Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
20 Sjewat 5764 Traktaat Choelien 9-15 Nr. 49

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 245 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 9a: En dit zijn de halachot voor sjechita: sjehieja, derasja, chalada, hagrama en ‘ikoer.

Moeten de veren van een vogel verwijderd worden vóór sjechita?

In 5748 (1988) ontstond een interessante discussie tussen de poskiem over de vraag of de veren van een vogel verwijderd moeten worden vóór sjechita. Dit artikel onderzoekt de verdenkingen en twijfels betreffende dit onderwerp.

De vijf regels van sjechita: Mosjé Rabbeinoe heeft op de Berg Sinaï vijf regels ontvangen, en het is verboden het geslachte vlees te eten van een sjocheet die deze vijf regels niet kent. Het zijn: sjehieja, derasja, chalada, hagrama en ‘ikoer.

Sjehieja: pauzeren tijdens het slachten. Derasja: wanneer de sjocheet het mes in de hals van het dier drukt. Chalada: slachten op een manier waarbij het mes of de simaniem – de luchtpijp en de slokdarm – niet te zien zijn tijdens de sjechita. Hagrama: wanneer de simaniem niet op de juiste plaats geslacht worden. ‘Ikoer: De simaniem werden van hun plaats gerukt vóór het eind van het slachtproces. Ieder van deze vijf regels diskwalificeren de sjechita.

De Gemara (30b) legt uit dat het logisch is dat wanneer het mes niet zichtbaar is op het moment van de sjechita, doordat het verborgen wordt door de simaniem, dat dan de sjechita ongeldig is, daar dit chalada vormt. De gemara verkeert echter in twijfel of chalada dat niet veroorzaakte wordt door de simaniem ook diskwalificeert – zoals bij voorbeeld, wanneer de wol van een schaap het mes bedekt. De gemara lost het probleem niet op en de halacha is dus verzwarend (Sjoelchan Aroech J.D. 24:8), dat een dergelijk dier niet gegeten mag worden.

De reden waarvoor de veren verwijderd worden: Volgens de Mordechai (zie Tewoeot Sjor en Prie Megadiem) kan chalada veroorzaakt worden niet alleen door de wollige nek van een schap, maar ook door schaarse wol. Daarom besliste hij (604): „Het is de gewoonte om de veren van gevogelte te verwijderen, zodat het niet de oorzaak kan zijn van chalada.” Acheroniem voegden daaraan toe dat de verwijdering van de veren van de hals niet alleen chalada voorkomt maar ook sjehieja tegengaat. Wij zijn namelijk bezorgd dat tijdens het slachtproces een veer onder het mes blijft steken. De sjechita  zou dan niet continu plaatsvinden omdat een kort ogenblik tijdens de sjechita het mes gebruikt wordt om de veren door te snijden (Simla Chadasja 23, S.K.6). De auteur van Sjoëel Oemesjiev voegt daaraan toe (Responsa III, 147) dat het verwijderen van de veren ook voorkomt dat de veren het mes beschadigen.

Het gevaar dat de slokdarm geperforeert wordt als de veren verwijderd worden: Wanneer alles zo simpel is, waarover dan gediscusieerd? Laat de sjochtiem de veren verwijderen en zodat zij voor goed verlost zijn van de twijfels. Vele jaren na de Mordechai  schreef de Rama echter (Sjoelchan Aroech J.D. 23:6) „Men moet ervoor oppassen dat men de veren niet verwijdert wanneer het mogelijk is te slachten zonder dat te doen!” Deze beslissing komt voort uit de vrees dat het verwijderen van de veren van de nek van de kip een gat in de slokdarm kunnen veroorzaken, waardoor het dier treifa wordt. En een kip met bloed op de plaats waar de veren verwijderd werden, wordt niet geslacht wegens deze verdenking (zie daar in de Sjach, n. 20, dat dit met name geldt waar de huid van de nek werd getrokken en zie ook daar, dat sommigen soepel zijn in geval van een ernstig verlies).

