Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
5 Ijar 5764 Traktaat Choelien 86-92 Nr.59

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 256 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

itDaf 86b – Men zegt slechts één beracha

Kan men van te voren vaststellen dat een beracha niet geldt voor bepaalde dingen?

Onze Gemara legt uit dat iemand die een aantal dieren slacht, slechts één beracha maakt vóór de eerste sjechita en dat die voor alle overige sjechitot geldt en zo is de halacha vastgesteld [Sjoelchan Aroech J.D. 19:2]: „Wan­neer iemand [kosjere] huisdieren slacht en wilde dieren en vogels, dan zegt hij één beracha voor allemaal.”

Een sjocheet die tussen de sjechitot in praatte: Zolang als de sjocheet niet praat tussen de sjechitot in, dan geldt volgens alle meningen de beracha die hij voor de eerste sjechita gezegd heeft voor alle volgende sjechitot. Ech­ter, de Risjoniem verschillen van mening of, als een sjocheet praatte tussen twee sjechitot in, hij dan opnieuw een beracha moet maken en de halacha werd niet beslist. Zodoende leren wij in de Sjoelchan Aroech [ib. 5]: „Wanneer iemand vele dieren wil slachten, dan moet hij ervoor oppassen dat hij tussen de sjechitot door niet praat over iets dat niets met de sjechita te maken heeft… maar als hij toch gesproken heeft, dan is dat een onderbreking en dan moet hij opnieuw een beracha maken… maar sommigen zeggen dat praten tussen de sjechitot geen onderbreking vormt.”

Het advies van de Prie Chadasj: Om de twijfel, of het praten tussen de sjechitot een onderbreking vormt, te vermijden stelt de Prie Chadasj [ib.] het volgende voor. Wanneer hij de beracha uitspreekt moet de sjocheet in ge­dachten houden dat de beracha geldt voor al de sjechitot die hij zal doen, totdat hij zal praten, maar dat zij niet zullen gelden voor de sjechitot die hij erna zal doen. Zodoende moet de sjocheet als hij praat volgens iedereen opnieuw een beracha maken want hij heeft van te voren vastgesteld dat zijn beracha niet geldt voor de sjechitot  die hij doet nadat hij gepraat heeft.

Ech­ter de Tewoeot Sjor [ib. noot 17] is het hier volstrekt niet mee eens omdat als een sjocheet van plan is een aantal dieren te slachten, hij zijn beracha niet kan beperken tot alleen maar sommige van de dieren maar alle dieren die hij slacht zijn dan automatisch daarbij inbegrepen.

Iemand die een appel en een papaja wil eten: Voordat wij hun menings­ver­schil bespreken moeten wij er melding van maken dat buiten de implica­ties voor sjochtiem dit ook voor elk van ons gevolgen heeft! Iemand die een aantal vruchten eet en de bedoeling heeft dat zijn beracha alleen maar voor bepaalde vruchten geldt, heeft te maken met hetzelfde meningsverschil. Vol­gens de Prie Chadasj mag hij zijn beracha beperken maar volgens de Tewoeot Sjor mag hij dat niet. Een dergelijk geval is niet zeldzaam en geldt bijvoorbeeld voor iemand die een tocht maakt en een appel en een papaja bij zich heeft om op te eten. Er bestaat twijfel of de beracha voor een papaja borei perie ha’eets of borei perie haädama is en men zegt normaliter  borei perie haädama, omdat die bedi’avad altijd geldig is, ook voor boomvruchten [O.Ch. 206:1]. Wanneer hij eerst de appel eet, mag hij geen beracha meer zeggen voor de papaja want het kan zijn dat de beracha daarvoor borei perie ha’eets is en dan is hij daarvoor reeds door de beracha van de appel vrijge­steld [en men moet niet nodeloos G-ds Naam uitspreken]. Wanneer hij de voor­keur geeft aan de appel en die eerst wil eten, dan is het advies om een bera­cha voor de appel te zeggen en daarbij te bedenken dat die niet geldt voor de papaja. Volgens de Tewoeot Sjor echter kan dit niet.

De beracha geldt voor iedere mitswa: Het moment is nu gekomen om iedere kant van het meningsverschil te begrijpen. Sommigen [Wezot Haberacha, Beroer Halacha 31] verklaren het dat de bron van het meningsverschil voort­komt uit het begrip van de verplichting om een beracha te zeggen voor een mitswa. De Prie Chadasj begrijpt van Chazal dat zij voor iedere mitswa een beracha hebben ingesteld. Daarom, wanneer de sjocheet de bedoeling heeft om tien dieren te slachten, dan heeft hij de verplichting van tien berachot maar hij kan alle sjechitot vrijmaken met één beracha [wanneer er geen onderbreking tussen is]. Daarom is er volgens hem geen enkel probleem als de sjocheet of de fruiteter van te voren vaststelt dat zijn beracha maar voor een beperkt aantal sjechitot of vruchten geldt, daar in feite iedere sjechita of iedere vrucht zijn eigen beracha nodig heeft.

