Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
Rosj Chodesj Nisan 5764 Traktaat Choelien 55 Nr. 55

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 251 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 51a Het gebeurde eens dat er voor Rebbi een naald gebracht werd die in één kant van de wand van de beit hakosot  zat en hij verklaarde het dier treifa.

De beit hakosot met een gat en het wonder dat de Chatam Sofer overkwam

Het is de gewoonte van vele dieren, waaronder koeien, schapen en geiten, om alles te eten wat ze tegenkomen. Zo vond men eens onderdelen van een paraplu in de ingewanden van een stier en het is heel gewoon dat allerlei metalen voorwerpen in de ingewanden van dieren gevonden worden. Daarom installeert men tegenwoordig krach­tige magneten in koeiestallen, om het metaal eruit te trekken. Een andere moderne methode is om een magneet in de maag van de stier te planten om zo metaal aan te trekken en te voorkomen dat het vitale organen doorboort en het dier treifa maakt.

Een vreemd voorwerp dat erin slaagt de ingewanden van een dier binnen te dringen, doet dat door zich af te scheiden van het voedsel en de beit hakosot [netmaag] binnen te dringen, een kleine maag dicht bij het middenrif gelegen. Als een naald, spijker of enig ander scherp voorwerp de beit hakosot doorboort, is het dier treifa, zoals onze soegia vertelt. De Gemara voegt daaraan toe, dat wanneer een gat gevonden wordt dat niet dwars door de wand van de beit hakosot gaat, maar aan de andere kant vindt men een druppel bloed, dan is het dier toch treifa, want het bloed bewijst dat de wand van de beit hakosot inderdaad doorboord is geweest, van de ene kant naar de andere kant.

Wanneer er in de wand van de beit hakosot een gat zit, dan is die plaats opgezwollen, en produceert een sircha [slijm] en raakt vastgeplakt aan het middenrif. Daarom bestaat er de verplichting om zich ervan te verzekeren dat de beit hakosot niet vastgeplakt zit aan het diafragma [Zevach Sjmoeël aan het eind van Dinei Bedikot], doordat men zijn hand tussen de beit hakosot en het diafragma steekt. Wanneer er een sircha gevonden wordt en daar tegenover zit een naald vast in de wand van de beit hakosot, dan is het dier treifa, ook al is de naald niet door en door gedron­gen [Rema, J.D. 41:8], net zoals onze soegia beschrijft over een druppel bloed dat gevonden wordt aan de andere kant van een gat dat niet door en door is. [1]

De poskiem zijn het echter niet met de Rema eens als, behalve de sircha, er een losse naald gevonden wordt in de beit hakosot. Sommigen zeggen dat het dier dan toch kosjer is [Responsa Tsemach Tzedek Hakadmon, 49; Responsa Noda’ BiJehoeda, J.D. 15; en zie Darchei Tesjoewa 41, s.k.71]. Zij baseren zich op twee meningen van de Risjoniem [zie Hagahot Asjeri Hfdst. 3]: (1) De huid van de beit hakasot is zeer dik en we moeten niet veronderstellen dat die doorboord is zonder bewijs [zie Rasji en Meïri op 49a]. (2) De beit hakosot bevat altijd voedsel en drinken en we moeten veronderstellen dat als een naald in de wand vast zou zitten, dat het van die plaats verwijderd zal worden door de voortdurende druk die daarop wordt uitgeoefend.

Sommige poskiem zijn het er niet mee eens en zeggen dat zelfs al een naald los in de beit hakosot gevonden wordt, dan moet het dier treifa verklaard worden [Responsa Paniem Meïrot II:129; Responsa Choet HaSjani 69; en zie Responsa Chatam Sofer J.D. 33 en 45, die ook de neiging heeft om dit te verbieden, en zie Darchei Tesjoewa, ibid]. Volgens hen zijn de meningen van de Risjoniem alleen voldoende als er geen verdenking is gerezen dat de wand van de beit hakosot geperforeerd is. Echter, als de beit hakosot een sircha heeft geproduceerd, dan moeten wij aannemen dat dat het resultaat is van een gat en als er een naald gevonden wordt in de beit hakosot, dan moet het dier treifa verklaard worden, wegens de combinatie van feiten: een naald en een sircha. De Chatam Sofer zts”l getuigt [Responsa J.D. 33]: „dat wij gezien hebben dat vanaf de tijd van de Rema wij tienduizende dieren hebben onder­zocht en in ieder dier waarin een sircha gevonden werd, werd ook een naald binnenin gevonden” [en zie Paniem Meïrot, ibid, die even strikt was, zelfs als er geen naald of iets dergelijks gevonden werd; dat betekent dat Paniem Meïrot de Chatam Sofer tegenspreekt: niet alle dieren met een sircha  hebben een naald of iets dergelijks?(zwi)].

