Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
16 Adar 5764 Traktaat Choelien 30-43 Nr. 52

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 248 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 29a

Bestaat er sjechita lechatchila en sjechita bedi’avad?

Vorige week hebben wij uitgebreid gesproken over de regel dat „de meerderheid is als het geheel” (roebo kekoelo). Volgens deze regel mag een dier gegeten worden  als het grootste deel van de (diameter)  van de luchtpijp en de slokdarm (de simaniem) is doorgesneden. In dit artikel zullen wij ons concentreren op de vraag waarom, ondanks roebo kekoelo, men bij bij voorkeur (lechatchila) toch de hele siman moet doorsnijden en men niet tevreden moet zijn met slechts het grootste deel ervan (27a; Sjoelchan Aroech J.D. 21:1).

Het verschil tussen de vier bekers en sjechita: Inderdaad, sjechita is niet de enige mitswa waarbij men lechatchila niet moet vertrouwen op de regel roebo kekoelo. Betreffende de mitswa van de vier bekers op de seder­-avond is het voorschrift (Misjna Beroera 472:30) dat lechatchila  men de hele beker moet drinken, maar dat iemand die het merendeel van de beker drinkt, zijn plicht gedaan heeft, wegens roebo kekoelo. In feite geeft Rasji reeds aan (21b, beg.w. Weëino mavdiel) dat de regel roebo kekoelo alleen bedi’avad (aposteriori – als het eenmaal gebeurd is) geldt. Daarom bepaalt onze Gemara dat men bij voorkeur de hele siman moet doorsnijden, omdat dat een halacha is van de Tora, omdat men er zorg voor moet dragen dat men de woorden van Tora volledig uitvoert (zie Responsa Beit HaLevi II, 11, ot 5). De Acheroniem leggen er echter de nadruk op, dat volgens Tosafot de eis, dat men bij voorkeur de simaniem helemaal moet doorsnijden, een uitspraak van de Rabbijnen is. Hoewel men bij de vier bekers en soortgelijke mitswot moet vermijden de mitswa alleen maar uit te voeren door middel van roebo kekoelo, is sjechita anders, omdat daar geen lechatchila en bedi’avad geldt. Sjechita is òf kosjer of niet (en dat wat er in de Gemara staat, dat lechatchila men de hele siman moet doorsnijden, is een Rabbinale voorzorgsmaatregel, die vereist is omdat de sjocheet wellicht niet kan waarnemen of hij al de hele siman heeft doorgesneden of niet. En dan kan achteraf blijken dat hij het dier helemaal niet geslacht heeft [als hij niet het grootste deel heeft doorgesneden]. De Acheroniem verklaren het principiële verschil tussen de mitswa van de vier bekers en sjechita als volgt:

Een mitswa die een middel is en een mitswa die een doel op zich is: De Tosafot leerden ons een belangrijk principe (Nida 66b, beg.w. Kol): Er kan alleen lechatchila en bedi’avad zijn voor mitswot die een doel op zich zijn, maar voor mitswot die bedoeld zijn om een resultaat te verkrijgen, bestaat geen lechatchila en bedi’avad. Om de diepere betekenis van deze uitspraak te begrijpen, moeten we de twee mitswot, sjechita en de vier bekers, nader bekijken. Wij zullen dan ontdekken dat er een groot verschil tussen hen is. De mitswa van sjechita is bedoeld om een dier geschikt te maken voor consumptie, terwijl de mitswa van de vier bekers bedoeld is om… de mitswa te doen. Er bestaat daarbij geen praktisch resultaat of doel. De mitswa is geen middel. Het is het begin en het eind. Wij moeten daarom de mitswa van de vier bekers lechatchila doen op een manier zoals Hasjem dat geboden heeft, en het moet gedaan worden op de beste manier. De mitswa van sjechita is echter anders, want het is slechts een middel om het vlees geoorloofd te maken voor consumptie. Daar er geen kosjer vlees lechatchila of bedi’avad bestaat, maar alleen vlees dat volledig kosjer is of volledig treifa, is er geen logische reden om daar lechatchila of bedi’avad  toe te passen op de manier waarop de mitswa van sjechita wordt uitgevoerd: het resultaat is altijd lechatchila.

Men kan natuurlijk halachot van sjechita uitvoeren op een voorkeur manier, maar dat is niet gebaseerd op het fundamentele principe van die halachot maar op grond van externe overwegingen, zoals een meningsverschil van de poskiem dat niet beslist is, een verdenking van halachische onduidelijkheid of iets dergelijks.

Er bestaat geen „bijvoorkeur onderdompeling”: De Tosafot geven hun mening betreffende de onderdompeling in een mikwe. Iedereen weet dat om rein te worden in een mikwe, men met zijn hele lichaam in contact moet komen met het water. Kunnen wij zeggen dat bedi’avad iemand die met het grootste deel van zijn lichaam in contact met het mikwe-water is gekomen, rein is, maar dat hij lechatchila zich helemaal moet onderdompelen? Zeker niet! Want de mitswa van onderdompeling is het resultaat – de reiniging – en begrippen als bedi’avad en lechatchila hebben dan geen logische betekenis in dit verband, want men is rein of niet rein, in absolute betekenis. Er is dus geen logische reden om het middel tot het doel op een preferente manier te doen, want het resultaat is altijd hetzelfde.

