat men aan de kohen de voorpoot, de kaak en de maag moet geven. De midrasj noemt de sjechita expliciet, maar zegt niet dat de sjechita zelf een mitswa is (zie Birkat Kohaniem, Choelien, sj.1).

Rambam schrijft in tegenstelling tot de Bahag (in Sefer HaMitswot, mitswa 146 en in Hilchot Sjechita 1:1, zie het meningsverschil tussen de Tanaïem in Choelien 17a): „Het is een positieve mitswa voor iemand die een huisdier wil eten, of een wild dier of een vogel om het te slachten en te eten.” Het is dui­delijk dat hij niet bedoelt dat iederen verplicht is om te slachten, maar dat iemand die vlees wil eten, geboden is het dier te slachten.

Hoewel vele andere Risjoniem sjechita niet als een positieve mitswa beschouw­en, definiëren zij het als een verbod,  afgeleid van een positieve mitswa, of als een negatieve mitswa, afgeleid van een positieve mitswa.

Een uiterst verbazingwekkend probleem ontstaat naar aanleiding van het me­ningsverschil van de Risjoniem. De verplichting om een dier te slachten voor­dat men het mag eten, wordt geleerd uit vers „wezawachta – en je zult slach­ten” (Dewariem 12:21). De Tora gebiedt ons om te slachten! Hoe kan men dan volhouden dat slachten geen mitswa is? Je zou kunnen zeggen dat een han­de­ling die men niet verplciht is te doen, niet als een mitswa kan worden be­schouwd – met andere woorden, iemand hoeft niet een dier te slachten en het op te eten, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het feit dat men geboden is in een soeka te zitten, matsa te eten en op de sjofar te blazen, of men dat wil of niet. Maar Tora bevat vele mitswot die iemand niet verplicht is uit te voeren, zoals tsietsiet of  mezoeza, en er is ogenschijnlijk geen verschil daartussen en sje­chita. Alleen wanneer iemand een kledingstuk met vier hoeken omdoet, moet hij daar tsietsiet aan vastmaken. Wanneer hij in een huis woont, moet hij daar een mezoeza aan bevestigen en wanneer hij vlees wil eten moet hij slachten. Maar wanneer hij geen van deze handelingen wil uitvoeren, zijn die mitswot niet op hem van toepassing. Wat is het verschil tussen deze mitswot?

Het verschil tussen sjechita en de mitswot van mezoeza en tsietsiet: HaGaon Rabbi Akiwa Eiger zts”l (in zijn aantekeningen op de Sjoelchan Aroech  § 8) beweert dat men deze mitswot niet met elkaar kan vergelijken, en een korte nadere beschouwing onthult dat er een duidelijk verschil is tussen deze mitswot. Wanneer iemand een vier-hoekig kledingstuk aantrekt, dan moet

hij er tsietsiet aan bevestigen. Op dezelfde manier: wanneer iemand in een huis woont, moet hij er een mezoeza aan bevestigen. [Dus het kledingstuk dat hij draagt en het huis waarin hij woont brengen hem in een situatie waarin hij de mitswa verplicht wordt.] De zaak is anders voor wie vlees wil eten, want hij heeft nooit een verplichting: wanneer hij niet slacht, eet hij niet. Er is geen voorafgaande handeling die de verplichting veroorzaakt en daarom is sjechita geen mitswa.

Waarom zegt men de beracha voor sjechita zittend? Dit principiële verschil tussen de mitswot van mezoeza en tsietsiet enerzijds en sjechita anderzijds, komt tot uitdrukking in een aantal halachot. Mageen Awraham (O.Ch. 8:2) schrijft dat men de beracha voor tsietsiet staande moet zeggen maar dat men de beracha voor sjechita zittend mag zeggen (zie zijn verklaring t.a.p.). In het licht van het bovenstaande is het wel te begrijpen dat wij de mitswa van tsietsiet, waartoe iemand verplicht wordt, niet kunnen vergelijken met  de mitswa van sjechita.

Wij hebben nu de mening van diegenen die het niet met Rambam eens zijn, en die menen dat sjechita geen mitswa is, begrepen. Maar waarom meent de Rambam dat het wel een mitswa is.

