Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
19 Adar 5764 Traktaat Choelien 44-50 Nr. 53

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 250 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 44b Waar een geleerde een beslissing over genomen heeft

Een G-dvrezend persoon moet vermijden om iets te eten waar een Chacham een beslissing over moest geven

In dit artikel zullen wij een vinger leggen op de hartslag van een halachische regeling, zoals door onze geleerden in iedere generatie sinds de Berg Sinaï is neergelegd.

Toen Hasjem Jechezkel beval walgelijk voedsel in zijn mond te stoppen als een parabel van Israëls verontreiniging onder de volken in hun ballingschap, verzocht hij dat niet te hoeven doen en hij verklaarde zijn heilige gedrag als volgt: „Zie, mijn ziel werd nimmer verontreinigd en ik heb tot nu toe nooit nevela of treifa gegeten en piggoel [verwerpelijk] vlees kwam mijn mond niet in.” [Jechezkel 4:14]. Onze Gemara legt uit dat Jechezkel bedoelde te zeggen dat hij zeer strikt was om geen vlees te eten, dat aan een chacham was voorgelegd om er een beslissing over te nemen of het kosjer was of niet.

Een dier dat naar een Chacham was gebracht om daar een beslissing over te nemen, is er een wiens kasjroet twijfelachtig was, totdat een halachische autoriteit op basis van logische redeneringen besliste dat het was toege­staan. Rasji verklaart [beg.w. Detalja bisvara] dat aangezien de beslissing van de Chacham gebaseerd is op logische redeneringen, wij niet de mogelijkheid kunnen uitsluiten dat een andere Chacham zijn redenering zal ondermijnen en bewijzen dat het niet juist was. Daarom, en zo beslist de Rema [J.D. 116:7]: „Van een dier dat door een Chacham was toegestaan op basis van logische redenering en waarover geen expliciete halacha bestaat, die zegt dat het is toegestaan, zal een ba’al nefesj [gewetensvol persoon] niet eten.”

Is dat niet in strijd met de wijze waarop Tora overleverd is? HaGaon Rav Sjmoeël David HaKohen Munk zts”l [Responsa Peat Sadecha 85] neemt de moeite om deze halacha uitgebreid te verklaren, omdat hij daarin een kennelijke ondermijning ziet van de wijze waarop de Tora door de generaties is overgeleverd. Ten slotte heeft onze heilge Tora aan de Chachamiem autoriteit gegeven om beslissingen te nemen op basis van logische redenering over problemen en twijfels, die aan hen ter beslissing werden voorgelegd, zoals ons verteld wordt: „…En om de Israëlieten al de wetten te onderwijzen die Hasjem voor hen heeft uitgesproken via Mosjé” [Wajjikra 10:11]. Het is een Chacham ook verboden iets te verbieden dat door het grote Beit Din in het Lisjkat HaGaziet [de kamer waar het Sanhedrin gezeten was in het voorhof van de Tempel] toegestaan is. Wij moeten daarom verklaren hoe het mogelijk kan zijn dat iemand bezwaar kan maken tegen een halachische regeling van een Chacham.

Rav Munk komt tot de conclusie dat met het vers „piggoel is mijn mond niet ingekomen” Jechezkel aan ons een halacha onthult die aan Mosjé op de Berg Sinaï gegeven is [zie Zewachiem 18b], namelijk dat iemand voor zichzelf streng mag zijn en zich niet hoeft te verlaten op een halachische regeling die gegeven werd door een Chacham op basis van logische redenering [zie Chidoesjei Chatam Sofer 37b] en dat er zelfs een voordeel verbonden is aan een dergelijk gedrag. Want als dit niet zo zou zijn, dan zou een strikt gedrag niet alleen geen voordelen opleveren, omdat er geen reden voor is, maar het zou zelfs een onjuist gedrag zijn [zie daar voor wat hij verder over dit onderwerp schreef].