Er bestaat geen „bijvoorkeur” echtscheiding: Hier is nog een ander voorbeeld: De Tosafot zeggen (Gittin 3b) betreffende een get – een echtscheidingsakte – dat er geen lechatchila of bedi’avad bestaat. Kunnen wij ons voorstellen dat sommige vrouwen bedi’avad gescheiden worden? Zij is òf getrouwd, òf ge­scheiden. Het begrip bedi’avad heeft hier geen betekenis. (Zie ook Beit HaLevi II, eind 14, dat de hiergenoemde Tosafot een punt van discussie is).

Daf 33a

Als men een niet-Joodse dienstmeid de resten van de tsjolent geeft

Is het toegestaan een niet-Jood de ingewanden van een dier te geven om te eten? De bron voor dit probleem is niet in de Acheroniem, noch in de Risjoniem en zelfs niet bij de Geoniem te vinden maar in onze Gemara. Het probleem ontstaat uit de manier waarop het dier geslacht is. De twee simaniem, de luchtpijp en de slokdarm, worden niet te gelijker tijd door gesneden. De luchtlijp zit aan de voorkant en wordt dus eerst doorgesneden en daarna de slokdarm. Daar de longen vastzitten aan de luchtpijp, waarvan zij hun lucht krijgen, worden zij dus van het dier gescheiden vóór het einde van de sjechita, als de slokdarm nog niet is doorgesneden. Maar toch mag een Jood de longen eten. Daar Tora ons geboden heeft op deze manier te slachten, is dat de manier waarop het dier voor ons is toegestaan, hoewel andere ledematen die van het dier verwijderd zijn, voordat de tweede siman is doorgesneden, verboden zijn.

Niet-Joden zijn geen sjechita verplicht en voor hen heeft sjechita geen enkele betekenis. Voor hen is het een stervend dier, waarvan een lichaamsdeel werd verwijderd, terwijl het nog leefde, en dat is verboden, want het is een „‘ever min hachai” – een lichaamsdeel van een levend dier – hetgeen ook voor niet-Joden verboden is. Rav Acha bar Ja’akov meent inderdaad dat de longen en ingewanden, die van een dier werden afgesneden voordat het stierf, verboden zijn voor niet-Joden. Maar de Gemara citeert Rav Papa’s mening: „Bestaat er iets dat voor Joden is toegestaan maar dat voor niet-Joden verbo­den is?” Met andere woorden, het kan waar zijn dat er enig voedsel bestaat dat de Joden wel, maar niet-Joden niet mogen eten?

De basis regel wordt elders aangehaald (Sanhedrin 59a; Tosafot, Choelien 102a). Wat is het principe waarop deze regel gebaseerd is? Er zijn twee mogelijkheden.

Kal wachomer: het is toegestaan voor een Jood, dus is het zeker toegestaan voor een niet-Jood: Wij kunnen deze regel begrijpen op grond van basis op waarden: Joden, koningskinderen, vormen een speciaal volk. Wanneer Hasjem hen heeft toegestaan bepaald voedsel te eten, dan heeft Hij dat zeker niet verboden aan niet-Joden.

Een Jood is het „kasjroet-certificaat” voor een niet-Jood: Wij kunnen deze regel ook opvatten als een kasjroet-certificaat: Wanneer het een Jood is toegestaan om bepaald voedsel te eten, dan is dat het beste „kasjroet-certificaat”, of aanwijzing dat het voedsel ook aan niet-Joden gegeven mag worden. Wij kunnen deze twee definities in twee woorden samenvatten: simaneen aanwijzing, of siba een reden. Met andere woorden, is het blote feit dat voedsel geoorloofd is voor Hasjems uitverkoren volk een reden om het toe te staan aan niet-Joden of is het alleen maar een aanwijzing?

Het verschil tussen de twee wordt duidelijk als er een reden is om een niet-Jood te verhinderen om bepaald voedsel te eten, zoals in onze Gemara – de ingewanden die beschouwd worden als verwijderd te zijn voordat de sjechita volledig was. Voor een niet-Jood is sjechita zonder betekenis, dus is er geen reden om te zeggen dat hij de ingewanden, die een Jood wel mag eten, mag eten. In dit geval moet de aanwijzing voor kasjroet plaatsmaken voor nieuwe overwegingen. Maar wanneer wij de eerste mogelijkheid volgen, namelijk dat het feit dat een Jood het mag eten op zichzelf een reden is waarom een niet-Jood het mag eten, dan is die reden nog steeds geldig. Op deze manier kunnen wij onze Gemara begrijpen, als die zegt dat de ingewanden zijn toegestaan voor een niet-Jood. Dit vormt de sleutel tot een beter begrip van Tosafot op onze soegia en een zeer belangrijk en fundamenteel verschil van mening van de Risjoniem over hoe de halacha is betreffende ingewanden (Rambam, Hilchot Melachiem 9:12-13 en in Kesef Misjnee en Lechem Misjnee; Toel Sjoelchan Aroech J.D. 27).

