Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
R. Chodesj Ijar 5764 Traktaat Choelien 78-86 Nr. 58

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 255 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Van de redactie

De volgende brief werd door de redactie van Meorot HaDaf ontvangen

De boete voor de sji’oer

Geachte redactie,

Ik schrijf u hier wat mijzelf enige da­gen geleden overkomen is. Reeds lange tijd neem ik deel aan een dage­lijkse sji’oer tussen 15.00 en 16.00 uur. Gewoonlijk ben ik op tijd. Maar op een dag moest ik thuis nog iets doen en pas om half vier verliet ik het huis, en reed naar de Chazon Iesj­straat in Bnei Brak, waar de sji’oer gegeven werd. Daar aange­komen was er geen parkeerplaats meer over, behalve een met blauw-witte strepen langs de trotoirband. Al snel bleek dat ik door mijn parkeer­kaarten heen was en om geen ver­dere tijd te verliezen, opdat ik ten minste de twee­de helft van de sji’oer zou kun­nen volgen, besloot ik het risico te nemen. De sji’oer was een boete waard.

Om 16.05 vond ik onder de ruiten­wisser van mijn auto het beken­de papiertje wapperen: 70 sjekel boete. Het leek mij de sji’oer wel waard. Een paar dagen later ging ik de boete op het postkantoor betalen. Na betaald te hebben ging ik naar een parkeer­automaat om een nieuwe parkeer­kaart te kopen. En wat lag daarnaast op de grond? Twee bankbiljetten, één van 50 sjekel en één van 20: de 70 sjekel die ik zojuist voor de sji’oer betaald had.

Ik hoef hier niets aan toe te voegen.

Hoogachtend, Ja’akov Zilberlicht

Daf 78b - Het betekent [dat de wet] voor beide [geldt]

Hij zwoor twee vrienden te raadplegen en één van hen overleed

Onze Gemara behandelt één van de twee zeer bekende meningsverschillen in de Talmoed: wanneer de letter wav voor een tweede woord staat, verbindt het dan die twee woorden (å = en) of scheidt het hen (å = of). De Tora zegt: „Want iemand die zijn vader en/of (å) zijn moeder vervloekt, zal gedood worden; zijn vader en/of (å) zijn moeder heeft hij vervloekt, zijn bloed is op hem” [Wajjikra 20:9]. Volgens Rabbi Josjia herhaalde de Tora de vervloeking voor de moeder, want als dat niet zo zou zijn, dan zouden wij de doodstraf alleen van toepassing verklaren op een zoon die zijn vader en moeder samen vervloekte – „iemand die zijn vader en zijn moeder vervloekt.” Volgens Rabbi Jonatan is het echter voldoende zelfs zonder dat extra deel van het vers, als een zoon één van zijn ouders vervloekt, om hem te doden, want de å „betekent beiden tegelijk of ieder apart.” Ten gevolge van een interessant geval dat voor de Rasjba werd gebracht, liet hij weten dat de halacha volgens Rabbi Jonatan is.

Iemand die op het punt stond te sterven, liet zijn zoon roepen en verzocht hem te zweren dat hij niemand iets zou lenen zonder eerst Sjim’on en Levi te raadplegen en van hen toestemming te hebben gekregen. De zoon zwoor maar werd vervolgens met een probleem geconfronteerd dat aan de Rasjba werd voorgelegd om erover te beslissen. Sjim’on stierf. De zoon wist niet of het voldoende was om nu alleen Levi te raadplegen, of, nu Sjim’on overleden was, hij nimmer meer geld zou mogen uitlenen, want hij kon diens toestemming niet meer verkrijgen.

De Rasjba verklaart [Responsa V, 260] dat dit probleem afhankelijk is van het meningsverschil tussen Rabbi Josjia en Rabbi Jonatan. Toen de zoon zwoor om met Sjim’on en Levi te overleggen, was het volgens Rabbi Josjia, zijn bedoeling om beiden te raadplegen, maar volgens Rabbi Jonatan was het zijn bedoeling om beiden of één van hen te raadplegen. Daar de halacha volgens Rabbi Jonatan is, mag de zoon geld lenen nadat hij daartoe van Levi toestemming gekregen heeft.