Het is verboden te verzwaren bij een duidelijke halacha: Er zijn inderdaad vele poskiem [zie Aroech Hasjoelchan 116:25] die zeggen dat men niet verzwaren mag betreffende een duidelijke halacha. Vele poskiem hebben zich hier scherp over uitgelaten: „Over iets dat alle poskiem toestaan mag men niet verzwaren en dat neigt tot ketterij.” Alleen over een halacha waarover de poskiem discussiëren en waarvan men in het algemeen van mening is dat het is toegestaan, mag iemand verzwaren [zie Piskei Tesjoewa 116:10]. Het is interessant op te merken dat men niet alleen niet verzwaren mag bij een duidelijke halacha maar de Baër Hetiev beweert zelfs [17:1] dat „het goed is om ervan te eten,” zoals onze soegia vermeldt hoe de Amoriem het vlees kochten van een dier, waarover zij beslist hadden dat het is toegestaan.

Een hechsjer van de Ran: Wanneer iemand nog niet is gerustgesteld door het bovenstaande, dan zal hij waarschijnlijk tevreden zijn met de woorden van de Ran in zijn Derasjot [deroesj 11, s.v. Waäni sawoer od]: „Dat het onmogelijk is dat een ziel geestelijk beschadigd wordt door iets wat een Chacham heeft toegestaan!” [Zie Responsa Rema, eind 54 en de Maharal van Praag in Tiferet Jisraël, hfdst. 8].

Het is niet de wijze van vroomheid: De auteur van Bnei Jisachar uit Dinov zts”l [Adar, maämar 2, s.v. We’ata] steunt de zaak en schrijft: „Het wijst niet op chassidoet [vroomheid] als mensen geen voedsel eten dat ter beslis­sing aan een Chacham werd voorgelegd, als de halacha duidelijk en expliciet is dat het geoorloofd is… [d.w.z. een probleem dat aan een Chacham werd voorgelegd wegens de onwetendheid van de vragensteller, niet omdat er echte twijfel over bestond] maar in tegendeel, het is een mitswa dat men het zal eten en erdoor verzadigd wordt.”

Dat is het wat Rav Nisim Gaon instelde met zijn beroemde bekentenis: „Ik was strikt met datgene waar U soepel in was.” Een Jood leeft volgens de Sjoelchan Aroech zonder soepel te zijn met een verbod en zonder streng te zijn met wat is toegestaan.

Het is toegestaan om te verzwaren voor persoonlijke redenen: Tot nu toe hebben wij het gehad over verzwaring van een halacha, waarover soepel beslist was. Maar als iemand over een bepaalde halacha gestruikeld is [en die heeft overtreden] en voor zichzelf wil verzwaren om te voorkomen dat hem dat niet nogmaals overkomt, of omdat hij dat wil doen om persoonlijke redenen en niet omdat hij twijfelt aan de halacha, mag dat doen, zoals de Mordechai schreef [Choelien, hfdst. 8, § 687], dat daar niet voor geldt dat „ieder die iets toevoegt maakt het alleen maar erger” [zie Sefer HaZikaron van de Pachad Jitschak, 59].

Daf 46b – In het geval van twee [long-] lobben die aan elkaar kleven, is er geen onderzoek [mogelijk]

„Glat” vlees en „kosjer” vlees

Onze soegia is de bron voor de halachot van de longen. Wij zijn in [Meorot HaDaf] nummer 245 [verschenen in Hearot HaDaf nr. 49] uitgebreid ingegaan op de verplichting om de longen te onderzoeken. Dit ondezoek houdt vele details in, die besproken worden in de Sjoelchan Aroech [J.D. 39] en in dit en in het volgende artikel zullen wij het hebben over sirchot van de longen.

Slagerijen die G-dvrezende mensen willen aantrekken, benadrukken dat zij „glat-kosjer” vlees verkopen, en niet alleen maar „kosjer” vlees. In dit artikel zullen wij verduidelijken hoe er een verschil kon ontstaan tussen „glat” vlees en „kosjer” vlees. Logica vertelt ons dat vlees, dat halachisch geschikt verklaard werd om te eten, gegeten mag worden en vlees waarvan dat niet zo is, dat eet men niet. Wat is dan de bron voor het verschil tussen „glat” vlees en „kosjer” vlees en in het algemeen: wat is de bron voor de uitdrukking „glat”?