Daf 31a

Moeten voorwerpen die in een mikwe zijn gevallen, nogmaals getouweld worden?

Een voorwerp dat het eigendom was van een niet-Jood en nu het eigendom is van een Jood, moet worden getouweld – onder­gedompeld – in een mikwe [ritueel bad]. In dit artikel zullen wij een paar praktische vragen bespreken die in ieder huis kunnen opkomen.

Mag een niet-Jood voorwerpen voor een Jood touwelen? Een Fillipijnse hulp begeleidde een huisvrouw naar het keiliem-mikwe en gaf haar de voorwerpen aan die getouweld [ondergedompeld in het mikwe] moesten worden. Het duurde nogal lang, en daarom besloot de hulp de gang van zaken wat te verhaasten: iedere keer als de huisvrouw een voorwerp onderdompelde, deed de hulp dat ook. Is dat een geldige tevila – onderdompeling? Of moeten zij opnieuw getouweld worden?

Het antwoord op deze vraag is te vinden in onze soegia.

Sjechita heeft geen intentie nodig: Onze soegia behandelt de vraag of een sjocheet zich moet concentreren op datgene wat hij doet. Rabbi Natan, volgens wie de halacha beslist is (Sjoelchan Aroech J.D. 3), gelooft dat „sjechita choelien [sjechita van ongewijde dieren, voor dagelijkse consumptie] geen intentie nodig heeft; ook al was het slechts zijn bedoeling om iets door te snijden, of als hij een mes naar een muur gooide en het mes daarbij ‘onderweg naar de muur’ een dier kosjer de hals doorsneed, dan is het kosjer geslacht.” Dit alles geldt wanneer het mes een dier slachtte door een menselijke handeling. Maar wanneer een mes valt, en daarbij een dier slacht, is de sjechita niet kosjer, want sjechita heeft menselijke actie nodig.

Onze Gemara verklaart dat de mitswa van onderdompeling in een mikwe te vergelijken is met sjechita. Hoewel er geen noodzaak is van een menselijke aktie om de mitswa van onderdompeling uit te voeren (Mikwaot 5), zijn er verschillende meningen of intentie vereist is of niet. De halacha (Sj.A.J. 198:48) volgt Rabbi Jehoeda, in naam van Rav, dat er geen intentie nodig is. Dus zelfs al gebeurde de onderdompeling zonder intentie – bijvoorbeeld als een onrein persoon per ongeluk in het water van een rivier valt en daar volledig in onderdompelt, dan is hij volkomen rein. De Rama voegt daaraan toe dat men streng moet zijn en nogmaals in het mikwe moet, maar men moet dan zeker geen beracha zeggen bij de tweede onderdompeling (Sjach 198:59 in naam van de Bach).

Wij gaan nu verder met het touwelen van voorwerpen. Kennelijk, als de halacha is dat iemand geen intentie nodig heeft als hij zichzelf in een mikwe wil onderdompelen, dan kal wachomer hoeven voorwerpen zeker geen intentie. Daarom worden voorwerpen die een niet-Jood, een slaaf of een minderjarige of een geestelijk onvolwaardig persoon getouweld hebben be­schouwd als kosjer en zelfs voorwerpen die in een mikwe gevallen zijn worden beschouwd als te zijn getouweld. Echter, de meningen verschillen of de strengheid van de Rama ook geldt voor het touwelen van voorwerpen en of die ook opnieuw getouweld moeten worden. Som­migen zeggen (Bach 120; Beoer HaGra 38) dat het touwelen van voorwerpen vergelijkbaar is met de tevila van mensen en als er geen intentie was bij de tevila van een voorwerp, dan moet het opnieuw getouweld worden. Echter de Taz en de Sjach zijn van mening dat ook de Rama niet verzwaard bij het touwelen van voorwerpen (en dat hij daarom ook niets toevoegde aan de uitspraak van de Beit Joseef, die de tevila door een minderjarige of een niet-Jood kosjer verklaart, en hij daar niet schrijft dat men het voor de tweede maal moet touwelen). Onze soegia heeft het over de tevila van een onrein persoon en over onreine voor­werpen, waarover discussie bestaat of daar intentie voor nodig is op het moment van de onderdompeling en of men daarbij moet verzwaren. Echter, de zaak ligt totaal anders bij de aankoop van voorwerpen van een niet-Jood, die niet vergelijkbaar zijn met onreine voorwerpen, maar waarvoor een speciale mitswa geldt om die te touwelen, en men vindt daar geen noodzaak voor een speciale intentie op het moment van de onderdompeling (J.D. ibid; Taz 16-17 en Sjach 28. Zie ook Aroech Hasjoelchan 14 en Tevilat Keliem hfdst. 8, noot 1).

Wij merken nog op dat een niet-Jood en een minderjarige niet geloofd worden als zij zeggen dat zij de voorwerpen getouweld hebben, maar het is nodig dat een (halachisch) meerderjarige Jood gezien heeft dat zij dat deden (Taz ta.p.:17).