Dit wordt schitterend verklaard door HaGaon Rav Baroech Sjmoeël HaKohen Deutsch (Birkat Kohen, ibid). De mening van de Risjoniem die het niet eens zijn met Rambam is gebaseerd op de veronderstelling dat het doel van sjechita is het verwijderen van het verbod op nevela, dat van toepassing is op ieder dood dier. Er is daarom geen reden om sjechita als een mitswa te beschouwen, het verwijdert slechts een verbod. Wanneer wij er echter mee instemmen dat Tora ons eerst geboden heeft te sjechten en als resultaat daarvan is een dier dat niet naar behoren geslacht is, nevela,  dan kunnen wij niet zeggen dat sjechita het verbod op nevela opheft. Het feit dat Tora ons sjechita gebiedt, wanneer het verbod op nevela niet bestaat, is het beste bewijs dat sjechita wel degelijk een mitswa is, want zo niet, waarom zou Tora ons dan een handeling opdragen zonder doel?

Dit is inderdaad het standpunt van Rambam: hij schreef dat toen onze voorouders door de woestijn zwierven, Hasjem hen niet verboden had om ongeslacht vlees te eten. Alleen het vlees van een dier dat uit zichzelf was gestorven, was verboden (Hilchot Sjechita 4:17; zie Choelien 17a, dat de Tanaïem hierover van mening verschillen): „Toen de Joden door de woestijn zwierven, waren zij niet geboden omtrent sjechita voor werelds vlees, maar zij slachtten de dieren zoals alle andere mensen dat doen.” Het originele verbod op nevela gold alleen voor een dier dat uit zichzelf was gestorven. Welke verandering trad er op toen zij in Erets Jisraël aankwamen, hetgeen alle niet-geslachte dieren opnam in de categorie van nevela? Wij moeten zeggen dat het Tora-gebod: „wezawachta – en je zult slachten”, dat gegeven werd toen zij in Erets Jisraël kwamen, het verbod op nevela uit­breidde tot ieder dier dat niet was inbegrepen in „wezawachta”. Wij leren dus dat Tora eerst geboden heeft om te slachten, en dat als resultaat daarvan de halachot voor nevela uitgebreid werden. Hieruit blijkt duidelijk dat sjechita wel degelijk een mitswa is.

Waarom is er een beracha voor sjechita? Uit dit verschil van mening dat wij hier gepresenteerd hebben, of sjechita een mitswa is of niet, zou men kunnen afleiden dat er een verschil bestaat of men voor sjechita een beracha moet zeggen of niet. Wanneer sjechita een mitswa is, dan zou men een beracha moeten zeggen en zo niet, dan niet. Maar tot onze verbazing blijkt dat men volgens alle meningen (Pesachiem 7b) voor sjechita de beracha „…Die ons geheiligd heeft met Zijn mitswot en ons geboden heeft…” moet zeggen.

De Netsiv (‘Emek Sjeëla, sjela 100, noot 10) verklaart volgens de Rosj (Ketoebot, hfdst. 1§ 12) dat aangezien sjechita [volgens iedereen] soms een mitswa is, n.l. wanneer men offerdieren slacht, Chazal deze beracha heeft ingesteld voor iedere sjechita, ook voor profaan slachten. De Taz verklaart (in J.D. 1:17) dat de beracha voor sjechita geen beracha voor een mitswa is, maar een beracha is om de Schepper te prijzen.

Daf 8b: De plaats van de snee is heet

Wat is jad soledet?

Wij verlaten nu even het pad van de sjechita om enkele andere termen te verklaren. Vele halachot hebben betrekking op koken en hitte. Het is verboden om op Sjabbat te koken en voedsel dat toch gekookt werd op Sjabbat, is verboden (Choellien 15a). Het is verboden vlees met melk samen te koken. Hete voorwerpen scheiden smaak af en absorberen het door middel van hitte, enz.

Al deze halachot zijn afhankelijk van een temperatuur die door Chazal gedefiniëerd werd als jad soledet bo – de hand die zich terugtrekt (Sjabbat 40b; Choellien 105a, b; enz.). Met andere woorden, de temperatuur die nodig is voor deze halkachot, is zodanig dat iemand die daarmee in aanraking komt, zijn hand ervan terugtrekt. Echter, er is geen exacte definitie die ons helpt vast te stellen wat de temperatuur is, waarvan iemand zijn hand terugtrekt. Vele Acheroniem hebben gepoogd dit probleem op te lossen, en om jad soledet bo te vertalen in een exacte temperatuur-graad, waarvan volgens iedereen ieder persoon zijn hand terugtrekt.

