Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
12 Ijar 5764 Traktaat Choelien 93-99 Nr. 60

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 257 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

 

Gemara

[De Gemara bespreekt het bloed dat zich in de kop van een geslacht dier bevindt:]

Betreffende een kop die [in hete as] begraven werd [om het haar van de kop van het geslachte dier te verwijderen, waste men de kop met water en be­groef hem dan in hete as, waardoor het haar eraf schroei­de (Rasji)], wanneer men het zet op de plaats waar het geslacht werd [d.w.z. als men het rechtop in de as zet, met de afgesneden nek naar beneden] dan stroomt het bloed eruit [door de open nek] en de kop is geschikt [voor con­sump­tie]. Wanneer men de kop op zijn zijkant legt, dan stolt het [bloed in de schedel]  en maakt het [d.w.z. de kop] verbo-den [het bloed blijft gevangen in de schedel en kan er niet uit en de hitte van de as doet het bloed stollen].

 

Daf 93b – Het [bloed] stolt [in de schedel] en maakt het verboden

Verenplukken volgens de halacha

Een paar dapiem van onze soegia zijn gewijd aan methoden om bloed uit het vlees te trekken. Vlees moet gezouten worden om het verboden bloed eruit te krijgen. Het zout trekt het bloed eruit, maar zouten is niet altijd voldoende. Onze soegia zegt dat als vlees gekookt is, het bloed erin blijft en er niet uitkomt door het zouten. Daarom moet men het vlees zouten voordat het gekookt wordt en zo is de halacha [Sjoelchan Aroech J.D. 68].

Tot enkele tientalle jaren geleden kocht men een kip en bracht die vervolgens naar de sjocheet die het dier ook controleerde, en daarna werd het naar de plukkers ge-bracht die hier en daar op de markt zaten en die kunstig de veren verwijderden.

Plukken is niet makkelijk: Plukken is helemaal niet zo makkelijk. Iedere veer komt voort uit en vult zijn eigen holte die aan een membraam vastzit en plukken moet krachtig maar vakkundig, zodat het vlees en de huid niet mee verwijderd worden.

Men moet een vogel niet in kokend water weken: Een manier om veren te plukken is door de kip eerst in kokend water te weken. De veer-holten zetten uit ten gevolge van de hitte, de verbinding tussen de veer en de membraam wordt zachter en zo wordt het plukken veel makkelijker. Echter, Joden doen dat niet want als de kip in kokend water geweekt wordt, blijft het bloed erin. En inderdaad vermeldt Minhagei Maharil [Hilchot Issoer Weheter MiSja’arei Sdoera, noot 10] dat het verboden was om gevogelte te weken in kokend water, „zelfs niet voor een huwelijksfeest of een brit, waarvoor talrijke vogels worden bereid… maar vele vrouwen plukken de veren of ze weken ze in koud water, wat ook helpt om de veren te verwijderen.”

Het weken van de kip in zeer koud water: De Maharil geeft dus aan dat er in verschillende gemeentes gebruik gemaakt werd van een alternatieve oplossing, door de vogels in koud water te weken. Deze mogelijkheid werd in onze tijd nader onderzocht en het bleek daarbij dat hoe kouder de temperatuur van het water, des te makkelijker het plukken. De best bruikbare temperatuur is tussen nul en acht graden Celcius en het reusltaat is gelijkwaardig aan het weken van de vogel in kokend water. Daarom ontstond er verdenking dat weken in koud water ook een negatief effect heeft op het vermogen van het zout om het bloed eruit te trekken. Deze verdenking is gebaseerd op wat de Meïri zegt [Choelien 113a] dat wanneer het vlees wordt afgespoeld voordat het gezouten wordt, men het niet te lang in het water moet laten liggen omdat de kou van het water ervoor zorgt dat het bloed zich aan het vlees hecht [zie Beit Joseef J.D., begin siman 69 en de Taz, ibid, 36, n. 5].

Daarom heeft zich de gewoonte ontwikkeld om gevogelte te weken in water, waarvan de temperatuur niet lager is dan 6-7 graden, gebaseerd op de Beit Joseef [ibid], dat alleen in koude landen, midden in de winter, er verdenking bestaat dat koud water het bloed in het vlees vasthoudt.

Wegens de problemen met het weken van gevogelte in water, heeft men chemicalieën onderzocht waarin de dieren geweekt konden worden om zo het plukken te vergemakkelijken, zonder dat dit veranderingen in het bloed veroorzaakt. Ten slotte werd er een substantie gevonden, FSD genoemd, dat het vet aan de voet van de veer doet smelten en na zorgvuldig onderzoek kon bevestigd worden dat het het bloed er niet in vasthoudt.