Daf 31a/b Wij eisen geen intentie bij sjechita

De opmerkelijke chidoesj van de Maharsjal: een sjocheet kan zijn sjechita diskwalificeren door gedachte

In het komende artikel zullen wij ons bezig houden met de opmerkelijke chidoesj van de Maharsjal en proberen een onderscheid te maken tussen de mitswa van sjechita en de mistwa van tevila in een mikwe. In het vorige artikel hebben wij geleerd dat in de praktijk er geen noodzaak bestaat voor een speciale intentie bij sjechita en tevila. De sjechita is voldoende om een dier geschikt te maken voor consumpite, zoals de onderdompeling in een mikwe iemand reinigt van zijn onreinheid.

De Maharsjal zegt dat dit inderdaad zo is (Jam Sjel Sjlomo 13): een sjocheet hoeft er tijdens zijn slachten niet aan te denken dat hij daarbij een dier geschikt maakt voor consumptie. Maar een sjocheet die in gedachte heeft dat zijn slachten niet bedoeld is om het vlees geschikt te maken voor consumptie, maar die alleen het dier wil doodmaken, diens sjechita is ongeldig, ondanks dat hij een technisch juiste sjechita heeft uitgevoerd! De auteur van Tevoeot Sjor schrijft (Simla Chadasja 3) schrijft dat er aandacht besteed moet worden aan de opmerking van de Maharsjal.

De tweede tevila: De poskiem bediscusiëren de chidoesj van de Maharsjal uitvoerig en zeggen dat het kan dienen als bron voor een fascinerende halacha, die anders onbegrijpelijk zou zijn. Men moet een beracha zeggen voordat men in het mikwe gaat, wanneer de tevila een verplichting is van Tora of van de Rabbijnen [een mikwe is een ritueel bad en soms moet iemand om redenen die Tora voorschrijft of om redenen die de Rabbijnen voorschrijven, in het mikwe, maar men mag ook zonder een dergelijke reden een bad nemen in een mikwe en dan hoeft men geen beracha te zeggen]. De auteur van Chavot Jaïr (Responsa 181) vertelt dat hij van een minhag gehoord had om eerst onder te dompelen in het mikwe, daarna de beracha te zeggen en vervolgens opnieuw onder te dompelen. Zij zegt dat de voornaamste reden voor dit gebruik is dat er een twijfel was ontstaan of men de beracha moet zeggen vóór dat men in het mikwe gaat of erna (zie Toer J.D. 200). Daarom namen de mensen de gewoonte aan om tweemaal onder te dompelen, met de beracha daar tussen in, om aan alle meningen te voldoen (zie Baër Heteev eind 200).

De tweede onderdompeling is waardeloos: Deze verklaring levert grote problemen op. Daar de halacha zegt dat men voor tevila geen speciale intentie nodig heeft, werd de persoon bij de eerste keer reeds rein en de tweede onderdompeling heeft geen betekenis en is als iemand die een bad neemt en dan een beracha zegt. Wij moeten begrijpen waarom deze persoon beschouwd wordt als iemand die zich aan alle meningen houdt en waarom zijn beracha geldt voor zowel de eerste als de tweede tevila.

Men kan in gedachte hebben dat de tevila geen nut heeft: Echter, gezien wat de Maharsjal zegt, kan het probleem worden opgelost als men vóór de eerste onderdompeling zegt dat wanneer hij de beracha voor de tevila moet zeggen, dan is de eerste onderdompeling zonder betekenis en als hij de beracha na de tevila moet zeggen dan wordt hij rein met de eerste onderdompeling (zie Dagoel Merevava aan het eind vsan de Sjoelchan Aroech J.D. III:200 en Tevilat Keliem hfdst. 10, opm. 28-29).

Een niet-Joodse slaaf dwingen zich onder te dompelen: De auteur van de Aroech Hasjoelchan (J.D. 3:2) verbaast zich over de chidoesj van de Maharsjal en stelt een vraag vanuit een klaarblijkelijke explicite Gemara. De Gemara (Jevamot 47b volgens sommige Risjoniem; zie t.p. in de Rosj § 38) zegt dat de eigenaar van een niet-Joodse slaaf hem met geweld mag dopen voor slavernij (de onderdompeling van een slaaf verplicht hem tot de­zelf­de mitswot die een vrouw heeft). Ook al maakt de slaaf bezwaar en weigert hij en doet hij zijn uiterste best om de tevila ongeldig te maken, maar de tevila is kosjer. Wij zien hieraan dat een tegensgestelde gedachte de onderdompeling niet kan ver­storen en dus kan een tegengestelde gedachte tijdens sjechita die sjechita ook niet ongeldig maken. Het lijkt erop dat dit in tegenspraak is met de uitspraak van de Maharsjal. Het is een explicite uitspraak van Gemara, niet waar?

Wel, er zijn twee duidelijke verschillen tussen sjechita en tevila, waardoor wij kunnen begrijpen dat iemand die slacht met tegenstrijdige gedachten zijn sjechita diskwalificeert, maar dat iemand die zich onderdompelt in een mikwe en daarbij tegenstrijdige gedachten heeft een kosjere tevila heeft gedaan.