HaGaon Rav Moshe Feinstein zts”l  bespreekt dit probleem een paar maal, en in een van zijn responsa (Igrot Moshe, O.Ch. IV, 74) schrijft hij dat het gebied van twijfel voor jad soledet bo ligt tussen 43 en 71 graden Celsius. Met andere woorden, het is duidelijk dat een hand zich niet terugtrekt van iets dat kouder is dan 43° C en dat iedereen het erover eens is dat iedere hand zich terugtrekt van iets dat boven 71° C is, maar over de temperatuur daar tussenin is geen duidelijkheid. Andere poskiem echter bewijzen dat jad soledet bo bij veel lagere temperatuur dan 71° C ligt, daar in de tweede helft van ons traktaat (105a,b) de gemara het heeft over het handenwassen (netilat jadajiem) met warm water tot een temperatuur van jad soledet bo. Het is duidelijk dan men zijn handen niet kan wassen bij zulk een hitte (Meor HaSjabbat I, 2, opmerking 14).

Betreffende de temperatuur waaronder men zijn hand niet terugtrekt, is overgeleverd in naam van de Chazon Iesj (zie Meor HaSjabbat, ibid, se’ief 6 en de opmerkingen) dat er geen reden is voor bezorgdheid bij een temperatuur onder de 40° C. HaGaon Rav Sjlomo Zalman Auerbach zts”l (Responsa Minchat Sjlomo, 91:8) biedt hier een mooi bewijs voor. Daar de temperatuur van melk tijdens het melken kan oplopen tot 40°, is het duidelijk dat deze temperatuur beschouwd wordt als koel. Rav Auerbach gaat nog verder en betoogt dat zelfs 45° nog geen jad soledet bo is, zoals blijkt uit onze soegia.

Rav en Rabba bar Chana verschillen van mening in onze gemara, of de hals van het dier (beit hasjechita) kookt of koel is. Overeenkomstig verschillen zij van mening of de beit sjechita een verboden smaak van het mes kan absor­beren. Wanneer de beit sjechita kookt, dan absorbeert het de smaak, maar wanneer die koel is, niet. De gemara citeert vervolgens een mening, waaruit blijkt dat hun meningsverschuil betrekking heeft op een ander probleem en dat beiden het erover eens zijn dat de beit hasjechita koel is. Rasji en de Rosj beslissen overeenkomstig en hoewel wij streng zijn, en volgens Tosafot gaan, die de beit hasjechita als kokend heet beschouwen (Sjoelchan Aroech, J.D. 10:2), is dit alleen maar lechatchila – een eerste preferentie (Sjach, ibid, noot 14; bovendien legt ons traktaat ver­der nog uit dat deze zaak alleen betrekking heeft op het eind van het slachten maar dat bij het begin van het slach­ten iedereen het ermee eens is dat de beit hasjechita koud is. Bovendien verklaart Ritva [Sjabbat 42a] dat zelfs vol­gens diegenen die menen dat de beit hasjechita heet is, het in ieder geval niet zo kokend heet is dat een hand zich ervan terugtrekt”; zie Minchat Sjlomo, ibid, in naam van Rosj Joseef, dat iedereen ermee eens is dat het niet echt kokend heet betekent).

Hiervandaan is onze weg kort. Alles wat ons nog te doen staat, is vast te stellen wat de temperatuur van de beit hasjechita is en dan weten wij dat dit niet jad soledet bo is

De temperatuur van een koortsige eend als hij geslacht wordt: Inderdaad, zegt Rav Auerbach, de poskiem maken geen onderscheid tussen de beit hasjechita van een dier of van een vogel. Waar de gemiddelde lichaams­temperatuur van een mens 37 graden is en die van vee 40 graden, is de temperatuur van een eend dicht bij 45°C. Op het moment van het slachten loopt de temperatuur op  met minstens één graad en wanneer het dier ziek is, kan dat oplopen tot 48° C! Maar zelfs als wij de verhoging ten gevolge van de ziekte en de verhoging ten gevolge van het slachten buiten beschouwing laten, dan hebben wij nog steeds 45 graden, waarvan een hand zich niet terugtrekt!

Door Rav Mordechai Kornfeld van Kollel Iyun Hadaf, Har Nof, Jeroesjalajim

Daf 8a: Rav Nachman heeft in naam van Rabba bar Awoeha gezegd dat het is toegestaan te slachten met een mes dat voor afgoderij gebruikt is, maar dat het verboden is om er vlees mee te snijden.

