Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
26 Sjewat 5764 Traktaat Choelien 16-22 Nr. 50

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 246 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 15b: Wie slacht met iets wat vastzit aan de grond

Het probleem van de bloemen in Bnei Brak

Welk halachisch verband kan er bestaan tussen een sjechita-mes, de bloemen in Rabbi Tarfonstraat in Bnei Brak, HaGaon Rabbi Meïr Shapira zts”l, de grondlegger van de Daf HaJomi, en een loelav en etrog die nog vastzitten aan de grond? Deze soegia verbindt ze inderdaad allemaal met elkaar.

Rebbi en Rabbi Chia hebben in onze gemara een meningsverschil over de vraag of een slachtmes dat aan de grond vastzit, gebruikt mag worden om te slachten. Rebbi meent dat sjechita met een mes dat vastzit niet kosjer is, zoals ons verteld wordt over Awraham: „…en hij nam het mes[Ber. 32:10], hetgeen betekent dat hij de bedoeling had te slachten met een mes dat niet ergens aan vastzat, want een mes dat vastzit aan de grond kan men niet van zijn plaats nemen.

De beracha voor de geur van niet geplukte rozen: Oude inwoners van Bnei Brak herinneren zich ongetwijfeld nog de Rabbi Tarfonstraat, toen die nog een boulevard was met geurende bloemen. Reb Itche Erlich, een inwoner uit die tijd, vroeg de schrijver van Erets Tswi van Kozhilov of men een beracha mag zeggen over de geur van die bloemen. Gewoonlijk zegt men die beracha  alleen over planten, wanneer die ergens voor hun geur zijn neergezet [Sjoelchan Aroech O.Ch. 217 en Mageen Awraham], terwijl deze rozen daar waren geplant voor het mooi en zij bovendien nog aan de grond vastzaten.

Een plant die vastzit „nemen”: De schrijver van Erets Tswi bespreekt het onderwerp en noemt de beslissing van de Prie Megadiem [217] en de Sjoelchan Aroech HaRav [eind paragraaf 2 en Seder Birchot Hanehenien 11:20] betreffende iets dat nog niet bedoeld is [omeed] voor zijn geur en dat men wil pakken om eraan te ruiken, dat hij daarvoor een beracha moet zeggen, omdat het in zijn hand geplaatst werd om eraan te ruiken [en zo is de halacha beslist in de Misjna Beroera 217:1]. Daarom moet iemand die voorbij een rij geurige planten komt en er een of twee vastpakt om eraan te ruiken, kennelijk een beracha zeggen over hun geur.

Echter, de Erets Tswi beweert dat onze soegia dit stellig bestrijdt, omdat, zoals men geen mes dat vastzit kan „nemen”, men ook geen plant die vastzit, kan „nemen”. Het is alsof de plant alleen maar heen en weer zwaait zonder van plaats te veranderen – de hand is niet een „nieuwe plaats” voor iets dat nog vastzit.

Het verschil tussen „nemen” en „plaatsen”: Na deze ingenieuze opmerking trekt hij de verwerping weer in en beweert dat de twee situaties niet met elkaar kunnen worden vergeleken. Toegegeven, „nemen” betekent  dat men een voorwerp verplaatst van de ene plaats naar de andere, maar het is mogelijk dat de verplichting om een beracha te zeggen voor een geur niet vereist dat men de plant van plaats verandert. Misschien is het voldoende als men de plant in een andere positie brengt om eraan te ruiken, en misschien mag men het vastgrijpen van de plant beschouwen als het veranderen van positie [Erts Tswi II:13; en zie Chazon Iesj O.Ch. 35:7, die schreef: „Wanneer hij dichtbij komt om eraan te ruiken, dan is dat alsof hij de plant heeft vastgegrepen;” en zie ook dat volgens de Gaon van Wilna men geen beracha zou moeten zeggen, zelfs niet wanneer men de plant vastgrijpt; zie ook Wezot Haberacha hoofdstuk 19, blz. 178].