De Rasjba geeft aan dat deze regeling zelfs geldt wanneer Sjim’on en Levi beiden in leven zijn, omdat de zoon gezworen had dat hij één van beiden om toestemming zou vragen. En zo beslist inderdaad ook de Mechaber in de Sjoelchan Aroech [J.D. 228:40]: „Als een vader zijn zoon laat zweren dat hij alleen zal uitlenen na verkregen toestemming van Sjim’on en Levi, dan mag de zoon uitlenen met de toestemming van één van beiden.”

De Taz [ibid S.K.49] verbaast zich over de beslissing van de Mechaber, daar Rabbi Jonatan het eens is met Rabbi Josjia dat de wav dingen verenigt, maar toegeeft dat de wav ook ‘of’ betekent. Daarom, betreffende eden, waar wij streng zijn in geval van onduidelijke bedoelingen [J.D. 208:1], hoe kon de Rasjba beslissen dat de bedoeling van de zoon was om of van Sjim’on, of van Levi toestemming te krijgen? Misschien was het zijn bedoeling om van beide toestemming te krijgen?

Daarom, zo concludeert de Taz, bedoelde de Rasjba alleen dat de zoon zeker niet bedoeld had om zichzelf te beperken om Sjim’on na diens dood te raadplegen… Als de zoon op ondubbelzinnige wijze gezworen had dat hij altijd Sjim’on zou raadplegen, dan zou hij voor de rest van zijn leven moeten stoppen met lenen, maar daar hij het dubbelzinnig zwoor, kunnen wij zijn verklaring uitleggen als dat het zijn bedoeling was, dat zolang als beiden in leven zouden zijn, hij van beiden toestemming zou vragen maar wanneer één van hen zou overlijden, dan zou hij alleen de overlevende raadplegen. En zo besliste inderdaad de Rema [J.D. 216:7]: „Wanneer een vader zijn zoon laat zweren dat hij niet zal lenen zonder de toestemming van Levi en Sjim’on, en één van hen overlijdt, dan mag de zoon lenen met toestemming van één van hen.” Volgens hem mag de zoon dus alleen lenen met toestemming van één van hen, als de ander is overleden.

Daf 79a - Hem en zijn zoon zul je niet op één dag slachten

Als iemand in Israël op Pesach in het buitenland chameets bezit, is dat dan een overtreding?

HaGaon Rabbi Meïr Simcha van Dvinsk behandelt een interessant probleem [Mesjech Chochma, Wajjikra 22:28], dat betekenis heeft voor Pesach. Dag en nacht komen op verschillende tijden over de wereld. Wanneer het in Jeroesjalajim Sjabbat wordt, is het in Hong Kong reeds zes uur Sjabbat terwijl het in New York pas over zeven uur Sjabbat wordt. Dit fenomeen bezorgt op zichzelf geen halachische problemen, behalve voor iemand die zich met zeer grote snelheid van het ene land naar het andere verplaatst [zie Meorot HaDaf 180, in het artikel: „Waarom houdt niet iedereen tegelijk Sjabbat?”], of wanneer twee factoren, die twee componenten vormen van één enkel feit, zich op twee plaatsen bevinden.

Een Parijse koe en een Ethiopisch kalf:  Bijvoorbeeld, de Tora verbiedt om een dier en zijn jong op dezelfde dag ter slachten. Hoe zit dat met een Ethiopische koe die een kalf krijgt en vervolgens rechtstreeks naar Parijs wordt gevlogen. Wanneer de zon nog schijnt in Parijs, is het in Ethiopië reeds lang nacht. Een sjocheet die de Parijse moederkoe op zondag voor zonsondergang slacht, wanneer het reeds maandag is in Ethiopie, veroorzaakt een interessant probleem betreffende de vraag wanneer het is toegestaan om het kalf te slachten. Wanneer wij de zaak bekijken van de kant van de moederkoe, die werd geslacht op zondag, dan verbiedt niets ons om het kalf een paar uur later te slachten, wanneer het in Parijs maandag is. Maar wanneer wij kijken naar de plaats van het kalf, dan werd de moeder geslacht op maandag en dan mag het kalf pas op dinsdag geslacht worden. De Or Sameach beslist dat wij gaan volgens de moeder.

