Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
25 Adar 5764 Traktaat Choelien 51 Nr. 54

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 251 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 51a – Het is zeker dat het drie dagen te voren gebeurd is

Het is verboden je eigendommen te beschadigen

Financiële wetten worden uitgebreid in Sedere Nezikien besproken. Maar onze soegia behandelt een belangrijke financiële halacha die onze aandacht vraagt.

Onze Gemara legt uit dat iemand die een dier koopt om te slachten [zie Netivot HaMisjpat 232:3], het vervolgens slachtte en daarbij ontdekte dat het treifa is,  en als hij kan vaststellen dat het reeds treifa was toen hij het dier kocht, die kan zijn geld terug­eisen van de verkoper, want hij heeft een miskoop gedaan. De chidoesj van deze halacha is dat, de koper een dier aankocht dat geschikt was om erop te rijden, etc. [zolang als de treifa zou leven] maar een kadaver teruggeeft dat alleen nog maar geschikt is als voedsel voor de honden, maar hij hoeft toch de verkoper geen schadevergoedigng te betalen voor het waardeverlies dat is ontstaan door het slachten.

Een koper die een artikel gebruikt op een ongewone manier moet de verkoper schadevergoeding betalen: Rambam bepaalt [Hilchot Mechira 16:6-7] in overeenkomst met onze Gemara en benadrukt dat „hiervan leer je” dat als een defect bij een aankoop ontdekt wordt, de koper is vrijgesteld van schadevergoeding voor de waarde­vermindering van het artikel door gebruik. Bijvoorbeeld, iemand kocht een lap stof en knipte het in stukken om er iets van te naaien en dan ontdekt hij dat er een gebrek aan zit, en hij brengt de lap stof terug. Dan krijgt hij zijn volle aankoopbedrag terug en hij hoeft de verkoper geen schadevergoeding te betalen, omdat hij voorheen een compleet kledingstuk had en nu alleen maar kleine lapjes die veel minder waard zijn. Maar Rambam ligt zijn bepaling nader toe: de koper is alleen vrijgesteld  „als hij iets deed wat normaal is… maar als hij iets onge­woons deed en daarbij een andere schade veroorzaakte, voordat hij het eerste gebrek ontdekte, dan brengt hij zijn aankoop terug en moet hij voor de schade die hij veroorzaakte betalen.” Met andere woorden, wanneer de koper van de lap stof besloot om het te gebruiken om er het vuur van Lag B’Omer mee aan te steken op het graf van Rabbi Sjim’on bar Jochai, en toen hij de lap stof in de benzine doopte, ontdekte hij dat er een gebrek aan was, dan mag hij de aankoop annuleren en het met benzine doordrenkte kledingstuk terugge­ven aan de ver­koper, maar hij moet schadevergoedigng betalen voor het verschil in prijs tussen dat van een gebrekkig kledingstuk en dat van een kledingstuk dat in de benzine gedoopt is, want hij heeft iets ongewoons gedaan.

Om Rambams regeling goed te begrijpen, moeten wij geholpen worden door de leiders van de generaties want wanneer wij deze halacha nader bekijken, komen wij een moeilijk probleem tegen. Betreffende een dier dat voor sjechita verkocht werd, weten zowel de koper als de verkoper dat het probleem van treifa, een algemeen voorkomend probleem, boven hun hoofd hangt en dus is het  voor de hand liggend dat de koper, voordat hij een defect in het dier veroorzaakt, zich ervan vezekert dat het niet treifa is en dat het dus een geldige koopovereen­komst is. Wanneer hij andere schade veroorzaakt, voordat hij het dier gecontroleerd heeft, mag hij niet onschuld voorwenden en het dier teruggeven aan de vekoper met de gebreken dat hij eraan veroorzaakt heeft, met de bewering dat hij later ontdekte dat het treifa was.

Wanneer wij echter deze halacha proberen te begrijpen met betrekking tot het gebrekkige kledingstuk, hebben wij een probleem. Ten slotte, noch de verkoper, noch de koper bedachten op het moment van de vekooptransactie dat er een gebrek aan de lap stof zou zitten. De koper kocht de lap stof in de duidelijke verondestelling dat het nu van hem was en hij gebruikte het zoals mensen gewoon zijn hun eigendommen te gebruiken. Wat is dan de basis voor deze regeling, dat als de koper de lap stof in stukjes knipte om er een ander kledingstuk van te naaien, en dan een gebrek ontdekt, hij vrijgesteld is van schadevergoeding, maar als hij het gebruikte om er een vuurtje mee te stoken, hij de verkoper het waardeverlies moet betalen?

De auteur van Netivot HaMisjpat [ibid 5] verklaart dat hoewel de verkoper en de koper er niet bij nadenken dat er aan de lap stof een gebrek is, is het voor beiden duidelijk dat als blijkt dat er een gebrek aan is, de koper het kan terugbrengen en de aankoop kan annuleren. Maar op het moment dat de koper de lap stof op het graf van Rabbi Sjim’on bar Jochai in de benzine doopt om er een vuurtje mee aan te steken, weet hij dat hij op zijn handeling niet meer kan terugkomen. Op dat moment beschadigt hij de lap stof van de verkoper als blijkt dat het een miskoop was en dus moet hij hem schadevergoeding betalen wanneer hij de lap stof terugbrengt [zoals de halacha voor iemand die onopzettelijk schade veroorzaakt; zie Bawa Kama 26b en Tosafot ibid, 27b]. Alleen als hij het artikel gebruikt voor het doel waarvoor het bestemd is, mag hij de verkoper met de kleine lapjes benaderen en zeggen: „Ik heb de lap gekocht om er iets mee te naaien; ik heb het gebruikt voor het doel dat ik je bij aankoop gezegd heb, maar kijk, ik vond er een gebrek aan” [zie daar dat hij concludeert dat het probleem nadere studie vergt en zie Ner Lemaor 64 door HaGaon Rabbi Mordechai Eliahoe Rabinovitz, 5649].