De meeste dieren worden afgekeurd wegens een sircha: De meeste dieren die door de controleurs worden afgekeurd als treifa hebben een sircha – een gezwel van samengeklonterd slijm dat uit het vlies rondom de long puilt. In bepaalde, nauwkeurig in de halacha gedefiniëerde gevallen is een long met een sircha treifa omdat het een bewijs is dat er een gat onder zit in het longvlies, want als de sircha verwijderd wordt, vormt het een gat [Rasji en Tosafot argumenteren hierover, zoals in het volgende artikel zal worden verklaard].

Het meningsverschil tussen de Mechaber en de Rema: Rabbijn Joseef Karo besliste [Sjoelchan Aroech J.D. 39:10] dat iedere sircha, zelfs „als hij zo dun als een haar is”, veroorzaakt dat het dier treifa is. Echter de Rema [ibid, par. 13] schrijft dat sommigen het toestaan om de sirchot eerst te bevoelen, om pas daarna te beslissen. Met andere woorden, in tegenstelling tot de Mechaber die iedere sircha diskwalificeert, beweert de Rema dat een sircha onderzocht kan worden en daarna beslist kan worden of het het dier al dan niet treifa maakt.

Dit meningsverschil tussen de Sjoelchan Aroech [de Mechaber = Rabbi Joseef Karo] en de Rema is het opvallende verschil tussen Sefardische en Asjkenazische sjechita. Echter, de regeling van de Rema vond geen ingang onder alle Asjkenazische gemeentes. Zo vinden wij de Sjelah [1] [Sja’ar HaOtiot, aangehaald in Baër Hetiev, ibid. 30] die scherp opmerkt: „Geen aandacht te besteden aan deze slechte gewoonte… en jullie, mijn zonen… ik gebied jullie geen vlees te eten dat kosjer verklaard werd door het te wrijven, als de sircha strikt genomen treifa zou zijn en koop geen vlees zonder dat te eisen en diegenen die in Erets Jisraël wonen en al de Turkse gemeenschappen verklaren het treifa.”

De getuigenis van de Kaf HaChajiem over de oorsprong van de uitdrukking „glat”: „Glat” vlees is daarom vlees met „gladde” longen – vrij van sirchot. De auteur van Kaf HaChajiem vertelt over het onderscheid tussen „glat” en „kosjer” vlees: „De gewoonte van de Asjkenaziem in Jerusjalajiem is om soepel te zijn maar zij maken twee soorten vlees. Dat wat zij gladgestreken hebben, daarop zetten zij „kosjer” maar wanneer de longen vrij zijn van sirchot zetten zij er „glat” chalak [glad] op, zonder sirchot, zodat de vromen en G-dvrezenden, die strikt zijn en zich aan alle meningen willen houden, het ook kunnen kopen.”

Het onderzoeken van de longen in water:  Een andere methode die door de poskiem genoemd wordt is de sircha van de long afpellen en de long in water onderdompelen om te kijken of er belletjes ontstaan waar er een sircha was.Dit soort ondezoek wordt in de Gemara [48a] genoemd maar niet voor sirchot die treifa veroorzaken en de auteur van Aderet Eliahoe[2] [ibid, Jad Eliahoe ot. 43] keert zich fel tegen een dergelijk onderzoek. Hij vertelt over een formidabele sjocheet in Praag die het onderzoek van sirchot op deze manier introduceerde en „toen deze slech­te gewoonte begon, ontstond er een grote opschudding onder de Chachamiem van die generatie  en zij stemden erin toe dat deze sjocheet zou worden ontslagen maar de wegen van Satan hadden succes en zij stelden hem weer aan.” Aan de andere kant schrijft de Mekor Chajiem [3] over de Jemenitische gewoonte [Hilchot Treifot 31:96] dat dit de oude gewoonte was in alle Jemenitische gemeenschappen, gebaseerd op de traditie van Rambam, om soepel te zijn wegens het verlies [zie Pitchei Tesjoewa, s.k. 14, in naam van Tiferet Tswi en de Chatam Sofer].