Verandering van leeftijd van geslacht gevogelte: Tot onze tijd was het de algemene gewoonte om de veren zorgvuldig te verwijderen van de plaats van de sjechita. In onze generatie is er echter een belangrijke verandering opgetreden in het slachten van gevogelte, daar zij tegenwoordig bijna allemaal heel jong, en hun veren nog niet erg lang zijn, zodat het risico voor chalada kleiner is geworden, maar aan de andere kant, ten gevolge van de zachte huid van de jonge dieren, de kans op bloedingen van de hals op plaatsen waar de veren verwijderd werden, is toegenomen.

Dat was het onderwerp van de discussie tussen de poskiem – moet men de veren verwijderen, zoals voorheen gebruikelijk was, ondanks dat sommige kippen daarbij bloeden, of moet men, wegens deze risico’s de veren niet verwijderen en ze alleen maar opzij schuiven (zie responsa Sjevet HaLevi VII, 111-112 en Kovets Tesjoewot door HaGaon Rav Y.S. Eliashiv, 70).

 

Daf 9a: Iedere slachter die [de wetten] niet kent

Een handeling precies herhalen, zonder hypnose!

Vragen over kasjroet komen in bijna iedere Joodse keuken van tijd tot tijd op: bestek dat door elkaar raakt, voedsel dat ergens in terecht komt, melk dat in een koelkast gemorst is, enz. Eén van de fascinerende onderwerpen is de noodzaak om te schatten hoeveel van het voedsel met iets anders vermengd raakte en dan berekenen of het verbodene nietig te verklaren is omdat het slechts een zestigste van het mengsel uitmaakt. Een klassiek voorbeeld is roeren in een pan met kokend vlees met een melklepel die bat joma is (dat wil zeggen dat het de afgelopen 24 uur hete melk geabsorbeerd heeft). In dat geval houden wij niet alleen rekening met de hoeveelheid melk die in de lepel geabsorbeerd is maar beschouwen wij de hele melklepel alsof die in zijn geheel uit melk bestaat, en gaan dan na of de hoeveelheid vlees 60 maal meer is dan het volume van de lepel. Het is duidelijk dat als de roerder de lepel vasthoudt, een deel ervan het vlees niet aanraakt en dat deel moet dus worden afgetrokken van de berekening (zo is de halacha; zie J.D. 94:1 voor andere meningen). Soms kan een enkel centimeter meer of minder de hele pan kosjer of treifa maken en dus geldt: hoe meer informatie we hebben, des te beter kunnen wij de halacha vaststellen.

Kan de roerder zich herinneren hoeveel van de lepel in de pan stak? De vraag is: wanneer alle resten van het vlees van de lepel verwijderd zijn, weet de roerder dan nog precies welk deel zeker niet in aanraking met het vlees gekomen is? De poskiem discusiëren daarover en dat betreft rechtstreeks onze soegia.

Men herinnert zich geen details van niet berekende handelingen: „Het is verboden om van de sjechita te eten van welke sjocheet dan ook, die niet de halachot van sjechita kent,” zegt Sjmoeël in onze gemara, want als hij niet weet wat verboden is, hoe weet hij dan of hij correct geslacht heeft? De Rasjba concludeert op grond van Rasji’s verklaring (s.v.Welo jada’), dat wanneer de sjocheet de halachot na de sjechita geleerd worden en hem dan gevraagd wordt of hij correct geslacht heeft en als hij dan zegt dat hij correct geslacht heeft, dan mag men het vlees dat hij geslacht heeft eten. De Rasjba en andere Risjoniem verbazen zich hierover, daar het algemeen bekend is (Sjewoe’ot 34b) dat iemand geen aandacht besteedt aan details, die voor hem onbelangrijk lijken, wanneer hij een handeling verricht. Daarom is de Rasjba het hier niet mee eens en meent dat dit vlees niet gegeten mag worden, ook niet wanneer de sjocheet de halachot zorgvuldig leert en daarna verklaart dat hij correct geslacht heeft.