Rasji schrijft dat het verboden is om er vlees mee te snijden, omdat het verboden is om van een voorwerp waarmee avoda zara bedreven werd, voordeel te hebben. Het is echter volgens Rav Nachman toegestaan met een mes, dat voor avoda zara gebruikt werd, te slachten, omdat men daar geen voordeel bij heeft. Een levend dier is meer waard dan een dood dier (een levend dier kan broeden, ploegen en kan gemolken worden) en daarom wordt het gebruik van het mes voor het slachten niet beschouwd als er profijt van hebben. Maar vlees is ongeschikt om te eten, voordat het gesneden is en dus heeft men profijt van het mes.

De Gemara vraagt waarom het niet verboden is te slachten met een mes dat gebruikt werd voor avoda zara wegens de vetresten die aan het mes kleven van het dier van de Nochri – niet-Jood. De gemara antwoordt dat Rav Nachmans regel alleen van toepassing is op een nieuw mes dat nog niet gebruikt is voor het slachten van een dier voor avoda zara, maar dat alleen gebruikt is voor het kappen van hout voor avoda zara. Of zijn regel geldt voor een mes dat gebruikt was voor het slachten van dieren voor avoda zara, maar het mes is op de juiste wijze gekasjerd, zodat alle sporen van de nevela verwijderd zijn.

De regel van Rav Nachman blijft echter vreemd. De Tora (Dewariem 12:2) gebiedt ons: „Je zult alle plaatsen vernietigen, waar de volken die je verdrijft, hun afgoden gediend hebben op de hoge bergen en op de heuvels en onder iedere loofboom.” De gemara in Avoda Zara legt uit dat dit betrekking heeft op voorwerpen die gebruikt werden bij de dienst van avoda zara, want eris een ander vers (Sjemot 34:13) dat ons gebiedt de afgodsbeelden zelf te vernietigen. Daar men verplicht is de voorwerpen die bij de afgodendienst gebruikt werden, te vernietigen en het dus verboden is om zulke voorwerpen in zijn huis te bewaren, hoe kan het dan lechatchila zijn toegestaan om zo’n mes te gebruiken voor sjechita?

De Pnei Jehosjoea suggereert het volgende antwoord: Het mes van de avoda zara dat Rav Nachman toestaat om voor sjechita te gebruiken, is niet het eigendom van een Jood maar de Jood heeft het van een Nochri geleend en dus hoeft de Jood het niet te vernietigen. Maar er is nog een ander probleem, waar dit antwoord geen oplossing voor geeft: de Tora gebiedt niet alleen dat voorwerpen die voor avoda zara gebruikt zijn vernietigd moeten worden, het verbiedt ook dat men wil dat zulke voorwerpen bestaan (rotsee bekiejoemo; zie ook Avoda Zara 63b). Zelfs al bezit de Jood zelf dat mes niet, hij wil dat het blijft bestaan en dat het niet vernietigd wordt, want als het verloren raakt of gestolen wordt, moet hij de waarde ervaan aan de Nochri vergoeden!

Daarom geeft de Pnei Jehosjoea een ander antwoord, gebaseerd op de mening van Rabbeinoe Elazar van Metz, geciteerd in de Toer (J.D. 146:2). Hoewel de halacha zegt dat een voorwerp van avoda zara dat van een Jood is, nimmer nietig verklaard kan worden (zelfs niet door een Nochri), beslist Rabeinoe Elazar niettemin dat dit alleen van toepassing is op een voorwerp dat daadwerkelijk als afgod gediend werd. Maar voorwerpen die alleen gebruikt werden voor de dienst van avoda zara kunnen wel door een Nochri nietig verklaard worden (door te verklaren dat deze voorwerpen niet langer meer gebruikt zullen worden voor avoda zara; zie traktaat Avoda Zara 43a, waar de gemara zegt dat een Nochri  zelfs gedwongen mag worden om het nietig te verklaren), zelfs wanneer ze het eigendom zijn van een Jood. Rav Nachman heeft het daarom over een Jood die een mes gevonden heeft, dat voor afgoderij gebruikt is en die het niet in zijn bezit wil houden maar die een Nochri zoekt die het Mewateel zal zijn. Wanneer hij er niet in slaagt zo’n Nochri te vinden, dan zal hij het zelf vernietigen. Daar hij een manier zoekt om het mes te vernietigen, wordt hij niet beschouwd als iemand die het mes wil laten bestaan en dus overtreedt hij geen Tora-gebod.