Het opnemen van de vier soorten met een ongeplukte wilgentak: Het antwoord van de Erets Tswi is gebaseerd op de veronderstelling dat men iets wat vastzit niet kan „nemen”. Echter, HaGaon Rabbi Meïr Shapira van Lublin beweerde dat men wel iets wat vastzit kan nemen. Hij behandelt dit probleem in verband met een enorme chidoesj van de auteur van Noda BiJehoeda, in het kort genoemd in zijn Tsioen Lenefesj Chaja [Tslach, Sjabbat 131], dat men de mitswa van de vier soorten [voor Soekot] zelfs kan doen als zij nog aan de grond vastzitten! Hoe is dat mogelijk? Ten slotte wordt ons met betrekking tot de mitswa van de vier soorten geboden: „en je zult ze nemen” [Wajj. 23:40] en net zoals onze soegia uitlegt dat men een mes dat vastzit niet kan „nemen”, zo ook kan men een wilgentak [de arawa] niet „nemen” als hij nog vastzit aan de boom! [Erets Tswi, t.a.p.].

Men kan een voorwerp dat vastzit „nemen”: Rabbi Shapira lost het probleem als volgt op. Tosafot [s.v. Minajin] legt uit dat de gemara van het vers „en hij nam het mes” leert dat men moet slachten met een mes dat nergens aan vastzit, omdat de Tora niet zegt „en hij prepareerde het mes.” Wij leren hiervan dat de uitdrukking „nemen” ook betrekking kan hebben op iets dat wel vastzit maar dat Chazal op basis van de verandering van de bewoording van dit vers geïnterpreteerd hebben, dat men moet slachten met een mes dat nergens aan vastzit. Maar wij kunnen van deze gemara niet leren dat overal waar „nemen” genoemd wordt, het alleen betrekking heeft op iets dat los zit [voor wat betreft de chidoesj van Tslach , zie Arba’at HaMiniem Hasjaleem, blz. 418, waar verschillende meningen genoemd worden over de vraag of men de vier soorten moet opheffen of dat het voldoende is als men ze vasthoudt].

Daf 16a: Hoe weten wij dat men slacht  met iets dat los zit

Rabbi Akiwa Eigers vraag over onze soegia

HaGaon Rabbi Akiwa Eiger zts”l schreef een brief aan zijn vader en aan het eind daarvan stelde hij een ingewikkelde vraag, die in zijn werk [Responsa Rabbi Akiwa Eiger 51] genoemd wordt en waar hij opkwam toen hij een halacha in de Sjoelchan Aroech leerde in verband met onze Soegia: „Ik heb hier de Sjoelchan Aroech, J.D. 6:2: ‘Wie slacht met iets wat vastzit aan de grond of aan een lichaam, zoals een tand of een nagel die vastzit aan een dier’.”  Hij noemt het probleem dat onze misjna beslist dat men niet mag slachten met een tand of nagel die vastzit, maar dat het niet zegt of het een mens of een dier bedoelt.

„Zijn zoon, dienaar en leerling, Akiwa”: Ikzelf, zegt Rabbi Akiwa, zou zeggen dat de misjna het alleen heeft over een tand of nagel van een mens, omdat wij in de Talmoed zien dat mensen [slaven] vergeleken worden met land en daarom wordt de tand of nagel van een mens beschouwd alsof het vastzit zoals aan de grond, maar wat is de bron van de Sjoelchan Aroech om daar ook dieren bij te betrekken? Die worden niet vergeleken met land! De briljante Gaon, waarvan ieder woord nog steeds door honderdduizenden vereerd wordt, eindigt zijn brief aan zijn vader met de woorden: „zijn zoon, dienaar en leerling, Akiwa.”

Het verschil tussen „land” en „verbonden” en tussen „los” en „vee”: HaGaon Rabbi Meïr Michel Rabinovitz zts”l, een van de grote Rabbijnen van Litouwen, die Av Beit Din was van Shat en Dajan in Wilna, tracht Rabbi Eigers probleem op te lossen door de uitdrukking „land” te scheiden van de uitdrukking „verbonden” en de uitdrukking „los” van de uitdrukking „vee”.

