Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
11 Nisan 5764 Traktaat Choelien 56 - 59 Nr. 57

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 252 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 58b: Deze dadels in een pot

„Die ons geheiligd heeft… en ons geboden heeft te controleren op wormen”: Waarom niet?

„Hoe weten wij van de halacha dat wij groente moeten controleren op wormen?” vraagt de Rasjba[1] [Responsa I, 113, en ook in Torat HaBait, bait 3, sja’ar 3, p. 84]. Hij antwoordt: „Weet dat het een halacha is die in Israël geldt en expliciet in de Gemara vermeld staat, dat iets dat in het algemeen door insecten is aangetast, verboden is om te eten, voordat het gecontroleerd is.” Met andere woorden, hoewel een vrucht schoon kan lijken en er geen kruipend ongedierte in lijkt te zitten, is er een verplichting om het na te kijken omdat er vaak ongedierte in dit soort fruit zit. De Rasjba voegt daaraan toe dat het zo in onze Gemara staat, waar staat dat het verboden is om dadels van een bepaalde plaats te eten, omdat er vaak wormen in zitten. De Rosj[2] en de Ran[3] leggen uit dat in alle soorten fruit vaak wormen zitten en daarom gecontroleerd moeten worden, ondanks dat het meeste  fruit van dit soort niet aangetast is, net zoals het een verplichting is om de longen van een dier te controleren, hoewel de meeste longen niet treifa zijn [zie ons artikel „Controle van de longen: de regel, de reden en de onthutsende vraag” in nr. 49 van dit blad], omdat een belangrijk deel van de dieren sirchot hebben [de poskiem zeggen dat Rasji en Rabbeinoe Gersjom hierover van mening verschillen en dat zij van mening zijn dat men fruit alleen moet controleren als het zeker geïnfecteerd is].

Het vermijden van wormstekig voedsel: In tegenstelling tot voedsel, waarvan het bekend is dat het door wormen geïnfecteerd is, is er voedsel dat verondersteld wordt vrij te zijn van wormen, zoals kokosnoten, suiker, e.d. Er bestaat geen verplichting om dit te controleren, maar wanneer  er drie maal wormen in gevonden worden, dan moet het gecontroleerd worden [Chochmat Adam 57; Sjoelchan Aroech, J.D. 84:9]. In de loop van de jaren hebben de geleerden bepaalde soorten verboden om te eten, omdat de wormen er niet compleet uit te verwijderen zijn. Prie Toar schrijft [s.k. 15] dat in zijn tijd bloemkool niet gegeten werd. De Maharsjal [aangehaald in de Taz, s.k. 17] dat hij het vermeed om truffels te eten, wegens de problemen bij de controle. De Ben Iesj Chai [2de jaar, Naso] schrijft dat een gewetensvol mens het vermijden moet om bietenbladen en mint-bladen te eten „en bij ons komen de bietenbladen het huis niet in, behalve op Rosj Hasjana, dan brengen we het binnen om er naar te kijken en er over te bidden.”

Onderzoek naar wormen en bedikat chameets: Het controleren op wormen doet ons herinneren aan het zoeken naar chameets. Beide zijn controles ter vermijding van een overtreding. De Gaon van Lissa zts”l zegt [Mekor Chaim in het voorwoord tot siman 431] dat er poskiem zijn die beweren dat iemand die zijn chameets niet nietig verklaart en niet afziet van zijn eigendom daarvan [door het zeggen van kol chamira] een verplichting van Tora heeft om er naar te zoeken [om het te vernietigen], net zoals het een verplichting is van Tora om fruit, dat vaak door wormen is aangetast, te controleren. [De verplichting om te zoeken naar chameets is een decreet van de Rabbijnen, want op grond van Tora is het voldoende om het alleen maar nietig te verklaren en om af te zien van zijn eigendom].

Het verschil tussen het zoeken naar chameets en de controle op wormen: Toch zeggen wij een beracha over het zoeken naar chameets, maar niet voor de controle op wormen, omdat de controle op wormen nodig is om een verbod te vermijden. De controle op zich is geen mitswa. Aan de andere kant is het zoeken naar chameets bedoeld om een mitswa te doen, de mitswa van tasjbitoe [om het chameets  te vernietigen]. Men is verplicht om het chameets dat men in zijn bezit heeft, te verwijderen [zie Rasji en Tossafot, Pesachiem 2a] en daarom zeggen wij een beracha over dit zoeken.