Wij keren nu terug naar de melklepel. De eenvoudige tekst van de Sjoelchan Aroech en de Rema (zie Sjach J.D. 94:28) houdt in dat wij kunnen vertrouwen op het geheugen van de roerder, wanneer hij beweert dat hij zich duidelijk herinnert welk deel van de lepel buiten de pan gebleven is. Negeren zij de Rasjba, die bepaald heeft dat de sjocheet zich niet herinnert wat hij precies deed en (en overeenkomstig hebben zijzelf beslist [Sjoeclchan Aroech J.D. 1:3])? Ten slotte heeft de roerder niet alle details van zijn handeling opgemerkt.

Onbewust geheugen: De Noda’ BiJehoeda ztst”l legt uit (Responsa 2de uitg, J.D. 16) dat zelfs de Rasjba zou toegeven dat wij onderscheid moeten maken tussen de onwetende sjocheet en de roerder. De sjocheet  kent de halachot niet, noch heeft hij ooit gehoord van chalada of sjehieja en dus is er geen kans dat hij zich de details zal herinneren die niet bestaan in zijn onderbewustzijn. De roerder daarentegen kent de halachot van vlees en melk. Iedere dati-Jood [die de mitswot houdt] is op de hoogte van de elementaire regels voor het door elkaar gebruiken van keukengerei en daarom is hij onbewust gewaar van zijn handelingen en weet hij zich dat te herinneren!

Daf 12a: Rasji: Maar wij controleren we de long van het dier na het slachten.

Controle van de longen: de regel, de reden en de onthutsende vraag

De Sjoelchan Aroech (J.D. 39:1) zegt: „Men hoeft niet te onderzoeken op enige treifa… behalve de longen… ieder die de grens overschrijdt en eet zonder controle zou moeten worden gebeten door een slang.”

Is de verplichting om de longen te controleren afkomstig van Tora of is het een rabbijns decreet? Alle Risjoniem op onze soegia leggen er de nadruk op dat de verplichting om de longen te controleren niet van Tora afkomstig is. Deze halacha is gebaseerd op onze soegia, die leert dat wij de meerderheid moeten volgen: daar de meeste dieren niet treifa zijn en verondersteld worden (bechezkat) gezond en kosjer te zijn, is er geen verplichting ze te onderzoeken. Zij mogen gegeten worden zonder bedika, zolang er geen verdenking bestaat van het tegendeel, die onderzoek verplicht maakt. Strikt genomen zouden de longen ook niet hoeven te worden onderzocht, zoals de Rambam schrijft (Hilchot Sjechita 11:7): „Hoewel de gemara de indruk wekt (dat er geen noodzaak is voor bedika), is de algemene gewoonte zo… en men controleert de longen…”. Volgens sommige Risjoniem was de controle van de longen nog niet een gewoonte in de tijd van de Talmoed (Mordechai, Choelin hoofdstuk 3, § 619, in naam van Rabbeinoe Baroech) en hebben de Geoniem deze halacha ingesteld (Meïri, Choelin 9a). Echter de Ramban en de Rasjba (9a) bewijzen dat de geleerden uit de Talmoed wel degelijk reeds zo beslist hebben en dat het vergelijkbaar is met ieder ander rabbijns decreet (zie Prie Megadiem in het voorwoord op 39).