Dit geval heeft ook gevolgen voor Pesach. Men mag geen chameets in zijn bezit hebben op Pesach. Hoe zit dat met iemand in Bnei Brak die chameets bezit  in Los Angeles? Wanneer het 18.00 uur ’s avonds is in Israël, is het 08.00 uur ’s ochtends in Los Angeles. Wanneer begint voor deze man het verbod van chameets en wanneer eindigt het? Wanneer wij gaan volgens de plaats van het chameets, dan heeft hij chameets in zijn bezit wanneer hij in Bnei Brak aan de Seder zit, zonder dat hij een verbod heeft overtreden, want op de plaats van het chameets is het nog geen Pesach. Maar wanneer wij gaan volgens de plaats van de eigenaar, dan moet hij het chameets op de tijd van Bnei Brak verkopen.

Dit probleem is onderwerp van grote discussie tussen de halachische autoriteiten. Sommigen zeggen dat het verbod van chameets „op iemands hoofd ligt” en dat wij volgens zijn verblijfplaats moeten gaan [Responsa Chesed LeAwraham, O.Ch. 35] en anderen zeggen dat de plaats van het chameets de halacha bepaalt [zie Responsa Oneg Jom Tov, O.Ch. 36 en Responsa Erets Zwi 83].

Een geleerd persoon vertelde de leden van ons beit midrasj dat in een gesprek met de eigenaar van een groot bedrijf voor chameets voedsel in Israël bleek dat hij met Pesach in Amerika zou zijn. De talmied chacham bedacht onmiddellijk dat er dan een groot probleem zou ontstaan daar onmiddellijk na Pesach het chameets terugkeert naar de eigenaar en op dat tijdstip is het bij hem in Amerika nog Pesach. In dat geval is het chameets verboden na Pesach volgens sommige poskiem, daar chameets in bezit van een Jood op Pesach verboden is om na Pesach te eten! Hij wendde zich snel tot de kasjroet-organisatie van dat bedrijf, waar zij hem vertelden dat zij het probleem kenden en daarom het chameets  niet van de niet-Jood zouden terugkopen vóór de dag na Pesach.

Daf 83a - De dag komt na de nacht

Waarom is chameets verboden vanaf 12.00 uur op de dag voor Pesach?

Wij weten dat de dag van 24 uur ’s avonds begint, zoals er in onze soegia staat: „De dag volgt op de nacht.”

Wanneer begint de dag? – Vier mogelijkheden: De Risjoniem [Meïri, Pesachiem 5a namens zijn mentoren] zegt dat het beginpunt van een etmaal gekozen werd uit vier mogelijkheden: (1) het begin van de dag, (2) het begin van de nacht, (3) twaalf uur ’s middags, (4) middernacht.

Sommige niet-Joden rekenen het begin van een dag vanaf zonsopkomst en anderen vanaf middernacht, zoals de meesten van hen tegenwoordig doen. Astronauten berekenen het begin van de dag vanaf twaalf uur ’s middags maar, zoals gezegd, de Tora zegt dat „de dag volgt de nacht,” zoals ons verteld wordt: „En het was avond en het was ochtend” [Bereisjiet 1:5] – eerst de avond en dan de ochtend.

Kodasjiem vormen een uitzondering, zoals in onze soegia wordt verteld, want daarvoor geldt dat de nacht op de dag volgt. Bijvoorbeeld: het vlees van een toda [dank-] offer wordt gegeten op de dag dat het geofferd werd en gedurende de daarop volgende nacht. De Jeroesjalmi [Joma 1:1] mijmert over de gedachte dat de zeven dagen van de inwijding van het Heiligdom [Miloeïem] mogelijk ’s ochtends begonnen en voortduurden tot het eind van de zevende nacht.