Sjechita is een handeling en tevila is een realiteit: Het eerste verschil concentreert zich op de essentie van sjechita en tevila. Tevila verschilt volledig van sjechita. Een sjocheet doet iets met een dier. Hij snijdt zijn simaniem door. Daar een mens verantwoordelijk is voor wat hij doet, kunnen zijn bedoelingen invloed uitoefenen op de uitkomst van zijn handelingen. Onderdompeling is echter niet noodzakelijk een handeling: het water bedekt het lichaam. Er is geen essentiële menselijke handeling, maar een simpele fundamentele realiteit en daarom kunnen de gedachten van degene die zich onderdompelt de tevila niet verstoren (zie Misjmeret Chajiem I, pp. 77 en 81; volgens dit onderscheid kunnen wij de Chavot Jaïr niet verklaren met de chidoesj van de Maharsjal).

Een niet-Joodse slaaf is als een gebruiksvoorwerp dat ondergedompeld wordt door zijn eigenaar: Het tweede onderscheidt concentreert zich op de tevila van de niet-Joodse slaaf. Zelfs wanneer wij aannemen dat er geen verschil is tussen de handeling van sjechita en tevila, dan is er nog een verschil in het geval van een niet-Joodse slaaf die door zijn meester ondergedompeld wordt, omdat de slaaf vergelijkbaar is met een dier dat door de sjocheet geslacht wordt. Wanneer iemand een bedoeling moet hebben of moet vermijden een tegenstrijdige bedoeling te hebben, dan is dat de sjocheet en niet het dier dat geslacht wordt. En in het geval van de slaaf die ondergedompeld wordt, is het de eigenaar van de slaaf die de juiste bedoeling moet hebben en de bedoelingen van de slaaf hebben dan geen enkele effect (volgens dit onderscheid kunnen wij de Chavot Jaïr begrijpen).

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 249 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 37a Wie een stervend dier slacht

Een dier vóór het slachten electrisch verdoven

In een vorig nummer hebben we het gehad over de diverse verboden op sjechita die in de afgelopen 150 jaar in diverse Europese landen werden uitgevaardigd, onder het mom van „voorkoming van wreedheid tegen dieren”. In dit artikel zullen wij een suggestie bespreken die gedaan werd: slacht de dieren nadat zij door middel van een electrische schok verdoofd zijn.

De aanbeveling van de niet-Joodse autoriteiten:  Deze oplossing werd aanbevolen door de niet-Joodse auto­riteiten. Zij vertelden de Joden dat er geen be­zwaar zou zijn tegen de sjechita wanneer die gedaan zou worden nadat zij de dieren verdoofd waren met een electrische schok. Is een dergelijke methode halachisch acceptabel? De vraag was een ern­stig probleem in Oost Europa voor de Tweede Wereldoorlog, toen de Duitse regering de Joden verbood dieren te slachten als zij niet eerst verdoofd werden. De grootste poskiem in Duitsland, Polen en Litouwen bediscusiëerden de kwestie uitgebreid en kwamen tot de conclusie dat een dergelijke sjechita absoluut verboden is. Het voornaamste werk op dit gebied is van HaGaon Rabbijn Jechiël Ja’akov Weinberg zts”l , auteur van Seridei Eesj: „Electrische verdoving van dieren vóór het slachten”. Het lange traktaat bevat de antwoorden van tientalle halachische autoriteiten van over de hele wereld. Wij benadrukken dat de methode van verdoving verschilt van land tot land en dat Rav Weinbergs antwoord de methode betreft die de Duitsers aan het begin van de Nazi-periode voorstelden.

Het blijkt dan dat verdoving vele halachishe verdenkingen oproept en wij zullen ze in het kort bespreken. Tegelijker tijd zullen wij wat beter bekend raken met begrippen die wij spoedig zullen bestuderen beëzrat Hasjem.

Mesoekenet – in gevaar gebracht: Een electrische schok veroorzaakt dat een dier zijn bewustzijn verliest. Onze misjna zegt dat een dier dat in gevaar is – d.w.z. wiens gezondheid in gevaar is – niet kosjer is, tenzij duidelijk bewezen is dat het niet gestorven is vóór het einde van het slachten ten gevolge van zwakte [d.w.z. tijdens het slachten, maar dat het dier reeds bij de eerste snee, nog voordat de sjechita voltooid is, sterft]. Verdoving brengt een dier „in gevaar” en zolang als wij geen bewijs hebben dat het in leven blijft tot het eind van de sjechita is het een nevela.

Treifa: Andere verdenkingen veroorzaakt door de verdoving hebben te maken met de 18 treifot door Chazal genoemd, 18 mogelijke vormen van een deficiëntie in een dierenlichaam waardoor het treifa wordt. Electrische verdoving veroorzaakt waarschijnlijk een paar verdenkingen van treifa:

Risoek Evariem – beschadigde organen:  Verdoving kan de organen van een dier beschadigen, zelfs zonder dat het valt, en wel voornamelijk de hersenen, waardoor het treifa wordt.

Verandering in uiterlijk: Wanneer er een essentiële verandering van het uiterlijk optreedt in één van de vitale organen, dan is het treifa (Beet Joseef 43 en Rema, ibid, se’ief 2, etc.). Dokters zeggen dat soms de hersenen en longen er na electrische verdoving anders uitzien en roder worden.