Chameets is een aanwijzing voor de slechte neiging: Wij eindigen hier met een interessante opmerking van de Radbaz [Responsa III, 977], dat de Tora streng is voor het verbod op chameets omdat chameets een aanwijzing is voor de jetser hara [de slechte neiging]. Daarom moet men het volledig van zich verbannen en ernaar zoeken in alle verborgen nissen van zijn gedachte… en dit is de ware betekenis.”

Daf 59a - Vinnen en schubben

Wat zijn schubben van vissen?

Een onschuldig uitziende vis, sjtirel genoemd, veroorzaakte enkele jaren geleden grote beroering onder de grootste Rabbaniem en zette aan tot een discussie over kasjroet.

De Tora zegt: „Dit mag je eten van alles wat er in het water is, alles dat vinnen en schubben heeft, mag je eten” [Wajjikra 11:9]. Dat lijkt duidelijk genoeg. Maar wanneer we proberen duidelijk te maken wat nu eigenlijk precies schubben zijn, ontdekken we dat velen van onze grote geleerden getobd hebben met dit probleem. Een overvloed van wonderschone schepselen bewoont de diepte van de wereldzeeën en vele van hen hebben allerlei soorten uitsteeksels van verschillende vormen. Wat is kasjkeset?

Rasji schrijft [ibid] over schubben „Dit zijn schilfers die eraan vastzitten, zoals ons verteld wordt (in I Sjmoeël 17:5): ‘en in een schubbenpantser was hij gekleed’”. En hij citeert onze Gemara, die zegt: „de schubben die eraan vastzitten.” Ramban schrijft [ibid]: „Begrijp niet verkeerd uit de omschijving dat schubben volledig vastzitten aan het lichaam en aan de huid van de vis, maar men noemt ze ‘vast’ omdat ze niet heen en weer bewegen en zwaaien zoals de vinnen.” Daarom, zegt Ramban, zijn schubben die aan het lichaam vastzitten en er helemaal niet van loskomen, geen schubben en de vis in niet kosjer. En zo is ook de halacha [Beit Joseef J.D. 83; Rema, ibid, par. 1].

De sjtirel die aan de Noda’ BiJehoeda werd opgediend: Op een dag na Jom Kippoer 5542 [1781] bracht een postbode in Praag een vis naar de stadsrabbijn, HaGaon Rabbi Jechezkel Landau[4] zts”l met een begeleidende brief, of beter een brief die begeleid werd door een vis. De schrijver, een goede vriend van de Noda’ BiJehoeda, HaGaon Rabbi Tsvi Hirsch Segal, de Rabbijn van Tamshover, schreef dat men in zijn gemeente al generaties lang deze vis, sjtirel genaamd, niet eet, maar niemand herinnert zich waarom. Hij vroeg de Gaon om de sjritel nader te onderzoeken. De Noda’ BiJehoeda onderzocht de vis. Hij verschilde hierin van andere vissen, dat hij slechts twee rijen schubben aan iedere kant had [misschien de ‘sterlet’ een soort steur die in de rivieren van Oost Euopa voorkomt en die twee rijen beenschubben aan ieder kant heeft? (Zwi)]. Dat was geen nadeel. Het probleem was dat de schubben er alleen met een scherp instrument waren af te schrapen. Iedere poging om ze met de hand te verwijderen, baatte niet. Kennelijk waren de schubben een deel van het lichaam van de vis en was het beest niet kosjer.

De vis weken in oplossingen: De Noda’ BiJehoeda gaf het niet op. De vis, die zo’n grote afstand had afgelegd, werd gedurende drie uur in water en in andere oplossingen te weken gelegd. Pas toen was het mogelijk de schubben met de hand te verwijderen. Het gevolg was dat de Noda’ BiJehoeda besliste dat de vis kosjer was. Hij legde uit dat zonder de chiddoesj van Ramban wij in het geheel niet geweten zouden hebben dat schubben die niet verwijderd kunnen worden, geen teken van reinheid zijn, omdat dit feit niet expliciet in de Gemara vermeld staat. Maar, zoals de Ramban schreef, en zoals de halacha beslist was, „moeten wij met aandacht en vrees naar hun woorden luisteren”. Maar het is voldoende wanneer zij „op een of andere manier verwijderd kunnen worden; dan worden zij kaskasiem genoemd en de vis is kosjer” [Responsa Noda’ BiJehoeda, 2de ed., J.D. 28].