De Chatam Sofer schreef opgewonden aan zijn leerling Akiwa Asjer [ibid 33] over de hemelse hulp die hij verkregen had bij het leiden van zijn gemeente. Hij placht strikt te zijn, en als er sirchot gevonden werden die uit de beit hakosot kwamen en zich vasthechtten aan het diafragma, dan zou het dier treifa verklaard worden als een naald los in de beit hakosot gevonden werd. Op de dag voor Pesach kwamen de sjochtiem naar hem toe: 24 koppen van rundvee waren geslacht en allen waren treifa verklaarde omdat er een naald in hun beit hakosot gevonden was. De feestdag naderde en de mensen zouden geen vlees hebben. Na de feiten te hebben gecontroleerd, besliste hij dat men deze keer soepel zou zijn en wanneer er een sircha gevonden zou worden, dan zou men de beit hakosot leegmaken voordat hij onderzocht zou worden en daarna zou men zoeken naar een naald in de wand van de beit hakosot. Hij waarschuwde hen ernstig dit niet te doen in andere gevallen maar alleen op de dag voor Pesach gaf hij hen toestemming zo te doen wegens de urgentie [zie daar voor zijn redenen om soepel te zijn]. Hij vertelt opgewekt: „Daarna slachtten zij nog 19 dieren, de een na de ander, en er werd geen sircha gevonden, noch enige andere twijfel en ik zei: „Baroech Hasjem dat ik niet soepel heb hoeven zijn, want dat had mij zeer verstoord’.” De  auteur van Pirchei Tesjoewa [J.D., S.K. 13-14] citeert deze gebeurtenis, nadat hij het onderwerp waarover wij het hebben, genoemd heeft en concludeert: „Ik heb dit alles gecopiëerd om de grootheid van de tsaddikiem aan te tonen.”

Wij willen hier opmerken dat sommige veeleisende hechsjeriem hun vlees alleen „glatt” noemen als zij geen sircha vinden tussen de beit hakosot en het middenrif.

[1] Sommigen zijn soepel en zeggen dat zelfs als er een naald in de wand van de beit hakosot gevonden wordt en aan de buitenwand zit een sircha, dan toch is het dier kosjer. Alleen als er een druppel bloed gevonden wordt tegenover het gat is er verdenking dat de naald een open gat gemaakt heeft, maar een sircha kan ook veroorzaakt worden door een gedeeltelijk gat [kreiti Oefleiti, eind 42, en hij zegt dat de zaak nader onderzocht moet worden; Responsa Toledot Jitschak 3; en zie Da’at Tora, noot 34 en Darchei Tesjoewa 79]. Responsa Melamed Leho’iel [J.D. 8, en zie wat hij schrijft tegen deze gewoonte] getuigt dat zo de minhag was in Polen,  dat zij een strohalm staken op de plaats waar de naald vastzat [voor het geval dat het een nep-gat was en als het strootje niet door de wand naar de andere kant ging, werd het dier kosjer verklaard. En zie Aroech Hasjoelchan ibid. Se’ief 36].

 

Daf 55b – En wanneer de dikte van een gouden dinar overblijft is het kosjer

Wat is het verschil tussen Sjerajiem, isjtajar en sjioerei

Rav Sjalom Eliyashiv behandelde de volgende Talmoedische onderwerpen: sjerajei menachot, isjtajar en sjioerei. De discussie ontstond naar aanleiding van de beslissing van Rasjba over wanneer een dier kosjer is als er een gat in zijn milt zit.