Redenen om de longen te controleren: De Risjoniem noemen een aantal redenen op voor dit decreet. Volgens Rasji (s.v. Pesach) is er een redelijke verdenking dat een long treifa blijkt te zijn en de geleerden wilden daarbij niet op de meerderheid vertrouwen. Sommigen zeggen (zie Rasjba, 9a) dat de meest voorkomende oorzaken van treifa openlijk zichtbaar zijn, een long doorgaans pas later treifa blijkt te zijn  en dan moeten alle mensen die een deel van het dier al gekocht hebben, alles waarin het gekookt is, weggooien. De chachamiem vreesden dat niet iedereen de verleiding [om dat te negeren] zou weerstaan. De Prie Megadiem voegt daaraan toe (ibid) dat de bedika van de longen erg eenvoudig is in tegenstelling tot de controle op andere soorten treifa en dat daarom Chazal de controle daarop verplicht gesteld hebben. (Deze reden komt dicht bij de oorspronkelijke reden van de Rasjba, n.l. dat de long gecontroleerd moet worden, omdat, wanneer men dat niet doet, men zijn ogen sluit voor een verbod).

Kosjere sjechita voor mensen die nevelot eten: Wij wenden ons nu tot een schokkende halachische kwestie, die aan de poskiem  werd voorgelegd. Een zich aan de halacha houdende sjocheet werd geconfronteerd met een uiterst gecompliceerd dilemma. Hij kreeg een aanbod om ergens te komen werken en de eigenaar van de dieren vertelde hem dat hij geïnteresseerd was in Joodse sjechita, maar dat treifot te ingewikkeld voor hem waren. Voor hem was het voldoende dat de dieren geslacht werden door een sjocheet met een lange baard… maar als die een dier ontdekte dat treifa was, dat zou hij het toch wel eten.

Het probleem wordt nog ingewikkelder:  Wanneer wij de situatie analyseren, dan ontdekken wij verschillende ernstige halachische risico’s. Wanneer de sjocheet de longen niet controleert, maakt hij een winst en een verlies. Het verlies is dat de consument een rabbinaal verbod overtreedt, daar het verboden is vlees te eten van een dier waarvan de longen niet onderzocht zijn. De winst is dat de consument gered wordt van het eten van treifa als de sjocheet het beest onderzocht had en ontdekt had, dat het treifa is en de eigenaar het hem toch gegeven zou hebben. Nu dat het dier niet onderzocht werd, mocht het volgens Tora-wet gegeten worden, vertrouwende op de „rov” – dat de meeste dieren niet treifa zijn. Aan de andere kant, wanneer de sjocheet de longen onderzoekt, dan, hoewel hij voorkomt dat zij vlees eten van een dier dat niet onderzocht is, onstaat tegelijker tijd een groot risico dat zij het Tora-verbod overtreden om geen treifa te eten als hij wel een treifa dier ontdekt, en de eigenaar van de dieren het geslachte vlees toch aan de consument geeft (of verkoopt). Wat moest hij doen?

HaGaon Rav Tzvi Pesach Frank zts”l, auteur van Har Tzvi (Responsa J.D. 19), gaf de sjocheet de instructie dat hij er beter aan zou doen in het geheel niet te controleren, omdat onder bepaalde omstandigheden „wij tegen iemand zeggen dat het beter is als hij zondigt, opdat zijn collega daar profijt van heeft (door een grotere zonde te vermijden)”. In feite wordt hem in dit geval niet eens gevraagd om een overtreding te begaan om maar om niets te doen. Behalve dat, de verplichting om het geslachte dier te controleren rust niet op de sjocheet maar op de consument, opdat die niet eet wat niet gecontroleerd is en daardoor het verbod van treifa zou kunnen overtreden. Daar in dit geval het vlees in iedere geval toch gegeten wordt, spaart het niet controleren meer dan het controleren zou doen, en hij een treifa zou vinden, want dan zouden de consumenten een Tora-verbod overtreden. Maar als hij niet controleert, is het niet treifa omdat wij vertrouwen op de meerderheid.