De uitspraak van de Noda’ BiJehoeda werd vele jaren later gedrukt en uitgegeven, maar kreeg daarvoor reeds veel aandacht. De discussie deed boeken en pamfletten ontstaan, waaronder antwoorden van diegenen die de vis verboden en degenen die het toestonden [Imrei No’am en Makal No’am, etc.].

De methode van de Ramban om schubben te onderzoeken: HaGaon Rabbi Jitschak Grishaber zts”l , de Rabbijn van Paksj, was de aanvoerder van degenen die het verboden en hij stuurde brieven naar Rabbi Sjmoeël, de zoon van de Noda’ BiJehoeda, die intussen was overleden. Hij wilde duidelijk weten of het gerucht waar was dat zijn vader van gedachte, om de vis toe te staan, was veranderd vóór zijn overlijden. Rabbi Sjmoeël verwierp de kritiek [Responsa ibid 29-30] en versterkte zijn vaders toestemming, gebaseerd op een handeling die door Ramban zelf werd gedaan. De auteur van Ohel Mo’ed [Sja’ar Issoer Weheter] getuigt dat Ramban een vis, asjtoerian genaamd, onderzocht had, die sommigen wilden verbieden. Hij weekte de vis in kokend water en „toen de schubben loslieten” besliste hij dat de vis kosjer was. Daarmee bleek dus dat Ramban zelf beslist had dat schubben die met behulp van verschillende methoden te verwijderen zijn, een teken van reinheid zijn.

We moeten onderscheid maken tussen schubben die vanzelf afvallen en schubben die verwijderd moeten worden: Jaren later verwierp de Ktav Sofer[5] dit bewijs [Responsa J.D. 45] met de bewering dat de schubben van de vis die Ramban geweekt had, vanzelf waren afgevallen, in tegenstelling tot de schubben van de sjtirel, die er zelfs na het weken afgeschraapt moesten worden [zie Beit Hillel J.D. 83, s.k. 1 en Chidoesjei Chatam Sofer].


[1] Rasjba: Rabbijn Sjlomo (ben Awraham) Ibn Aderet (1235, Barcelona, Spanje - 1310, id): Halachist en Talmoedist. Studeerde onder R. Jona Gerondi en Ramban. Zijn responsa zijn vermoedelijk de meest uitgebreide van zijn tijdperk en behandelen alle onderwerpen van het Jodendom, en worden in zeer vele later werken, zoals de Toer en Sjoelchan Aroech aangehaald.

[2] Rosj: R. Asjer ben Jechiël (Duitsland, ca. 1250 - Toledo, Spanje, 1327). Halachist, Talmoedist. Was de meest belangrijkere leerling van de Maharam van Rotherburg. Vluchtte uit Duitsland na de massamoorden op de Joden daar. Hij schreef een halachisch commentaar op de hele Talmoed en dat staat in bijna iedere editie van de Talmoed achterin afgedrukt. Het vormde een van de voornaamste halachische codices, waarop de Sjoelchan Aroech van R. Joseef Karo gebaseerd werd.

[3] Ran: Rabbeinoe Nissiem (Spanje, ca. 1290 - 1375). Halachist, Talmoedist. Een van de voornaamste autoriteiten in zijn tijd, die van over de hele wereld geraadpleegd werd. Hij schreef een uitgebreid commentaar op Rif’s Sefer HaHalachot dat op vele Tal­moedtraktaten achterin samen afgedrukt wordt.

[4] Rabbi Jechezkel Landau (1713-1793), halachische autoriteit van de 18de eeuw, bekend als ‘Noda biJehoeda’, naar een van zijn werken. Hij was een afstammeling van Rasji en een van de meest vooraanstaande Joodse geleerden uit zijn tijd. Hij was Opperrabbijn van Praag.  Zijn belangrijkste werk  ‘Noda biJehoeda’ is een responsa op zo’n 860 vragen, door velen geciteerd. Een ander bekend werk is Dagoel me-Revava, een commentaar op de Sjoelchan Aroech.