Eina Chaja – niet in staat om te leven: Volgens vele poskiem (zie Dagoel Merewawa J.D. 29; Nekoedot HaKasef, ibid; en Responsa Marchesjet 29), wordt een dier zelfs treifa als de ziekte, waardoor het geen twaalf maanden kan overleven, nog niet in zijn lichaam is. Het is voldoende om het treifa te beschouwen als het duidelijk is dat er zich uiteindelijk een situatie zal ontwikkelen ten gevolge van een ziekte of beschadiging, waardoor het geen twaalf maanden kan overleven, te beginnen vanaf het bewuste moment. Electrische verdoving veroorzaakt een ernstige verdenking van eina chaja – niet in staat om te leven.

Daf 42a Dit zijn de treifot

Broedmachine-kuikens: de discussie, de meningen en de huidige situatie

„Onze vriend, HaGaon… Rabbi Sjalom Mordechai HaKohen… heeft gevogelte toegestaan … dat werd uitgebroed door de warmte van een electrische broedmachine, waarin eieren werden gedaan, en ten gevolge van de warmte worden de kuikens snel uitgebroed en blijken volledig te zijn ontwikkeld… maar het probleem is dat zij geen 12 maanden in leven blijven en ook geen nakomelingen kunnen krijgen.” (Responsa Jad Chanoch 34). Vele poskiem hebben zich in dezelfde stijl uitgedrukt wanneer hen gevraagd werd naar hun mening betreffende „kuikens die door de warmte van een electrische broedmachine werden uitgebroed.” De vraag is of zulke kuikens als treifa beschouwd moeten worden, daar Chazal ons zeggen dat als een dier geen 12 maanden kan overleven, het treifa is.

Kan een dier dat van nature slechts kort leeft, treifa zijn? HaGaon Rabbi Meïr Arik zts”l  (Responsa Imrei Josjer I:145) legt uit dat er geen twijfel bestaat  dat een van nature kort levend dier niet treifa is en hij levert daarvoor een inte­ressant bewijs. De Midrasj (aangehaald in Erets Chajiem, Tehilliem 39:4) vertelt dat een zekere soort vogel – tsipor dror – slechts 52 dagen leeft, maar niettemin gebruikt wordt om een metsora te reinigen, hoewel een treifa dier daar­voor ongeschikt is (Choelien 140a). Het probleem met de kuikens ontstaat doordat de kuikens die zich natuurlijk ont­wik­kelen, langer leven en daarom is de status van de kuikens uit de broedmachine niet duidelijk. Rabbi Arik heeft de neiging om streng te zijn en beschouwt ze treifa (zie ibid, waar hij verklaart dat er verdenking bestaat dat alles dat ver­oorzaakt dat kippen niet lang leven, een reden is om ze treifa te verklaren; hij baseert zich daarbij op Tosafot in Nidda 23a).

De Maharsjam is het er echter niet mee eens (Responsa III:378) en beweert dat treifa alleen betrekking kan hebben op een dier dat kort leeft ten gevolge van een lichamelijk defect. Maar in ons geval is er geen verdenking van een defect aan het kippenlichaam: het werd zwak geboren omdat de incubatie niet naar behoren was uitgevoerd en het is nu als een zwak dier dat slechts te vergelijken is met een mesoekenet – een dier in gevaar [dat op het punt staat te sterven], hetgeen, zoals de Gemara verklaart, niet treifa is.

Incubator-eieren zijn geen nieuwe uitvinding: Echter de auteur van Responsa Jad Chanoch (ibid) meent dat zulke kuikens nevela zijn. Ten eerste beweert hij dat het uitbroeden van kuikens in een incubator geen nieuwtje is: „Als u dacht dat dit iets is dat pas recent werd uitgevonden, dan heeft u het mis, want dat is niet zo… Zelfs in de tijd van Ramban z”l die bijna duizend jaar geleden leefde, waren er mensen bekend die wisten hoe zij kuikens moes­ten uitbroeden door een oven op een bepaalde temperatuur te verwarmen… Hieraan kunnen wij zien dat mensen in vroeger tijden hiervan al afwisten en in het land Sini (China?) legden ze eieren in hete as van een bepaalde tem­peratuur en produceerden zo kippen. En Rabbi Mesjoelam bar Rav Menachem uit Valtira z”l, die in 5241 [1480/1481] naar de Oriënt reisde, vertelde: ‘Ik zag hoe de Arabieren… vogels in ovens fokten, die zij opwarmden en waar zij de uitwerpselen van vee en paarden in deden en daar legden zij 1.000 of 2.000 eieren in en daar kwa­men kippen uit en zij maakten gevogelte zonder eind en daarom is gevogelte daar erg goedkoop’.”