(De auteur van tsiets Eli’ezer (Responsa IX:36) verwerpt deze beslissing om twee redenen. Ten eerste, zegt hij, de regel dat wij soms tegen een persoon zeggen dat hij moet zondigen [een kleine overtreding maken, door niet te controleren] opdat je collega daar voordeel van heeft [het vermijden van een ernstige overtreding, n.l. het eten van zeker treifa]”  wordt alleen gezegd als de ernstige zonde, zo niet de kleine overtreding, zeker wordt overtreden. In ons geval bestaat er geen zekerheid of het dier treifa gevonden wordt – in tegendeel, waarschijnlijk is het niet treifa. De sjocheet mag niet de overtreding begaan door het niet te controleren. Bovendien, als de sjocheet niet controleert, zondigen zij ook en eten vlees van een ongecontroleerd dier. De regel om iemand een overtreding te laten begaan geldt alleen als daardoor de collega er zeker bij wint zonder te zondigen, terwijl hier deze mensen ook een verbod overtreden door zijn zonde).

Daf 11a: Een meerderheid die zich niet voor ons bevindt.

Een storm in een glas melk: de halachische route van melk tot daadwerkelijke consumptie

Onze soegia behandelt de oorsprong van de wet op de „rov” – het volgen van de meerderheid, en in een paar korte zinnen maakt de gemara onderscheid tussen drie veschillende soorten rov:

1) Bitoel berov [iets dat onbelangrijk wordt door een meerderheid waarin het terecht is gekomen]: Wanneer een verboden en een toegestane substantie met elkaar vermengd raken, dan wordt de status van het mengsel bepaald volgens de meerderheid. Wanneer de meerderheid is toegestaan, dan is het mengsel toegestaan, en als de meerderheid verboden is, is het mengsel verboden. Deze halacha wordt geleerd van het vers „Ga volgens de meerderheid” (Sjemot 23:2).

2) Kol depariesj meroeba pariesj (alles dat afgescheiden is, is afgescheiden van de meerderheid): Een voedsel­bestand­deel waarvan de identiteit niet bekend is, daarvan wordt de identiteit vastgesteld overeenkomstig de meerderheid van het voedsel waaruit het voortkomt. Bijvoorbeeld, wanneer een stuk vlees gevonden wordt in een straat waar negen van de tien slagers kosjer vlees verkopen, en één winkel verkoopt treifa vlees, dan vertrouwen wij erop dat het afkomstig is van de kosjere meerderheid. Deze halacha wordt ook geleerd van bovengenoemd vers.

3) Roeba deleta kaman (Een meerderheid die zich niet voor ons bevindt): De meerdeheid waarover wij het tot nu toe gehad hebben, bevond zich steeds voor ons, was aanwezig. Roeba deleta kaman betreft een meerdeheid die wij niet zien. Bijvoorbeeld, hoe kan het zijn toegestaan dat men de melk van een dier mag drinken? Waarom veronderstellen wij niet dat het treifa is (een dier met een organisch defect, één van de 18 treifot, zoals die in het hoofdstuk Eloe treifot genoemd worden) en dat zijn melk verboden is (J.D. 81:1)? Omdat de meeste dieren niet treifa zijn. Maar in dit geval staan die meeste dieren, waarop ons vertrouwen om melk te drinken gebaseerd is, niet voor ons als een mengsel met de minderheid (het dier wiens melk wij willen drinken), want het betreft hier alle dieren op de wereld. (De bron voor deze meerderheid wordt niet expliciet in de gemara verklaard en Rasji schreef [12, s.v. Pesach] dat dit een halacha van Mosjé van de Berg Sinaï is, of dat deze meerderheid ook uit bovenstaand vers geleerd kan worden).

Melk uit de grote melkindustrie: Wij zullen nu de basisdefinities onderzoeken van de wetten voor de rov, waarbij wij het „melktijdperk”, dat de Tora-wereld in opschudding bracht, nader onderzoeken. Welk tijdperk? Wel, sommigen beweerden dat de melk uit de hedendaagse moderne melkindustrie verboden is.