Iemand die de hele wereld gekocht had: De halacha is algemeen bekend, dat er met land geen fraude [ona’a] kan bestaan [wanneer men te veel betaalt, wordt dat niet beschouwd als een aankoop uit vergissing], daar Chazal [in Bawa Metsia 56b] uit een vers afleidde dat ona’a alleen betrekking heeft op vee. Deze halacha, zegt Rabbi Rabinovitz, komt niet voort uit het feit dat land „vast” is en vee „los” maar omdat land gedefiniëerd wordt als eigendom dat zich niet verplaatst [en vee verplaatst zich wel]. Hij licht dat nader toe met een fraaie parabel. Laten wij ons eens voorstellen dat iemand beweert dat hij al het land van de wereld gekocht heeft en dat dus heel de Aarde van hem is. De planeet Aarde zit nergens aan vast: zij is los. Kan er fraude zijn in zo een geval? Natuurlijk niet, want wij concentreren ons niet op los of vast, maar op land als zodanig.

Aan de andere kant, wanneer slachten verboden werd met een mes dat vastzit, was de bedoeling daarvan sjechita te verbieden met een voorwerp dat vastzit aan zijn natuurlijke plaats, zelfs al kan het van plaats veranderen, zoals een nagel die aan een lichaam van een mens of dier vastzit. Die wordt beschouwd als vast te zitten, hoewel hij kan bewegen. Wel, wanneer de basis van de regel dat „er is geen sjechita met een voorwerp dat vastzit” is, dat men niet mag slachten met land, dan zouden wij niet kunnen begrijpen waarom men niet met een tand of dier mag slachten. Dat is tenslotte geen land. Echter, de halacha zegt: „Er is geen sjechita met iets dat vastzit” en het bekommert zich niet om het soort mes, maar alleen om waar het is: zit het ergens aan vast of niet. Dus zelfs iets dat niet aan land vastzit, is ongeschikt voor sjechita, als het ergens aan vastzit en daarom beslist de Sjoelchan Aroech dat een nagel of tand van een dier ongeschikt zijn om mee te slachten. [Zie daar ook voor een vraag over Rabbi Akiwa’s vergelijking tussen slaven die vergeleken worden met land” en sjechita met een vastzittend voor­werp. De vergelijking van slaven met land geldt alleen in financiële aangelegenheden].

Daf 16b: Maar wanneer het mes aan de onderkant is en de hals van boven, dan vrezen wij dat hij misschien [met het mes] drukt

Een kort overzicht van de verschillende machines voor slachten en hun halachische betekenis

In dit artikel zullen wij de praktische aspecten van het slachten behandelen – hoe het dier wordt omgedraaid en wie erop toezicht houdt dat het zijn kop niet beweegt – en zullen wij de halachische problemen bespreken die de diverse machines, die werden uitgevonden om het dier omver te gooien en vast te houden, meebrengen.

Vroeger kon een sjocheet met zijn helpers een dier op verschillende manieren neerleggen. Sterke mannen hielden het dan vast zodat het zijn kop niet zou bewegen, totdat het slachten gebeurd was. Deze methode vergde veel tijd en mankracht en daarom was er grote vraag naar de machines die hiervoor werden uitgevonden.

De Weinbergmachine en de Joegoslavische methode:  De eerste machine werd de Weinbergmachine genoemd, naar de sjocheet die hem ongeveer 80 jaar geleden had uitgevonden. Hij maakte een kist op een as [zoiets als een wasmachine]. Aan de voorkant maakte hij een opening, waardoor het dier de kist in kon, en aan de andere kant was een gat waardoor het dier zijn kop stak. Wanneer het de kist binnenging, werd de deur gesloten, de kist 180 graden gekanteld en de sjocheet stond tegenover een vastzittend dier, dat op zijn rug lag en zijn nek naar buiten stak, klaar om te worden geslacht. Met deze Weinberg machine kon men meer dan 30 dieren per uur slachten! Echter, nadat bleek dat het dier danig in elkaar geslagen werd  wanneer het in de kist omgedraaid werd, werd de kist niet meer gebruikt en in vele landen verbood de regering het zelfs om te gebruiken. Behalve dat, in de Verenigde Staten was op de grond slachten verboden om hygiënische redenen en sindsdien was het ook onmogelijk om de „Joegoslavische methode” of de „tuimelmethode” te gebruiken, die uitgingen van hetzelfde principe: het dier ging in een kooi, zijn poten werden vastgeboden en wanneer de vloer van de kooi geopend werd, gleed het dier op zijn rug op de grond, met zijn vastgebonden poten naar boven.