Degene die een mitswa doet moet een beracha zeggen: Echter de Tewoeot Sjor meent dat Chazal een beracha heeft ingesteld voor de persoon die één of meer mitswot wil doen. Met andere woorden, de beracha geldt niet voor iedere mitswa-handeling afzonderlijk, maar iemand die van plan is een mitswa of mitswot te doen, moet een beracha zeggen. Daarom spreekt het voor hem als vanzelf dat hij niet één vrucht of één dier van de beracha kan uitsluiten, want de beracha heeft geen betrekking op de individuele handelingen maar op de persoon die de mitswa doet.

Het verwijderen van de papaja: Volgens de Tewoeot Sjor is er maar één advies mogelijk: voordat de fruiteter de beracha zegt, moet hij de papaja uit de kamer verwijderen, zodat de beracha daar niet voor geldt.

Het bovenstaande geldt alleen voor de vóór-beracha, want iedereen is het er over eens dat men voor de na-beracha niet een bepaald voedsel kan uitsluiten, want met de na-beracha uit de eter zijn dank voor zijn bevredi­ging en die geldt zeker voor al het voedsel samen [Wezot Haberacha 289].

Daf 87a  – En Rabban Gamliël verplichtte hem tien goudstukken te geven

Hoeveel is een mitswa waard?

Iemand pakte eens de mitswa van een ander af: een sjocheet stond op het punt de mitswa van het bedekken van het bloed uit te voeren, toen een ander hem voor was en het in zijn plaats bedekte. Onze Gemara vertelt dat Rabban Gamliël de „mitswa-dief” veroordeelde tot te betaling van tien goudstukken aan de sjocheet. Betreffende deze verplichting zijn er twee interessante meningsverschillen die onderling afhankelijk van elkaar zijn in twee verschillende richtingen, zoals wij ons verder zullen realiseren.

Een boete of schadevergoeding? Wij vinden twee volslagen verschillende definities bij de Risjoniem voor de verplichting om te betalen als iemand van een ander een mitswa afneemt. Sommigen zeggen dat de betaling die Chazal hebben opgelegd een boete is, terwijl anderen zeggen dat het „een regeling is die mitswot geliefd maakt.” Met andere woorden, Chazal hebben de betaling voor het afpakken van een mitswa ingesteld, zoals de halachot voor schade en hun bedoeling was dus om de mitswot geliefd te maken [zie de Rif en de Rosj, Bawa Kama hoofdstuk HaChoweel, 32b in de Rif; Responsa Riwasj 506; Sjita Mekoebetset in naam van Rabbi Jonatan].

Hoe zit dat met iemand die onopzettelijk een mitswa afpakt? Uit bovengenoemd meningsverschil komen een aantal halachische implicaties voort. Iemand die per ongeluk een mitswa afpakt, moet schadevergoeding betalen, wanneer de verplichting voortkomt uit de halachot voor schade. Maar als de verplichting een boete is, kunnen wij iemand daarmee niet straffen als hij onopzettelijk iemand van een mitswa berooft [Riwasj, t.p.].

Iemand die een mitswa afpakte en dat bekende: Ook is „iemand die bekent vrijgesteld van een boete.” Met andere woorden, iemand die iets doet waarvoor het Beit Din een boete heeft opgelegd en hij bekent dat voor het Beit Din voordat de boete werd opgelegd, is daarvan vrijgesteld. Daar­om, wanneer de betaling een boete is, en iemand die een mitswa heeft afgepakt, rent naar het Beit Din  en bekent dat, is vrijgesteld van betaling. Maar wanneer zijn verplichting tot betaling een schadevergoeding is, dan bevrijdt zijn bekentenis hem daar niet van [zie Sjita Mekoebetset, Bawa Kama ibid, in naam van Hari van Lunil en zie Ketsot HaCHosjen 388, n. 11, dat de Risjoniem van mening veschillen of iemand is vrijgesteld door bekentenis wanneer een boete werd opgelegd als gevolg van een rabbinaal decreet].