Een groot percentage dieren is treifa: Zoals gezegd, de melk van een treifa dier is verboden maar wie zijn koe melkt hoeft zich geen zorgen te maken over de vraag of het dier treifa is of niet, daar de meeste dieren niet treifa zijn. Kennelijk is de situatie anders in de grote moderne melkindustrie, waar enorme hoeveelheden melk in gigantische containers verzameld wordt. Een bepaald percentage, veel groter dan een zestigste van de dieren, is treifa (in de grote slachthuizen in Israël blijkt 8,48% van de dieren treifa te zijn en in kleine slachthuizen, die de betere dieren slachten, blijkt 3,38% treifa te zijn. Volgens Europese statistieken van enige jaren geleden bleek 25-30% van de volwassen dieren treifa te zijn en 40-50% van de kalveren! Zie voor een verklaring van dit fenomeen in Mazon Kasjer Min HaChai, III, hoofdstuk 3). Het blijkt dat zonder enige twijfel ongeveer een tiende van de melk in dergelijke enorme melk­con­tai­ners afkomstig is van treifa dieren en er bestaat geen mogelijkheid om dat bateel berov te maken, want de meerderheid moet minstens 60 maal de minderheid zijn (als een rabbijns decreet voor een mengsel van min bemino – twee gelijksoortige bestanddelen, zoals melk vermengd met andere melk). En hier hebben wij het over een meerderheid van slechts negen maal de verboden minderheid! Is dit waar? Er zijn een paar oplossingen en wij presenteren hier de duidelijkste, die uit twee fasen bestaat.

Niet alle dieren moeten beschouwd worden als behorende tot één groep: Het probleem is gebaseerd op de veronderstelling dat wij de melk in de container moeten beschouwen als één lichaam. Maar deze veronderstelling is kennelijk onjuist. Wanneer wij eenmaal vastgesteld hebben dat iedere koe, die gemolken wordt, als niet-treifa gedefiniëerd kan worden en zijn melk dus is toegestaan, veranderen wij deze regel niet meer, ook niet als al de melk door elkaar gemengd wordt, want er is geen fundamentele verandering in de melk opgetreden, die een wijziging van de definitie zou rechtvaardigen. De melk blijft daarom kosjer.

Statistieken wijzen erop dat een minderheid dat treifa is, niet onbelangrijk is in de meerderheid: Wij moeten ons echter nog steeds afvragen of de regel ‘roeba deleta kaman’, op basis waarvan wij ieder dier afzonderlijk kosjer verklaard hebben, ons niet verbiedt alle melk bijelkaar te verbieden. Kennelijk is de regel ‘roeba deleta kaman’ gebaseerd op statistieken, d.w.z. daar de meeste dieren niet treifa zijn, beschouwen wij ieder dier dat wij moeten beoordelen als kosjer, want wij gaan volgens de meerderheid. Maar wanneer wij honderd dieren in één stal bijeen brengen, zegt dezelfde statistiek, die beweert dat de meeste dieren kosjer zijn en op grond waarvan dit ene dier kosjer verklaard kan worden, dat tien van de honderd koeien triefa is en daar er geen meerderheid van 60:1 kosjere dieren is, moeten wij de melk treifa verklaren!

Het verschil tussen een gescheurd kledingstuk en een gebroken glas: Inderdaad, om dit probleem op te lossen moeten wij de oorsprong zoeken van de regel roeba deleta kaman. Deze regel is niet gebaseerd op statistieken maar op de natuur en wij zullen dat uitleggen aan de hand van het volgende voorbeeld. Laten wij veronderstellen dat de meeste kledingstukken gescheurd raken en dat de meeste drinkglazen breken na tien jaar gebruikt te zijn. Hoewel er een logische reden is te veronderstellen dat kleren slijten na verloop van tijd, is er geen logische reden aan te wijzen waarom een glas zou breken na een bepaalde tijd, maar de realiteit is dat een glas in het algemeen tien jaar niet overleeft. Daarom, wanneer wij zeggen dat de meeste dieren niet treifa zijn, bedoelen wij dat volgens de natuur er geen reden is dat dit dier treifa is, want dieren zijn in principe gezond. Deze definitie verandert niet, ook niet wanneer wij honderd dieren bij elkaar brengen, daar de aard van de dieren blijft dat zij niet treifa zijn. De overweging van treifa is als van een uitzonderlijke situatie en wij zijn er nog steeds van overtuigd, zoals in het begin, dat nadat de melk kosjer verklaard is er geen reden is om het treifa te verklaren (zie beit Aharon Jisraël, uitg. 104 en 106; Koveets HaBeër, Nisan 5763 en Nezer HaTora, Sivan 5763).