In dit artikel zijn wij in het algemeen bekend geraakt met sirchot, de halacha die zijn oorsprong vindt in onze soegia, waar dat uitgebreid bediscussiëerd wordt en het scherpe meningsverschil tussen de Mechaber en de Rema. In het volgende artikel zullen wij aandacht besteden aan de vraag of iedere sircha inderdaad treifa is.

Daf 46b – In het geval van twee [long-] lobben die aan elkaar kleven, is er geen onderzoek [mogelijk]

De meeste sirchot zijn niet treifa, wij zijn streng op grond van onzekerheid

De long is verdeeld in vijf lobben, zoals de Rambam uitlegt [Hilchot Sjechita 8:1]: „De long heeft vijf lobben. Wanneer iemand ze ophangt en de voorkant van de longen is naar hem toegekeerd, dan bevinden er zich drie aan de rech­ter kant en twee links.” Onze Gemara legt uit dat een sircha  die uit de ene lob naar een andere lob puilt, niet treifa is. De sircha die veroorzaakt dat een dier treifa is, strekt zich uit van een lob en kleeft aan een andere lob die er niet tegenaan zit.

Rasji: Een sircha komt uit een gat: Volgens Rasji [beg.w. Hainoe] komt een sircha uit een gat in de long, waardoor vloeistof naar buiten is gekomen die gestold is tot slijm. Hoewel de sircha het gat nu dicht gemaakt heeft, kan het een verbinding maken met andere lobben of met andere sirchot en losgeraakt zijn van de long en dan gaat het gat weer open. Hij bedoelt kennelijk dat iedere sircha een gat dichtmaakt. Wij kunnen ons baseren op permanente sirchot die nimmer afvallen maar we kunnen ons niet baseren op tijdelijke sirchot.

Waarom zijn de longen niet geperforeerd als een zeef? De voor de hand liggende vraag is, als iedere sircha het resultaat is van een gat, of wij dan niet moeten zeggen dat een long vele gaten heeft, daar de meeste dieren vele sirchot hebben. Het probleem is, dat wanneer men de longen zelf onderzoekt, men in het algemeen geen gaten vindt. Waarom? Hoe is het mogelijk dat wij geen gaten vinden zoals die zich ontwikkeld hebben, d.w.z. een gat dat zich gevormd heeft, maar dat nog niet gedicht werd door een sircha? Zou het kunnen zijn dat zodra een gat gevormd wordt, dat gedicht wordt door een sircha?

Striktheid over een onzekerheid: De Aroech Hasjoelchan[4] [J.D. 39:22-23] bespreekt dit probleem en legt uit dat in werkelijkheid de meeste sirchot niet uit een gat ontstaan maar „alleen maar slijm” zijn dat uit de long komt. „Wat wij ook zien, wij hebben niet voldoende kennis om onderscheid te maken tussen een definitieve sircha en een twijfelachtige sircha, of een die helemaal geen sircha is. In ieder geval, er zijn maar weinig echte sirchot die uit een gat ontstaan.” Het blijkt dus, dat de sirchot waar wij ons zoveel zorgen over maken, inderdaad tamelijk zeldzaam zijn, maar wegens de twijfel en onzekerheid moeten wij een dier met een sircha als treifa verklaren, wanneer wij er niet in slagen om te verifiëren of de sircha alleen maar uit slijm bestaat dat uit de long is afgescheiden, of dat het een echte sircha is, die uit een gat is ontstaan.

Tosafot: De sircha veroorzaakt een gat wanneer het wordt verwijderd: Volgens Tosafot [beg.w. Heinoe] bewijst een sircha niet dat er een gat in de long zit, maar wanneer een sircha losraakt van de long, kan er zich een gat vormen. Dus wij hebben een dier dat nu niet treifa is, maar omdat het treifa wordt, is het nu al treifa.