[5] Abraham Samuel Benjamin Wolf Sofer (1815-1871), bekend onder de naam van zijn responsa Ktav Sofer;  oudste zoon van Moses Sofer (beter bekend als de Chatam Sofer).


Daf 60b – Breng een zoenover voor Mij, omdat Ik de maan kleiner gemaakt heb.

Een zoenoffer voor het kleiner maken van de maan

De Rif geeft in zijn werk halachische beslissingen op grond van beslissingen in de Gemara, en liet daarbij de discussies die tot die beslissingen geleid hadden en de aggadot weg. Toen hij echter onze Gemara verklaarde, wijzigde hij deze gewoonte en verklaarde uitvoerig de aggada die in onze Gemara genoemd wordt [zie Sjewoe’ot 9a], als volgt:

Op grond van de speciale zinsconstructie van het vers in Bamidbar [28:15] over het chataat – zondoffer – voor Rosj Chodesj – „En één geitebok tot zondoffer voor Hasjem” – dat „Hasjem zei: ‘Breng een zondoffer voor Mij, omdat Ik de maan kleiner gemaakt heb.’” De eenvoudige betekenis hiervan is dat Hasjem zo gezegd opdracht gaf om iedere Rosj Chodesj een geitebok als chataat te brengen, om daarmee verzoening te brengen voor het feit dat Hij de maan kleiner gemaakt heeft bij de Schepping. De maan beweerde dat, aangezien bij de Schepping de zon en de maan even groot waren, niet twee koningen – de zon en de maan – dezelfde kroon kunnen gebruiken. Waarop Hasjem zei: „Ga heen en maak jezelf kleiner.” Een uitzonderlijke opmerking in de marge van de Gemara [in Sjewoe’ot ib.] zegt: „Dit is een geheim van de geheimen van de Kabbala; men moet dit niet opvatten volgens zijn eenvoudige verklaring, want al de glorie van ‘prinses’ is hierin verhuld.” Vele leiders van de generaties hebben zich ingespannen in een poging deze opmerking te verklaren, dat Hasjem zogenaamd verzoening nodig heeft. De Rif [begin Sjewoe’ot] legt uit dat Hasjem de maan troostte voor het feit dat Hij haar kleiner gemaakt had, doordat op Rosj Chodes een offer gebracht wordt om verzoening te doen voor het volk. Hij legt uit: „breng een zoenoffer” – breng een chataat van een geitebok om boete te doen voor je zonden, „voor Mij, want Ik heb de maan kleiner gemaakt” – ter compensatie van de eer van de maan, uit  Mijn naam.

„Iedere geit zullen wij met goede wil maken”: ‘Olat HaChodesj geeft een hele mooie verklaring [hfdst. 8, opm. 4, in naam van Or Lajesjariem] van de zinsconstructie van de Rosj Chodesj-gebeden volgens de verklaring van de Rif. Wanneer wij ons magnifiek verleden beschrijven, zeggen wij „toen zij U offers van goede wil brachten en geiten als chataat om voor hunzelf verzoening te doen”, maar wanneer wij de toekomst beschrijven, zeggen wij: „en geiten zullen wij maken met goede wil”. Dit is omdat in de toekomst het licht van de maan gelijk zal zijn aan het licht van de zon en de Rosj Chodesj-geit zal dan niet langer gebracht hoeven te worden als verzoening voor het feit dat de maan kleiner is dan de zon, maar uitsluitend uit goede wil.

Het noemen van de Rosj Chodesj-geit in het Rosj Hasjana-gebed: Het is interssant dat de Risjoniem correspondentie met elkaar uitwisselden over het noemen van de Rosj Chodesj-geit in het Rosj Hasjana moesaf-gebed. Rabbeinoe Mesjoelam beweerde dat het niet genoemd moet worden en dat, volgens hem, Rosj Hasjana kesee [een schuilplaats] genoemd wordt omdat de Rosj Chodesj-geit verborgen is. Op de dag dat wij verzoening vragen van Hasjem is het niet passend om Hasjems verzoening voor het kleiner maken van de maan te noemen. Rabbeinoe Tam zond hem brieven waarin hij schreef het niet met hem eens te zijn omdat men de Rosj Chodesj-geit ook op Rosj Hasjana moet offeren [zie Tossafot Rosj Hasjana 8b en Sefer Hajasjar, Responsa 43,44 en 46].