Onze Gemara zegt dat een dier met een gat in het dikke deel van de milt treifa is. Maar als het gat niet door en door is, maar er blijft nog een stukje ongeperforeerde milt ter dikte van een gouden dinar over, dan is het dier kosjer. De Toer [J.D. 43] voegt daaraan toe dat de Rasjba besliste dat in onze tijd wij de dikte van een gouden  dinar, die in gebruik was in de tijd van Chazal, niet meer weten, en daarom „lijkt het mij toe dat het minder is dan de halve dikte.” Met andere woorden, wanneer er een niet-doorboord stuk milt blijft van iets minder dan de halve dikte van milt, dan is het dier kosjer en de Sjoelchan Aroech [43:4] beslist overeenkomstig.

De Rasjba geeft twee redenen voor zijn beslissing [zie Beit Joseef ibid] en in dit artikel willen wij ons op de tweede reden concentreren: (1) Hoe dik een gouden dinar ook mag zijn, hij is waarschijnlijk minder dik dan de halve dikte van de milt. (2) Onze Gemara gebruikt de woorden: „als er de dikte van een dinar overblijft.” Het schijnt dat de ongeperforeerde dikte alleen maar het blijvende gedeelte van de doorboorde milt is. Het is duidelijk dat de dikte van het gedeelte zonder gat minder is dan het deel met een gat, want als dat niet zo was, zou het niet het „overblijfsel” genoemd worden.

„Overblijfselen” zijn niet noodzakelijk de minderheid: De auteur van Tiferet Jisraël verbaasde zich over de ver­onderstelling van de Rasjba dat sjerajiem noodzakelijkerwijze de minderheid moeten vormen. De Gemara zegt [Soeka 13a, Misjna Para 11:9] dat „de mitswa van de hysop bestaat uit drie steeltje en zijn overblijfsels zijn twee.” Dat wil zeggen, een hysop van drie steeltjes, waarvan er slechts twee overblijven, is kosjer. Hieraan zien wij dat zelfs als de meerderheid overblijft, het „overblijfsel” wordt genoemd en daarom moeten wij verklaren dat de „overblijfsels” het deel is dat achterblijft, of het een minderheid is of een meerderheid. Daarom kan men niet uit onze Gemara, die de uitdrukking „overblijfsels” gebruikt, bewijzen dat het voldoende is als minder dan de helft van de dikte van de milt ongeperforeerd is. Is dit waar?

Rabbijn Eliyashiv [opmerkingen bij Soeka 13a] legt de mening van de Rasjba uit, daarbij vertrouwend op het commentaar van de Gaon van Wilna op Ruth, waar staat dat nadat Naomi weduwe was geworden, „zij en haar twee zonen overbleven”. De Midrasj [Ruth, parasja 2] haalt Rabbi Chanina aan die zegt dat Ruth „werd als de overblijfselen van menachot [meeloffers]”. Wat hebben de overblijfselen van de menachot met Naomi te maken? De Gaon van Wilna legt uit dat Rabbi Chanina een probleem had: alleen Elimelech was overleden, dus waarom noemt het vers de drie overlevenden de „overblijvenden”? Rabbi Chanina verklaarde dat net als bij de menachot in de Tempel de kohen alleen maar een handvol van de menachot neemt en dat op het altaar offert, terwijl de rest van het mincha , dat in naar het afval gaat de „overblijfselen van de menachot” genoemd worden omdat het minst belangrijke deel is, zo ook bleven Naomi en haar zonen over, omdat zij minder belangrijk waren dan Elimelech.

Hetzelfde geldt voor de bundel hysop, die uit drie stengels hoort te bestaan: de twee overblijvende stengels worden „de overblijfselen van de hysop” genoemd, daar zij niet als de hoofdzaak van de mitswa zijn. Maar wanneer het ene deel niet belangrijker is dan het andere, zoals bij de milt in onze soegia, dan, wanneer Chazal de uitdrukking „overblijfselen” gebruiken, bedoelen zij het kleinste deel van de milt en de Rasjba leerde daaruit dat als in minder dan de halve dikte van de milt geen gat zit, het dier kosjer is.