Iemand die een ander verhindert een mitswa te doen maar die het niet zelf doet: De Ketav Sofer noemt nog een ander interessant verschil [Responsa Ch.M. 20 en b.w. Wejeesj lie] betreffende iemand die een ander verhin­dert om een mitswa te doen maar die het niet in zijn plaats deed. Wanneer de verplichting van Rabban Gamliël voortkomt uit de halachot voor schade, dan veroorzaakte deze persoon de ander schade. Maar als het een boete is, dan kan het wezen dat Chazal iemand een boete oplegden, die een mitswa van een ander afpakte en die voor zichzelf „nam” maar wanneer hij alleen maar de ander verhinderde om de mitswa te doen, dan is hij een zon­daar, maar zo’n geval wordt niet gestraft met een boete.

Hoeveel moet hij betalen? Tot nu toe hebben wij het gehad over het meningsverschil van de Risjoniem of bovengenoemde betaling gebaseerd is op de halachot voor schade of dat het een boete is. Er is een ander meningsveschil bij de poskiem: hoeveel moet er betaald worden? Onze Gemara vetelt dat Rabban Gamliël de persoon die de mitswa afpakte, veroordeelde tot betaling van tien goudstukken maar sommige poskiem beweren dat dat alleen in dat geval gold, omdat ieder geval op zich beoordeeld moet worden. Aan de andere kant menen sommigen dat de betaling van tien goudstukken voor ieder geval van het afpakken van een mistwa geldt. Deze twee meningen worden door de Rambam genoemd [Hilchot Chowel Oemaziek 7:13] en in de Sjoelchan Aroech [Ch.M. 382:1].

Wij kunnen begrijpen dat de twee meningsverschillen onderling afhankelijk van elkaar zijn. Dus de Magid Misjnee [t.p.] en de Sjach schreven inderdaad dat volgens degenen die menen dat de betaling gebaseerd is op schade­ver­goe­ding, hij altijd tien goudstukken moet betalen, zoals Rabban Gamliël bepaalde dat dit de prijs is van een mitswa. Maar als de verplichting tot betaling berust op een boete die Chazal hebben opgelegd, dan moet het Beit Din onderzoeken of degene die de mitswa verloren is, iemand is die mitswot zoekt en dan moeten zij de overtreder harder straffen en vice versa.

Aan de andere kant beweert HaGaon Rabbi Isser Zalman Melzer zts”l het omgekeerde [Ewen HaAzel ibid]: als de verplichting voortkomt uit schade, dan is er geen vaste prijs maar dan moeten wij vaststellen hoeveel de mitswa waard is voor de persoon die de schade geleden heeft – hoeveel hij bereid was te betalen voor de mitswa. Alleen als het een boete is, kunnen wij begrijpen dat het een vast bedrag is, want zo is de aard van boetes [zoals de Rambam beweert, ib. 3:8, dat iedere vaste betaling een boete is].

Wanneer tegenwoordig iemand tien goudstukken afpakt, kunnen zij niet teruggeëist worden: In onze tijd legt een Beit Din  geen boetes meer op en wegens de twijfel of de verplichting voortkomt uit schade of dat het een boete is, verplicht een Beit Din ook iemand die een mitswa afpakte, niet tot betaling. Maar wanneer de benadeelde de bezittingen van de overtreder afpakt, ter waarde van tien goudstukken, dan hoeft hij die niet terug te betalen [Sjoelchan Aroech ibid]. Tegenwoordig zijn tien goudstukken ongeveer 1.500 sjekel of ongeveer 275 Euro waard.

Tien goudstukken als smartegeld:  Wij besluiten met de verklaring van de Chatam Sofer zts”l [Chidoesjei Chatam Sofer]: Iemand die een mitswa wil doen maar daar door geweld van verhinderd wordt, wordt beschouwd alsof hij de mitswa toch gedaan heeft. Als dat zo is, waarom moet dan de „mitswa-dief” schadevergoeding betalen? De benadeelde krijgt een beloning omdat hij de bedoeling had een mitswa te doen en dus blijkt dat hij niets verloren heeft! De Chatam Sofer legt uit dat wanneer iemand een mitswa doet en Hasjem met vreugde in zijn hart daarmee dient, hij een beloning krijgt voor het dienen van Hasjem, maar dat iemand die gedwongen wordt om af te zien van een mitswa, een beloning krijgt voor het verdriet dat hem werd aangedaan. Daarom, hoewel hun beloning gelijk is, heeft degene die de mitswa heeft afgepakt, de ander verdriet gedaan en daarvoor moet hij hem compenseren.

Daf  87a – Wie uitgiet bedekt

Moeten wij een talmied chacham de eer geven van een mitswa?