Zestig jaar geleden kwam in Canda en de Verenigde Staten de Box-machine in gebruik. Het dier werd in een kooi gedaan en nadat de deuren daarvan gesloten werden, perste hydraulische wanden tegen het dier en zo werd voorkomen dat het zich bewoog. De dier steekt zijn kop door een raampje naar buiten en legt het op iets dat de kop omhoog heft en het in die stand houdt, waarna de sjocheet zijn werk kan doen.

Het slachten van een dier terwijl het staat: Het nieuwtje van deze methode was dat het dier geslacht werd terwijl het stond! Op die manier moet men er zorg voor dragen dat het slachten zorgvuldig gebeurt daar een dier dat geslacht wordt terwijl het staat nevela is! Tijdens het sjechita-proces zal het dier zijn kop omlaag bewegen en het is een halacha die is overleverd van Mosjé van de Berg Sinaï, dat derasj veroorzaakt dat het dier nevela is – d.w.z. de sjocheet moet met het mes door de hals van het dier snijden zonder druk uit te oefenen met het mes, totdat het geslacht is, door uitsluitend de heen en weer gaande snijbeweging van het mes. Wanneer er druk op het mes wordt uitgeoefend door de slachter of door het dier [dat met zijn kop op het mes drukt doordat hij zijn kop halver wege het slachtproces laat hangen] dan wordt de sjechita afgekeurd. Vandaar dat het te slachten dier op zijn rug wordt gelegd].

Onze soegia behandelt dit probleem uitgebreid en de poskiem discusiëren er uitgebreid over. Iedereen komt tot de conclusie dat onze soegia erop wijst dat het slachten van een dier dat staat, terwijl zijn kop stevig wordt vastge­houden, lechatchila is toegestaan – zelfs als eerste voorkeur [zie sjach J.D. 6:8; Prie Chadasj ibid 11e.a.].

De kop van het dier moet aan alle kanten worden vastgehouden: De auteur van Minchat HaZevach (klal 3 in Komets, se’ief 6 en in Isaron 20), die een geëerd sjocheet oebodeek was in grote gemeenschappen, zoals blijkt uit de Arogot HaBosem (J.D. 3) schrijft dat in ieder geval de traditionele methode van sjechita, waarbij de nek van het dier naar de sjocheet is toegekeerd, de aanbevolen slachtmethode is, en geprefereerd wordt boven een dier dat staat, zelfs al wordt zijn kop vastgehouden. HaGaon Rav Jitschak Weiss zts”l legt uit dat er toch vrees blijft bestaan dat het dier zijn kop omhoog zal bewegen of naar opzij en dat de sjocheet daarbij een moment zal onderbreken, waardoor het slachten gediskwalificeerd wordt wegens sjehieja [vertraging]. Maar de auteur van Minchat Jitschak schrijft dat wanneer de kop van het dier aan alle kanten is vastgebonden, zodat het in het geheel niet kan bewegen, dan is de sjechita lechatchila kosjer.

Nieuwe training voor ervaren sjochetiem: Desalniettemin wijst hij erop dat sjochtiem die gewend zijn omlaag te slachten, waarbij het dier met zijn rug op de grond ligt, speciaal getraind moeten worden om gewend te raken te slachten als het dier staat. Zij kunnen de plaats waar zij slachten niet zien en kunnen niet zien of de simaniem [de luchtpijp en slokdarm] naar behoren zijn doorgesneden. Ze kunnen het alleen voelen met hun handen. [Zie Responsa Igrot Moshe J.D. II:13; Response Har Tswi , J.D. 11; het artikel van HaGaon Rav Z. Sorotzkin zts”l in de collectie Sja’arei Tora, 40-50, Jeroesjalajim, 5721; Responsa ‘Ama Dewar 1].

Daf 17a: Stukken vlees van niet-kosjer geslachte dieren die de Israëlieten meenamen naar het [Heilige] land

Vlees dat over is gebleven van Sjabbat Chazon

Rabbi Akiwa en Rabbi Jisjmaël hebben een meningsverschil in onze gemara over de vraag of het onze voorouders verboden was vlees van niet-halachisch geslachte dieren te eten [basar nechira] voordat zij Erets Jisraël binnengingen [dus toen zij nog door de woestijn zwierven]. Volgens Rabbi Akiwa werd het verbod pas van kracht toen zij Erets Jisraël binnentrokken. Rabbi Jeremia stelt daarop de vraag of onze voorouders het basar nechira, dat zij bij zich hadden op het moment dat zij Erets Jisraël binnengingen en het gebod op sjechita van kracht werd, moesten weggooien, of dat het verbod daarop pas inging voor nieuw geslacht vlees vanaf dat moment en mochten zij dat basar nechira nog eten?