Mensen waren vroeger expert op het gebied van het uitbroeden van eieren: De voor de hand liggende vraag is dan, waarom de Risjoniem zulke kippen niet ter discussie stelden en niet beslisten dat zij nevela waren volgens zijn mening, of treifa volgens Rabbi Meïr Arik of kosjer volgens de Maharsjam. Hij legt uit dat in vroeger tijden  „de mensen meer expert waren met dit werk en wisten hoe zij dit op de juiste wijze moesten doen… en daarom was het eenvoudig voor hen om het toe te staan en er bestond geen enkele verdenking. (Hij voegt daar enkele fascine­rende details aan toe in zijn antwoord: „En je moet je er niet over verbazen dat zij daar vroeger beter in waren… en beter wisten hoe zij dat moesten doen dan in onze tijd. Verbaas je niet, want Egyptische mummies bewijzen dat ook en recente generaties weten niet hoe zij dat moeten doen, hoe zij ook hun best doen… en hetzelfde geldt voor de beker met kruidenthee die aan een vrouw gegeven werd opdat zij niet zwanger zou worden, hetgeen in onze tijd onbekend is.”

Anesthesie die honderden jaren geleden gebruikt werd: „En wees getuige van een wonder dat een ziek persoon, op wie een operatie moest worden uitgevoerd en waarvoor Joodse artsen 2.000 jaar geleden al wisten hoe ze zo iemand een slaap­middel moesten geven zodat hij de pijn niet zou voelen, zoals wordt beschreven in Bawa Metsia 83b over Rabbi Elazar bar Rabbi Sjim’on, die geopereerd werd en een slaapmiddel had gekregen. En hetzelfde gold voor iemand die ter dood was ver­oordeeld:ook hem gaven zij een slaapmiddel om de pijn van de dood te vermijden, zoals vermeld staat in Sanhedrin 43a. De niet-Joodse artsen wisten hier niets vanaf tot ongeveer 200 jaar geleden en de Romeinse doktoren sloegen hun patient met een hamer op zijn hoofd voordat zij een operatie uitvoerden, om te voorkomen dat hij de pijn zou voelen, maar Joodse artsen ken­den 2.000 jaar geleden reeds het gebruik van anesthesie.”)

In ieder geval zijn zulke kuikens volgens hem nevela en zij zijn als een nefel (doodgeborene) dat nimmer volledig ont­wikkeld werd en dat als nevela beschouwd wordt door Tora (en zie Imrei Josjer, ibid, dat Rabbijn Arik dit idee ver­werpt).

Gevogelte vandaag: Bijna al het gevogelte dat wij nu eten, komt uit een broedmachine. Wij hebben nader geïn­for­meerd bij kasjroet-experts, die verklaard hebben dat in onze tijd de methoden voor het verwarmen van eieren in broedmachines verbeterd zijn en dat er daarom geen verschil is tussen dergelijk gevogelte en dat wat op na­tuur­lijke wijze ontwikkelt.

Daf 43b Er zat een distel in zijn slokdarm

Een korte discussie over het vetmesten van ganzen

De ogen van een oudere lezer, met wie wij spraken ter voorbereiding van dit artikel, begonnen te glimmen van nostalgie toen hij zich het gezicht herinnerde van een arbeider in Hongarije aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, die betaald werd met drie dikke boterhammen, besmeerd met ganzevet, vermengd met vette ganzelever. In sommige landen was vette ganzelever een gewaardeerde traktatie op het menu maar in andere landen werd vetgemeste gans als treifa beschouwd. In dit artikel zullen wij het halachische dispuut bespreken rondom de kasjroet van geforceerd gevoede gans, gebaseerd op onze soegia (betreffende wreedheid voor dieren, zie Merorot HaDaf HaJomi, Kiddoesjien 82a, in het artikel „Medical Research on Laboratory Rabbits”).

22 kilo maïs in 30 dagen: Om de diepte van het onderwerp te verkennen moeten wij eerst de methode van het vetmesten van ganzen beschrijven. Het vetmesten van een gans is bedoeld om zijn lever zo groot mogelijk te krijgen. Hoe korter de periode van het vetmesten, des te beter is het resultaat, omdat bij langdurig vetmesten een deel van het vet door het lichaam geabsorbeerd wordt in plaats van door de lever, maar bij geconcentreerd vetmesten wordt de lever enorm vet. Opdat een gans één kilo in gewicht aankomt, moet hij zes kilo maïs eten – het gebruikelijke materiaal voor het vetmesten. Daar het gewenste gewicht van een gans ongeveer vier kilo is, moet het dier in een maand tijd met 22 kg maïs gevoerd worden. Een gans kan deze enorme hoeveelheid niet alleen absorberen en daarom wordt hij geforceerd rechtstreeks in zijn slokdarm gevoed.

De geforceerde voer-methode: De bek wordt geopend en de maïs wordt erin gegooid en met een stok in de slok­darm geduwd. In onze tijd is de methode verbeterd: het vetmesten wordt gedaan door een machine maar het resul­taat is hetzelfde: de slokdarm wordt blootgesteld aan herhaalde beschadiging. Deze verwondingen worden veroor­zaakt door de ingevette pijp  die in de slokdarm gestoken wordt of door de maïskorrels, wanneer die niet zacht genoeg zijn of door het persen van de maïs in de slokdarm, waardoor die kan scheuren (Mazon Kasjer min HaChai, III, hfdst. 13).