Wie een vogel slacht of een kosjer wild dier moet hun bloed bedekken met aarde. Onze Misjna legt uit dat deze verplichting in de eerste plaats op de sjocheet zelf rust, maar wanneer hij het bloed niet bedekt heeft, moet ieder ander die het bloed ziet de mitswa doen, zoals ons geleerd wordt: „…en Ik heb tegen de Israëlieten gezegd” [Wajjikra 17:14].

De Tewoeot Sjor: Het is toegestaan iemand anders te vereren met de mitswa om het bloed te bedekken: Een fundamenteel meningsverschil tussen de poskiem komt tot uitdrukking in de mitswa van het bedekken van het bloed. De Tewoeot Sjor schrijft [28:9] dat een sjocheet iemand anders mag vereren met de mitswa van het bedekken van het bloed – iemand die niet kan slachten en die daarom anders niet de gelegenheid zou hebben die mitswa van kisoei hadam te doen. Hij voegt daaraan toe dat de sjocheet natuurlijk verboden is de mitswa aan een ander te geven uit luiheid of voor betaling, maar hij mag het alleen doen voor de mitswa. Volgens hem moet men dit niet beschouwen als een verontachtzaming van de mitswa, want de mitswa wordt in acht genomen.

Chochmat Adam: Het is verboden om iemand anders te vereren met een mitswa die men zelf moet doen: Echter, de auteur van Chochmat Adam is het er absoluut niet mee eens [klal 8:2] omdat de mitswa in de allereerste plaats op de sjocheet rust en als hij de mitswa niet uitvoert, heeft hij in zijn verplichting gefaald. Hij geeft toe dat vele sjochtiem anderen de eer gunnen met de mitswa van kisoei hadam, maar volgens hem werd deze fout een gewoonte uit onbegrip van de Misjna. Onze Misjna zegt dat de sjocheet het bloed moet bedekken maar als hij dat niet deed, dan moet iemand anders die mitswa doen. De sjochtiem hebben hieruit begrepen dat de mitswa niet speciaal op hen rust, meer dan op anderen, maar de waarheid is, schrijft de Chochmat Adam „dat het verboden is.”

Het vereren van een talmied chacham met een mitswa is een speciale hidoer [verfraaiing]: De Tewoeot Sjor voegt nog een interessante opmerking toe [ibid, eind noot 14]. Volgens hem is het een speciale hidoer [is het extra mooi] om een talmied chacham in de gelegenheid te stellen een bepaalde mitswa te laten doen. Als bewijs daarvoor citeert hij een Gemara in Sota [13b], dat de mensen Mosjé Joseef lieten begraven, daar hij de meest geëerde van hen allen was. Daaraan kunnen wij dus zien dat wij een groot persoon mogen vereren met een mitswa.

De mitswa van begraven verschilt van alle andere mitswot: Binat Adam verwerpt dit simpele bewijis [7]. Alleen bij de mitswa van een begrafenis, waarbij men de overledene eert, moet men alles doen wat mogelijk is om hem te eren, want dat is de essentie van de mitswa van begraven. Echter bij andere mitswot „hebben wij niet gehoord of gezien dat er enige regeling bestaat dat iemand een mitswa niet zelf zou uitvoeren, om die door iemand anders, groter dan hij, te laten uitvoeren.” Hij voegt daar zelfs aan toe: „En vraag jezelf: als iemand een sjofar of een loelav heeft en een belangrijk persoon heeft er geen, zeggen wij hem dan dat hij de sjofar of de loelav aan die ander moet geven om zelf de mitswa te laten schieten?”

We moeten onderscheid maken tussen mitswot die op iemand persoonlijk rusten en mitswot waarvan het voornaamste doel het resultaat is: Toch is de vergelijking die Binat Adam maakt tussen het bedekken van het bloed en de mitswot van sjofar  en loelav niet beslissend, daar het hier gaat over mitswot die maar door enkele mensen gedaan kunnen worden, zoals het bedekken van het bloed, besnijdenis, e.d. De zaak ligt echter anders bij een persoonlijke mitswa, die iedereen kan uitvoeren, zoals de mitswa van loelav. Iemand mag zijn loelav niet weggeven, zodat hij daardoor de mitswa van de arba’ miniem [vier soorten] niet meer zelf kan doen, zelfs niet als hij het aan een talmied chacham geeft. Maar wanneer hij een ander de gelegenheid geeft het bloed te bedekken, dan is de hoofdzaak van de mitswa vervuld en het bloed is bedekt [zie Sja’arei Tesjoewa 658].