Rasji: „De waarheid moet aan het licht komen”: De vraag van Rabbi Jeremia blijft tekoe – onbeantwoord. Maar Rasji schrijft, dat hoewel de vraag geen praktische betekenis meer heeft tegenwoordig, omdat hij alleen relavant was in die historische periode, hij toch belangrijk is en „wij de waarheid moeten ontdekken, om de aard van het gebod beter te begrijpen.”

De Rosj: „Wij vinden geen enkele vraag in de Talmoed zonder noodzaak”: De Rosj haalt Rasji aan en is het absoluut niet met hem eens. Natuurlijk moeten wij verzen in Tanach ophelderen, ook al hebben zij geen praktische halachische betekenis meer maar de Babylonische Talmoed bediscusiëert niet nodeloos allerlei onderwerpen. Er is geen reden om datgene wat er gebeurde nader te onderzoeken en een antwoord voegt niets toe aan een beter begrip van het vers of van de halacha. Hij verklaart daarom dat Rabbi Jeremia’s vraag zeer relevant is voor het praktische leven – zoals: wat was de halacha als een Jood niet-Joodse kaas in zijn bezit had ten tijde dat Chazal het verbod op het eten van kaas, door niet-Joden gemaakt, instelden. Daar zij daarvoor die kaas in hun bezit moch­ten hebben en zelfs mochten eten, gold dit verbod misschien alleen op nieuw gemaakte of nieuw gekochte kaas?

De Poskiem hebben dit toegepast op vlees dat over is gebleven van Sjabbat Chazon.

Het eten van vlees in de week van Tisja BeAv: Birkei Joseef zegt [in O.Ch. 551] dat er poskiem waren die het toestonden dat vlees, dat over was van een Sjabbat-maaltijd in de week van Tisja BeAv, gegeten werd, omdat Rabbi Jeremia de mogelijkheid kennelijk overwoog dat basar nechira, dat voorheen was toegestaan, niet verboden werd. Wanneer hij twijfels had over een verbod van Tora, dan kunnen wij betreffende het niet eten van vlees gedurende de negen dagen, hetgeen slechts een minhag is, zeker soepel zijn en zeggen dat aangezien het vlees ooit, namelijk op Sjabbat geoorloofd was, het nu niet op een werkdag verboden wordt [zie Piskei ‘Olam, ibid, se’ief 32, in naam van Nechpa Bakesef 3; Pischei Tesjoewa, ibid].

Wij kunnen geen slimme plannetjes bedenken: Sja’arei Tesjoewa merkt op [S.K. 111] dat iemand die slim wil zijn en een extra hoeveelheid vlees voor Sjabbat bereidt, om dat op een werkdag daarna op te eten, zich vergist, want alleen de hoeveelheid die nodig is voor Sjabbat is toegestaan. De extra hoeveelheid was nimmer toegestaan.

We kunnen basar nechira niet vergelijken met vlees in de week van Tisja BeAv: Vele poskiem waren het oneens met deze chidoesj en maakten onderscheid tussen basar nechira en het eten van vlees in de negen dagen. Het meest duidelijke verschil is, dat waar basar nechira verboden was op grond van zijn essentie, vlees in de Negen Dagen niet verboden is zoals varkensvlees verboden is. Het is de gewoonte dat men in die periode geen vlees eet. Daarom is de vergelijking tussen die twee situaties uiterst zwak, daar basar nechira eerst was toegestaan en daarna verboden en Rabbi Jeremia er twijfel over had of de toestemming voor dat vlees verdween met het verbod. ER bestaat echter geen „verbod” op vlees als zodanig in de Negen dagen en er bestaat geen „permissie” om het op Sjabbat te eten, maar er bestaat een gewoonte om het gedurende die Negen Dagen niet te eten, behalve op Sjabbat. Sja’arei Tesjoewa besluit het onderwerp met te zeggen dat hij nooit gehoord had in zijn provincie van iemand die soepel was in de Negen Dagen en vlees at, dat van Sjabbat Chazon was overgebleven en dat iemand die daar soepel mee is, tegen de gewoonte ingaat. [Bovendien bestaat dit probleem alleen op het moment dat het verbod werd ingevoerd, op een moment dat het voedsel geoorloofd was; echter betreffende de Negen Dagen was het oorspronkelijk ingesteld dat men alleen geen vlees eet op de werkdagen].