Het verbod van chameets begint ook niet vanaf het begin van de dag, op de avond van de 15de Nisan, maar vanaf twaalf uur ’s middags op de 14de Nisan. De Meïri [ibid] geeft daarvoor een fascinerende verklaring. Hij schrijft dat de Egyptische astrologen de dag berekenden vanaf twaalf uur ’s middags en dat daarom het verbod op chameets met Pesach, toen wij Egypte verlieten, werd vastgesteld vanaf twaalf uur ’s middags [en zie de Raäbach: Sefer Ha’Ieboer, maämar 1, sja’ar 9]!

Ook voor het leren van Tora volgt de nacht op de dag: Het is van belang om de chidoesj van Rabbeinoe Jona [Berachot 11b] te vermelden, namelijk dat ook met betrekking tot Tora leren de nacht op de dag volgt en iemand die niet de gelegenheid had om overdag zijn dagelijkse hoeveelheid Tora [bijv. de Daf HaJomi] te leren, die kan dat de aansluitende avond nog aanvullen. Dit is ook de reden dat iemand die ’s avonds leert niet opnieuw een beracha hoeft te zeggen over het leren van Tora, want de beracha die hij overdag gezegd heeft geldt ook voor het leren ’s nachts, zelfs volgens de poskiem die menen dat men de beracha aan het begin van de dag moet zeggen [’s ochtens bij sjachariet], en zo is onze minhag [Sjoelchan Aroech 47:12].

De Igeret HaSjabbat van Rabbi Awraham Ibn Ezra: In het verleden waren er ook marginale groepen die beweerden dat op Sjabbat de nacht op de dag volgt. Hun vergissing kwam voort uit wat Mosjé Rabbeinoe zei [Sjemot 16:22]: „…want vadaag is Sjabbat voor Hasjem” [zie Ibn Ezra in zijn commmentaar op Tora, Sjemot 16:25]. Om hun beweringen volledig te weerleggen, schreef Rabbi Awraham Ibn Ezra zijn beroemde Igeret HaSjabbat, waarin hij diegenen die dit idee aanhingen, scherp aanvalt.

Een geweldige chidoesj wordt toegeschreven aan de Rabbijn van Frankfurt, Rabbi Pinchas HaLevi Horvitz, auteur  van Hahaflaäh, HaMaknee en Paniem Jafot, die zijn chidoesj nodig had om een belangrijk probleem van de Risjoniem op te lossen [Tosafot Kiddoesjien 37b, b.w. Mimocharat haPesach]. De Tora zegt: „Op de 15de van de eerste maand, de dag na Pesach” [Bamidbar 33:3], terwijl de Profeet de uitdrukking „de dag na Pesach” gebruikt voor de 16de Nisan [Jehosjoea 5:1]!

Dag volgt nacht begint met het geven van Tora: HaMaknee legt uit [ibid] dat voordat Tora aan het Volk Israël gegeven werd, de nacht op de dag volgde en pas na het geven van Tora de dag op de nacht volgt. Daarom, met betrekking tot de Exodus, die plaatsvond vóór Matan Tora [het geven van Tora], was de ochtend van de 15de Nisan de „dag na Pesach” daar de vorige nacht nog behoorde tot de 14de. Echter na Matan Tora was „de dag na Pesach” de 16de.

De auteur van Tora Sjelema [Miloeïem Lefarasjat Bo, 43] versterkt zijn woorden met dat wat er staat geschreven in Jesod ‘Olam [2:17] dat vanaf Matan Tora de dag op de nacht volgt en dat de Joden dit aldus bij traditie door de generaties heen hebben overgeleverd gekregen van Hasjem.