Het is interessant dat de Jeroesjalmi [geciteerd in de Rasj, Bikkoeriem 3:3] opmerkt over de Misjna aldaar, die vertelt dat de bewoners van Jeroesjalajim degenen die de eerste vruchten brachten, eerden overeenkomstig hun status: „Bestaat er dan een hogere en een lagere status in Israël? Daar hij een mitswa doet, wat is dan het verschil tussen een groot persoon en een persoon van lagere status?” Het is kennelijk duidelijk dat er geen verschil bestaat tussen een mitswa die gedaan werd door een groot persoon en een mitswa door een eenvoudig persoon [zie Peninei HaGriz 11].

De leden van ons beit hamidrasj merkten echter op dat het mogelijk is dat er geen bewijs te halen is uit de Jeroesjalmi, omdat wij inderdaad een mitswa moeten verfraaien door die door een talmied chacham te laten doen. Niettemin wordt de mitswa zelf daardoor niet belangrijker maar, zoals gezegd, wie een talmied chacham vereert met een mitswa, toont zijn liefde voor de mitswa. Daarom kunnen we de vraag van de Jeroesjalmi wel begrijpen –„Wanneer hij een mitswa doet, wat is dan het verschil tussen een groot persoon en een persoon van mindere status?” – de mitswa blijft hetzelfde.

Daf 89b  …zenuwen hebben smaak…

Kunnen wij smaken wegen?

In Meorot 208 [niet vertaald (Zwi)] zijn wij ingegaan op het begrip ta’am ka’ikar – de smaak van voedsel is als het voedsel zelf en alle halachot voor voedsel gelden ook voor de smaak daarvan. Daarom, wanneer twee soorten voedsel samen gekookt werden, beschouwen wij het mindere voedsel niet als een minderheid binnen een meerderheid als de smaak van de minderheid door het hele mengsel te proeven is. Wij zullen ons nu concentreren op een actueel geval en op een onderzoek betreffende de halacha van ta’am ka’ikar.

Niet vertiend fruit dat gekookt werd samen met ander fruit: Tewel, fruit waarvan geen teroema en ma’aserot werden afgescheiden was gevallen in een kokende pan met ander fruit. De tewel werd er snel uitgehaald maar dat maakte toch niet dat de jam gegeten mocht worden omdat de tewel gekookt was samen met het mengsel en de smaak ervan zich er doorheen verspreid had. Dus de jam werd verboden om te eten totdat teroema en ma’aserot ervan afgescheiden konden worden, zoals het hoort voor tewel.

De vraag is: hoeveel teroema en ma’aserot moet men van de jam afscheiden – van alle jam of moeten wij misschien schatten hoeveel smaak van de tewel er in vermengt zit en moeten wij alleen van die hoeveelheid teroema en ma’aserot afscheiden? Maar hoe schatten wij het „gewicht” van een smaak?

Machanee Efraïm beweert [Hilchot Ma’aserot, hfdst. 12] over deeg waarin onvertiend wijn was gedaan, dat men ma’aser moet afscheiden van al het deeg en niet alleen met de beker wijn moet rekening houden, daar al het deeg nu verboden is geworden door het verbod van de tewel [zie daar wanneer minder dan een kezajit in een hoeveelheid van een achilat peras gemengd wordt, dat men moet afscheiden van datgene dat dooreengemengd werd]. Echter, de auteur van Oriem Gedoliem is het er niet mee eens [netiev 33] en beweert dat wij de bron van het verbod moeten identificeren. We hebben verboden fruit dat in de jam gevallen is en als gevolg daarvan is al de jam verboden, maar de bron van het verbod is de verboden vrucht. Wanneer wij erin zouden slagen om het verbod van de vrucht die in de jam viel, te verwijderen, dan zou het probleem zijn opgelost. Daarom, als wij teroema en ma’aserot zouden afscheiden in overeenstemming met de hoeveelheid van het tewel fruit, dan wordt het onmiddellijk toegestaan fruit en het verbod om de jam te eten, verdwijnt [de zaak is anders met verboden voedsel dat niet toegestaan kan worden gemaakt, zoals een stuk nevela dat in een pan met vlees valt].

Het punt dat nog steeds onze aandacht vraagt is hoe wij schatten hoeveel smaak een vrucht heeft en hoeveel wij in overeenstemming daarmee als teroema en ma’aserot moeten afscheiden. De Chazon Iesj zts”l schreef [Demai 15, n.9] dat wij kunnen schatten hoeveel tewel nodig is opdat de jam zijn huidigfe smaak krijgt en tegenover die hoeveelheid tewel moeten wij teroema en ma’aserot afscheiden.