De mening van Tosafot heeft ook nog de excellente verklaring van de auteur van de Aroech HaSjoelchan nodig.Ten slotte, is een dier waaraan een tijdbom vastzit, die over een uur zal ontploffen, treifa? Het is nu gezond en kosjer, maar wij voorzien dat het spoedig in de toekomst zal sterven. Op dezelfde manier heeft deze sircha die aan de long vastzit en het leven bedreigt, zijn werk nog niet gedaan. De long is nog steeds heel. Waarom moeten wij dan dit dier nu al treifa verklaren?

De Aroech HaSjoelchan legt uit dat wij veronderstellen dat de sircha reeds begonnen is zich van de long los te maken en dat het gat al gevormd is maar dat het nu door het slijm is dichtgemaakt of door de sircha. Maar het gat bestaat al en het dier is nu reeds treifa [zie ibid, dat sommige Risjoniem expliciet schrijven dat, hoewel de sircha nog niet is losgeraakt van de long, het dier treifa is, omdat de sircha zelf als een ziekte is en sofo lamoet – ten slotte zal het sterven].

De auteur van de Aroech HaSjoelchan schrijft dat zowel volgens Rasji als volgens Tosafot de meeste sirchot geen treifa veroorzaken maar dat wij strikt zijn ten gevolge van twijfel: volgens Rasji omdat de meeste sirchot uit slijm bestaan en niet uit een gat zijn ontstaan en volgens Tosafot omdat slijm geen gat veroorzaakt wanneer het wordt losgemaakt van de long en alleen echter sirchot, die stevig aan de long vastzitten, zullen een gat veroorzaken wanneer men ze losmaakt. Daarom kunnen wij de mening van de Rema begrijpen, die in het vorige artikel genoemd werd, dat men soepel mag zijn met een sircha door het te voelen en te bewegen en wanneer het zacht is en verdwijnt, dan is het geen sircha. Wij wilden deze sircha alleen verbieden op grond van twijfel en daarom was de Rema soepel.

Longontsteking bij het vee: Wij eindigen met een kort bezoek aan een koeienstal. De meest voorkomende sirchot ontstaan ten gevolge van longontsteking. Tijdens de ziekte wordt de membraam van de long doordringbaar en scheidt substanties af die een sterkere membraam vormen ter afwering en genezing. Deze sirchot zijn zo al­ge­meen voorkomend, dat wanneer er geen sirchot in een mensenlong voorkomen, er verdenking ontstaat dat hun afwezigheid is veroorzaakt door een vergroting van de bijnierschors, die verantwoordelijk is voor het herstel van geïnfecteerde gebieden. Om sirchot zo veel mogelijk te voorkomen, proberen veehouders iedere opkomende ver­koudheid bij hun dieren te behandelen [Mazon Kasjer min HaChai III, hfdst. 8].

49b – Zij eten het …

„Zij eten het…”: de herhaalde verklaring in honderde halachische responsa

HaGaon Rabbi Jitschak Zilberstein vestigde onze aandacht op Rav Nachmans opmeking in onze soegia: „Zij eten het en voor ons sluit het niet eens af?”

Onze Gemara legt uit dat hoewel een dier met een gat op bepaalde plaatsen als treifa beschouwd wordt, als vet dat tahor is – geschikt om te eten – een gat afsluit, dan is het niet treifa en het dier mag worden gegeten want het vet komt stevig vast te zitten aan het vlees en sluit het gat volledig af. In Erets Jisraël waren zij gewoon een bepaald deel van het vet te eten, waarvan de Babylonische Joden meenden dat het een deel van het verboden vet was. Rav Nachman zegt, dat ondanks dat wij, de Babyloniërs, dat deel van het vet niet eten, wij het dier in ieder geval wel mogen eten wanneer dat vet een gat in de maag heeft afgesloten, en wij hoeven het niet treifa te verklaren. Hoewel alleen zuiver vet het gat kan afsluiten en wij dat vet niet eten, „eten zij het wel en voor ons sluit het zelfs niet af?” Met andere woorden, terwijl zij in Erets Jisraël dat vet wel eten, kan het niet waar zijn dat voor ons, Babyloniërs het zelfs niet geschikt zou zijn om een gat in de maag af te sluiten.