Door Rav Mordechai Kornfeld van Kollel Iyun Hadaf, Har Nof, Jeroesjalajim

Daf 15: Wachten kedei sjeja’asoe, voordat men mag profiteren van melacha dat door een Jood op Sjabbat verricht werd

De gemara vermeldt de argumenten voor het profiteren van verboden melacha dat op Sjabbat door een Jood verricht werd. Rabbi Meïr meent dat voedsel dat besjogeeg [bij vergissing] op Sjabbat gekookt werd, door iedereen op die Sjabbat gegeten mag worden, ook door degene die het gekookt heeft. Maar voedsel dat bemezied (met opzet) gekookt werd, mag niemand op die Sjabbat eten, maar wel na Sjabbat.

Rabbi Jehoeda zegt dat in het eerste geval iedereen het slechts na Sjabbat mag eten, maar in het tweede geval mag de overtreder het nimmer eten, maar anderen mogen het na Sjabbat eten.

Rabbi Jochanan HaSandlar zegt dat de overtreder nimmer zijn eigen kooksel mag eten, maar dat anderen het alleen mogen eten na Sjabbat wanneer het bij vergissing op Sjabbat gekookt werd.

Wij vinden door de hele gemara (bijv. Sjabbat 15a) dat wanneer een Jood een niet-Jood ten onrechte opdracht geeft een verboden melacha op Sjabbat te doen, de Jood daarvan mag profiteren na Sjabbat pas nadat voldoende tijd is verlopen bichdei sjeja’asoe – hij moet wachten totdat voldoende tijd verstreken is om de melacha na Sjabbat te verrichten. Dus wanneer het 20 minuten duurde voordat het eten, dat de niet-Jood op Sjabbat gekookt heeft, klaar was, dan moet de Jood 20 minuten na Sjabbat wachten, voordat hij het mag eten.

Moet men ook zolang wachten wanneer een Jood een melacha op Sjabbat gedaan heeft?

Rasji schrijft dat men moet wachten bichdei sjeja’asoe in alle gevallen waar men moet wachten tot na Sjabbat. De Behag en de Ramban zijn het daarmee eens.

De Rambam echter (Hilchot Sjabbat 6:23) beslist dat wanneer een Jood een melacha gedaan heeft op Sjabbat, waar­op men na Sjabbat gebruik mag maken, dat onmiddellijk na afloop van Sjabbat mag. Dit is ook de mening van Rab­beinoe Jona (genoemd in de Magid Misjnee, de Rosj, de Ran en vele andere Risjoniem [zie Beit Joseef O.Ch. 318:1]).

Waarom zijn wij, volgens al deze Risjoniem minder streng voor wat een Jood doet, (die een issoer d’oraita heeft overtreden) dan voor wat een niet-Jood doet op verzoek van een Jood (hetgeen slechts een verbod van de Rabbijnen is)?

De Beit Joseef en anderen leggen uit dat mensen eerder laks zijn met het verbod om een niet-Jood te vragen iets te doen wat een Jood verboden is te doen. Wanneer wij het toestaan dat de Jood onmiddellijk na Sjabbat profiteert van de melacha die de niet-Jood voor de Jood gedaan heeft, dan vraagt hij het hem de volgende Sjabbat weer. Maar wij zijn niet bang dat de Jood zijn vergissing de volgende Sjabbat herhaalt.