Gaten in de binnenste laag van de slokdarm: Wegens de zeer gefundeerde verdenking van gaten in de slok­darm van vetgemeste ganzen, kunnen wij niet vertrouwen op de gezondheidstoestand  van de meeste ganzen maar moeten wij de slokdarm onderzoeken op gaten (Rema 33:9). De slokdarm van een gans bestaat uit twee lagen, met elkaar verbonden door een membraam. Wanneer er een gat ontdekt wordt dat door beide lagen gaat, dan is de gans volgens iedereen treifa. Het probleem betreft de meeste gaten in ganzen, wanneer een gat ontdekt wordt dat alleen in de binnenste laag zit, zoals wij nader zullen verklaren.

In onze Gemara beslist Oela dat een dier niet treifa verklaard wordt wanneer een doorn in zijn slokdarm gevonden wordt, zolang het daar geen gat veroorzaakt heeft. Een Amora die door de Gemara „één van de rabbanan” genoemd wordt, legt uit dat Oela’s uitspraak een situatie betreft waar de doorn in de holte van de slokdarm gevonden wordt, maar wanneer hij in de wand van de slokdarm zelf zit, dan moet het dier treifa verklaard worden, ondanks dat geen penetrerend gat gevonden werd. Wij vrezen dat de doorn de slokdarm door en door geperforeerd heeft, maar dat het gat gedeeltelijk weer dicht is (zie Rasji, beg.w. Ein chosjesjien). Rav Kahana is het er echter niet mee eens, en beweert dat zelfs als een doorn gevonden wordt in de wand van de slokdarm, het dier niet treifa is, zolang de buitenkant van de slokdarm geen gat te zien geeft.

Het meningsverschil tussen de Sjoelchan Aroech en de Rema over vetgemeste gans: Voor wat betreft de halacha zijn er twee meningen. De Sjoelchan Aroech (J.D. 33:9) beslist volgens „één van de rabbanan” en de Rema (ibid) gaat volgens Rav Kahana. Als een gat gevonden wordt in de binnenste laag van de slokdarm, dan is het alsof daar een doorn gevonden is, die daar vastzit, omdat het gat klaarblijkelijk veroorzaakt werd door het gefor­ceerde voeden en kennelijk is dat geval ook het onderwerp van een meningsverschil tussen Rav Kahana en „één van de rabbanan”, of een gat in de binnenste laag beschouwd moet worden als treifa. De Rema zegt dat in zijn stad het de gewoonte was om daar soepel in te zijn, omdat men er vanuit ging dat als er een doorn gevonden werd, men niet hoefde te vrezen dat er een gat door en door was veroorzaakt. Zo ook als een gat gevonden werd in de binnenste laag van de slokdarm, vreest men niet dat de buitenste laag ook geperforeerd is. Echter, vele Risjoniem (Tosafot; Rif; Rambam in Hilchot Sjechita 23:1; Toer J.D. 33 in naam van de meeste poskiem) en de Sjoelchan Aroech (ibid) beslissen dat als men een doorn vindt die vastzit in de slokdarm, men moet vrezen dat er een onzicht­baar gat is. Volgens hen moet een gans met een gat in de binnenste laag van zijn slokdarm kennelijk als treifa ver­klaard worden (Bach, ibid en vele andere poskiem).

Toch maken sommige Acheroniem onderscheid tussen een gat in de binnenste laag van de slokdarm van een vetgemeste gans en een slokdarm met een doorn erin. Inderdaad, wanneer er een doorn gevonden wordt die vast­zit in de slokdarm, dan moeten wij vrezen dat de doorn een penetrerend gat gemaakt heeft. Maar een gat dat veroorzaakt werd door geforceerde voeding wordt niet in een keer gemaakt maar in een geleidelijk proces: de huid wordt langzaam afgepeld en geperforeerd. Daarom, wanneer wij zien dat de buitenste laag heel is, is er geen reden om te veronderstellen dat er een gat in zit, omdat het proces van de perforatie niet tot daartoe zich heeft uitgebreid (Taz ibid, en zie Darchei Tesjoeva ibid, noot 130-131, dat de poskiem erover discussiëren of geforceerde voeding beschouwd moet worden als een ziekte of een doorn).

De auteur van Sjewoe’ot Ja’akov (Responsa II:56) voegt daaraan toe dat in het geval van een slokdarm met een doorn, wij moeten veronderstellen dat er een penetrerend gat is dat bedekt is met een membraam dat er overheen gegroeid is (volgens Rasji’s eerste verklaring). De zaak is anders bij een ganzeslokdarm waar het vetmesten continu gebeurde. Wanneer daar een penetrerend gat ontstond, kreeg het nimmer de kans om met een membraam bedekt te worden omdat de oorzaak van het gat iedere dag aanwezig is en het gat zelfs iedere dag groter wordt. Daar het niet kan genezen zijn en met een membraam er overheen gegroeid, veronderstellen wij dat er geen gat is.

De poskiem hebben veel tijd besteed aan de discussie over vetgemeste ganzen en hoewel het de gewoonte was om het in bepaalde landen toe te staan, vermijden poskiem in onze generatie een hechsjer te geven aan voedsel dat geproduceerd werd met vetgemeste ganzen, daar het bijzonder moeilijk is ze vet te mesten op een manier die hen niet treifa maakt (zie Responsa Tisiets Eli’ezer XI, 49 en XII, 52).