Rav Nachmans regeling is in honderde halachische responsa in alle generaties herhaald, iedere keer wanneer de poskiem over een bepaalde zaak, waarover een meningsverschil bestaat, wilden zeggen, dat degenen die het verboden het niet zo strikt verboden beschouwden als iets waar iedereen het over eens is dat het verboden is.

De kant van de bruid wilde de sjidoech verbreken: „De chatan mist jichoes”: Zo vinden wij dat een leerling van de Chatam Sofer, HaGaon Rabbijn Chaim Sofer zts”l, auteur van Machané Chaim [II, E.H. 1], deze uitdrukking gebruikt in een gecompliceerde zaak die hem ter beslissing was voorgelegd. Het betrof een sjidoech die aan het wankelen was gebracht door een schokkende ontdekking die aan het licht was gebracht. Twee families met jichoes [met een sjieke stamboom] waren tot een sjidoech [koppeling van een jong stel] overeengekomen maar na enige tijd bleek dat de vader van de chatan [bruidegom] zijn eerste vrouw in een ver weg gelegen land had verlaten en met zijn tweede vrouw, de moeder van de chatan getrouwd was, terwijl hij nog steeds getrouwd was met zijn eerste vrouw. De familie van de bruid beweerde dat de vader dus het decreet van Rabbeinoe Gersjom[5] had overtreden, die verboden heeft dat een man twee vrouwen huwt. En een dergelijk gedrag kleurde de jichoes van de chatan en daarom konden zij de sjidoech annuleren omdat hier sprake zou zijn van een „miskoop” [Een onrechtmatige verbreking van een sjidoech werd in die tijd, en in sommige orthodoxe kringen nog steeds, beschouwd als contractbreuk, waartegenover schadevergoeding betaald moest worden (Zwi)].

De auteur van Machané Chaim bespreekt het geval uitgebreid. Nadat hij er de nadruk op heeft gelegd dat zij de feiten goed moesten onderzoeken, voegde hij eraan toe: „Betreffende een decreet dat niet door alle Joden is geaccepteerd, zoals het decreet van Rabbeinoe Gersjom, dat niet overal geaccepteerd werd en sommigen zeggen dat hij zo slechts tot het einde van het vijfde millenium beslist had, daarvan wordt niet gezegd dat het een gebrek is… zoals Chazal zeggen: ‘Zij eten het en voor ons sluit het niet eens af?’” Hij bedoelde, dat ondanks dat wij onder bepaalde omstandigheden een sjidoech kunnen verbreken wanneer blijkt dat bepaalde verboden van Tora werden overtreden, dat in dit geval niet het geval is. Daar dit decreet niet voor alle landen geldt [zie Sjoelchan Aroech E.H. 1:9], moeten wij iemand die het overtreden heeft niet beschouwen als iemand aan wie een defect kleeft, welk zijn familie treft. Het is onmogelijk dat dezelfde handeling, die in bepaalde gemeenschappen is toegestaan, een jichoes van een familie in een andere gemeente kan tekenen.


[1]. Afkorting van Sjnei Loechot Habrit, het werk waarmee Rabbi Jesjaja Horowitz (5320/1560 te Praag – 5390/1630 te Tiberias, Erets Jisrael) de meeste bekenheid kreeg (Zwi).

[2]. R. Eliahoe Loanz, Frankfurt am Main 5324/1564 – Worms, 5396/1636.

[3]. R. Chaim HaKohen, Egypte 5348/1585 – Leghorn, Italië  5420/1660. R. Chaim HaKOhen was een leerling van R. Chaim Vital.

[4] Rabbijn Jechiël Michal Ben Aharon Jitschak HaLevi Epstein (1829 Brobruisk, Belorussia -1908 Novogrudok, Belorussia).

[5] Rabeinoe Gersjom Meor HaGola; ca 960 Metz, Frankrijk  – 1040 Mainz, Duitsland.