 

Door Rav Mordechai Kornfeld van Kollel Iyun Hadaf, Har Nof, Jeroesjalajim

Daf 19b Wanneer het leven verdwijnt door een snee buiten de toegestane grenzen, is de sjechita niet geldig

De grootte van de snee bij hagrama die de sjechita ongeldig maakt

De Tana Kama in de misjna [18a] beweert dat zelfs de kleinste hoeveelheid „hagrama” (afwijking van de snee boven het punt dat de grens vormt van de nek waarop sjechita gedaan mag worden) de sjechita ongeldig maakt. Rabbi Jossie bar Rabbi Jehoeda is het er niet mee eens en beweert dat zolang als het grootste deel van de snee in het geoorloofde gebied gebeurd is, en slechts een minderheid van de snee buiten het toegestane gebied gedaan werd, de sjechita geldig is.

Hoe is de Halacha?

RASJI [30b, dh Teikoe] meent dat de halacha de Rabbanan [de Tana Kama] volgt. De gemara vraagt daar of de sjechita geldig is of niet in een geval waarin de sjocheet chalada doet (als hij het mes midden in de dikte van de nek steekt en van daar naar buiten snijdt) op een minderheid van de simaniem. De gemara lost het probleem daar niet op (Tekoe).

RASJI legt uit dat de gemara daar een situatie bespreekt waarin een meerderheid van de simaniem op de juiste wijze werden geslacht, en nadat dat gebeurd was, deed de sjocheet chalada of hagrama. Dit is in over­een­stem­ming met de mening van de Rabbanan van de misjna hier [daf 18a], waar zij menen dat zelfs als een klein deel van de snee van sjechita met hagrama gedaan werd, de sjechita ongeldig is.

De andere Risjoniem zijn het niet eens met Rasji. Zij verklaren dat het laatste deel van de snee van de sjechita (een minderheid) de sjechita alleen kan diskwalificeren door chalada of sjehieja (pauzeren midden tijdens het slachten). Daarentegen, wanneer een klein deel van de snee van de sjechita met hagrama gebeurt of met Ikoer (het scheuren van de simaniem in plaats van ze te snijden), kan dat de sjechita niet ongeldig maken. Daar de hagrama-snee gebeurde boven het voor de sjechita bestemde gebied, kan het niet beschouwd worden als een deel van de sjechita en daarom wordt het beschouwd alsof men gewoon vlees snijdt en geen sjechita doet. (Hagrama diskwalificeert de sjechita alleen wanneer het gedaan wordt voordat het grootste deel van de simaniem zijn doogesneden.)

Daar de gemara [18a] het duidelijk eens is met de mening van Rabbi Jossi bar Jehoeda, is het duidelijk dat als de sjocheet hagrama doet in het laatste deel van de snee, de sjechita nog steeds geldig is.

De RASJBA is het eens met Rasji, dat hagrama in het begin van de sjechita de rest van sjechita ongeldig maakt (zelfs als het grootste deel van de sjechita gedaan werd zonder hagrama [zie 19a, Lisjna acharina].

De RAMBAN (in Milchamot) meent dat zolang als het merendeel van de simaniem correct werden doorgesneden, de sjechita geldig is, zelfs als die meerderheid het laatste twee-derde deel van de sjechita is.

De RAMBAM, ROSJ en TOER beslissen dat zolang als de meerderheid van de hele sjechita correct gedaan werd, de sjechita geldig is. Zelfs als het eerste derde deel correct was, het tweede derde deel gedaan werd met hagrama en het laatste derde deel weer correct gedaan werd, dan nog is de sjechita geldig (want bij elkaar werd tweederde van de sjechita gedaan op het daarvoor bestemde deel van de nek).

HALACHA: De Sjoelchan AroechJore Dea 24:12-13 beslist overeenkomstig de Rambam. De Rema zegt dat het de gewoonte is om machmier te zijn overeenkomstig Rasji [Z. Wainstein].