Voor wat betreft de halacha: de minhag is om Rabbeinoe Tam te volgen en op Rosj Hasjana zeggen we: „en twee bokken om verzoening te verkrijgen,” één voor Rosj Hasjana en één voor Rosj Chodesj.

De Acheroniem noemen ook verschillende verklaringen voor onze Gemara. Maharatz Chajot verklaart [op onze soegia en op Sjewoe’ot 9a] dat wegens de verkleining van de maan er verschil gemaakt was tussen de zon en de maan en vele afgodendienaren kwamen de zon aanbidden wegens diens speciale functie. Daarom moeten wij een zoenoffer brengen op Rosj Chodesj om de nadruk te leggen op onze dienst voor Hasjem [„Voor Mij” betekent dan voor Mijn dienst]. De Chatam Sofer legt uit dat in de toekomst het licht van de maan gelijk zal zijn aan het licht van de zon en het zijn de Joden, wegens wiens zonden de ballingschap verlengd wordt en de hernieuwde groei van de maan uitgesteld wordt, die de verzoening daarvoor nodig hebben.

Waarom moest de maan getroost worden? Het was haar bewering dat het niet passend was om evengroot te zijn als de zon: Aan de andere kant, verklaarde HaGaon Rabbi Jehoeda Arjé uit Brod Zts”l de Gemara op een heel mooie manier [Leev Arjé, volgens de Maharam Sjiff]. Het was de maan die beweerde dat zij niet evengroot als de zon moest zijn. Hasjem maakte haar daarom terecht kleiner, dus waarom heeft Hij verzoening nodig? Maar de waarheid is dat bij de Schepping het licht van de zon groter was dan dat van de maan. Men kon bij het licht van de zon van het ene einde van de wereld tot het andere einde zien, maar Hasjem verminderde het licht omdat de wereld zoveel licht niet verdiende [Chagiga 12a]. De maan beweerde daarop dat het niet passend was dat zij en de zon even groot waren en daarop maakte Hasjem haar kleiner. Maar in werkelijkheid verzocht de maan dat de zon weer in haar oorspronkelijke grootte hersteld zou worden. En daarom moeten wij een zoenoffer brengen omdat de zon gedimd werd wegens ons wangedrag en daarom werd de maan verkleind.

Wij besluiten met de troostende profetie van Jesjajahoe [30:20] over de goedheid die voor ons voorspeld wordt aan het einde van de ballingschap: „En het licht van de maan zal gelijk zijn aan dat van de zon en het licht van de zon zal zevenvoudig zijn, zoals het licht van de zeven dagen, op die dag zal Hasjem de breuk van Zijn volk helen en hun wond genezen”.

Daf 60b – De twee grote lichten

„Zoals in Joma”

Men zegt dat de Gaon van Wilna zts”l in zijn Choemasj naast het vers „de twee grote lichten” [Bereisjiet 1:16] de woorden „Zoals in Joma ô"ĺ schreef. HaGaon Rabbijn Chaim van Voloztin zts”l loste het probleem van de bedoeling van zijn mentor op, nadat velen dat vóór hem geprobeerd hadden en het hadden opgegeven: Onze Gemara citeert Rabbi Sjim’on ben Pani, die zegt dat de zon en de maan bij de Schepping even groot waren. Waar leerde hij dat uit? [Ibn Ezra op Bereisjiet 1:16]. De Gaon van Wilna gaf een aanwijzing voor het antwoord met de woorden die hij op­schreef: „Zoals in Joma ô"ĺ. De Gemara in Joma 86 zegt dat Chazal uit het woord ůđé – ‘twee geiten’ afleidden dat zij identiek waren. Daarvandaan leerde Rabbi Sjim’on ben Pani dat ook de maan en de zon identiek waren, want de Tora zegt: „de twee grote lichten.”