„Een niet-Jood die Sjabbat wil houden” moet dat doen van zaterdagochtend tot zondagochtend: Rabbi Pinchas voegt er in zijn commentaar op Tora [Paniem Jafot, Bereisjiet, p. 26] aan toe dat dit de betekenis is van wat er in Tora staat na de vloed: „… dag en nacht zullen niet ophouden” [Bereisjiet 8:22] – eerst de dag en dan de nacht. In het licht van deze uitlating brengt hij een grote chidoesj, namelijk dat een niet-Jood die Sjabbat wil houden, dat moet doen van zaterdagochtend tot zondagochtend, omdat alleen de Joden de gewoonte hebben dat de dag begint met de avond. HaGaon Rabbi Akiwa Eiger Zts”l beweert [Responsa, in de Hasjmatot] dat volgens die mening wij het kunnen rechtvaardigen dat in Joodse huizen niet-Joods personeel stopt met werken overeenkomstig hun werkgevers. Zij overtreden geen enkel verbod want op Motsaei Sjabbat werken zij [en zie daar waartegen hij bezwaar maakt en zie Responsa Binjan Tsion, 126, die het niet eens is met deze chidoesj].

Daf 86b - Wanneer men honderd chajot op één plaats slachtte

Is het toegestaan om gevogelte te eten, voordat het bloed ervan bedekt is?

Onze misjna verklaart dat iemand die honderd vogels op één plaats slacht, hun bloed in één keer mag bedekken en niet het bloed van iedere vogel apart hoeft te bedekken. De vraagt ontstaat of het toegestaan is om de geslachte vogel te eten, voordat de sjocheet het bloed bedekt heeft.

De misjna [33a] zegt dat als een dier geslacht is en er komt geen bloed uit, dan mag men het eten. Wat is de chidoesj? De Raävan [222] voegt aan onze misjna toe dat ondanks dat er geen bloed was en de sjocheet dus de mitswa van kisoei hadam [de bedekking van het bloed] niet gedaan heeft, dit niets geeft, want de mitswa om het bloed te bedekken was hier helemaal niet van toepassing want er was geen bloed. Wij zien hieraan, concluderen de auteurs van Aroech HaSjoelchan [28, s.k. 3] en Ma’asee Awraham [J.D. 10] dat wanneer de mitswa van kisoei hadam wel van toepassing is, het verboden is om de vogel te eten totdat de mitswa gedaan is. Alleen als de mitswa niet van toepassing is mag men het eten ondanks dat die niet werd uitgevoerd.

Maar Maharam ben Chaviv is het er niet mee eens [Responsa Kol Gadol, 32] en beweert dat men gevogelte wel mag eten voordat zijn bloed bedekt is en hij brengt daarvoor een bewijs uit onze soegia: Als beloning voor wat Awraham zegt – „… en ik ben stof en as” – verwierven zijn nakomelingen het recht van de as van de rode koe en het stof voor de sota [van ontrouw verdachte vrouw]. De Gemara verklaart dat de mitswa om het bloed te bedekken, hetgeen gedaan wordt met stof, aarde, niet geteld wordt onder de mitswot, omdat wij van de mitswot van de rode koe en het stof van de sota profijt hebben, namelijk dat de mensen rein worden, resp. dat de sota vrij komt van verdenking. Maar van de mitswa van kisoei hadam is er geen materieel voordeel. Maharam ben Chaviv komt tot de conclusie dat als het verboden zou zijn om het vlees van de vogel te eten voordat zijn bloed bedekt is, er materieel voordeel zou zijn van de mitswa om het bloed te bedekken, want dankzij die kisoei hadam mag men de vogel of het wilde dier eten.… Wij zien dus dat iemand het vlees van een dier, wiens bloed nog niet bedekt is, mag eten. De Meïri is het er mee eens: „De vereiste bedekking verhindert niet dat men van het vlees eet: zodra het geslacht is mag men het eten; de bedekking verhindert niets maar het is een zelfstandige mitswa die niet dient om het vlees voor consumptie geschikt te maken.”

De halacha: de Beit Joseef zegt [J.D. 28] overeenkomstig de Orchot Chajiem dat het vlees gegeten mag worden voordat het bloed bedekt is.