Beroepsgeheimen: Hoe plukt men makkelijk: Het is interessant om een paar „geheimen” te noemen, die  aan professionals bekend zijn: (1) Het is makkelijker om een kip te plukken die onthoofd was nadat hij geslacht is; de reden in onbekend. (2) De veren van hanen worden makkelijker verwijderd dan die van hennen. (3) Het is makkelijker van een vette vogel te plukken. (4) Kippen die in hun natuurlijke omgeving gefokt worden, zijn makkelijker te plukken dat batterij-kippen. In het kort: ieder die zelf een kip wil plukken kan het beste een vette haan nemen die op een boerderij is opgegroeid en onthoofd werd nadat hij geslacht werd [zie Mazon Kasjer min HaChai, IV, hfdst. 1, voor de redenen en zie daar voor meer informatie over het onderwerp].

Gemara Daf 97b:

Het gebeurde eens dat een geitejong geroosterd werd met zijn chelev er nog in en R. Jochanan zei: men pelt het vlees tondom de chelev af en dat mag men eten.

Ravin bar Rav Ada zei: [Er werd helemaal niet geroosterd maar] er werd een kilchis [een kleine, niet-kosjere vis] in een pan met vlees gevonden [en dat was er samen mee gekookt]. R. Jochanan zei dat een kefela [niet-Joodse chefkok] het zou moeten proeven.

Beraita: Men mag geen melk koken in een pan waarin daarvóór vlees is gekookt en als men er toch melk in kookt, dan is de melk verboden wanneer het vlees dat er eerst in werd gekookt er smaak aan heeft afge­geven. Zo ook met een pan waarin troema ge­kookt werd, daar mag men geen choelien in koken. En als men er toch choelien in gekookt heeft, en de troema heeft smaak afgegeven [aan de choelien], dan mag alleen een kohen het eten.

Rava vraagt: De Beraita klopt in geval van troema dat zijn smaak aan choelien heeft afgegeven, want dat kan een kohen proeven. Maar wie mag vlees dat met melk gekookt is proeven?

Rava antwoordt op zijn eigen vraag: We gaan vol-gens R. Jochanan en laten het een niet-Joodse chef-kok proeven en daar vertrouwen wij op.

We laten het een niet-Joodse chef­kok proeven

Is een mengsel van vlees en vis voor altijd verboden?

De Sjoelchan Aroech [J.D. 116:2] bepaalt: „Men moet er voor oppassen dat men geen vlees samen met vis eet, want dat kan tsara’at veroor­zaken.” Kort en bondig. De Taz voegt daaraan toe [ibid, n. 2] „dat een gevaar stren-ger geldt dan een verbod,” zelfs als vis vermengd raak met vlees en onbe­lang­rijk wordt in 60 delen of omge-keerd, dan is het mengsel verboden om te eten. Op soortge­lijke wijze verboden Chazal het om in ieder geval water te drinken dat had opengestaan, zelfs als het een enorme grote hoeveelheid water was en waar het vergif van een slang kennelijk onbelang­rijk in is tegenover duizend delen water.

Slangegif is de meest gevaarlijke substantie: De Sjach [Nekoedot HaKesef] is het er echter niet mee eens en beweert dat slangegif uiterst gevaar­lijk is en sterk en daarom niet in 60 delen geneu­traliseerd wordt, maar ander gevaarlijk voedsel dat Chazal verboden hebben wordt wel in 60 geneu­tra­liseerd.

We moeten onderscheid maken tussen gevaar­lijk voedsel en een gevaarlijk mengsel: De schrij­ver van Tsofnat Paneach [264] noemt nog een ander verschil tussen slangegif en een meng­sel van vlees en vis. Volgens hem moeten wij on­derscheid maken tussen de verschillende soorten voedsel die wegens gevaar verboden zijn. Som­mige zijn zelf gevaarlijk, zoals slangegif en andere zijn op zichzelf ongevaarlijk zoals vlees en vis, maar die worden gevaarlijk als zij samen vermengd raken.

Voedsel dat zelf gevaarlijk is wordt nog niet door duizend delen geneutraliseerd, want het gevaar bestaat nog steeds. Maar bij voedsel waarvan het gevaar voort­komt uit het mengsel geldt dat als de smaak van de vis niet meer in het vlees te herkennen is, dan is er geen mengsel meer en dus is er ook geen gevaar meer.

Onze soegia haalt een incident aan waarbij Rabbi Jochanan betrokken was, waarbij een vis kilchis ge­naamd, in een pan met vlees viel. Hij besliste dat als de vis geïdentificeerd kon worden en uit de pan met vlees kon worden verwijderd en wanneer er dan geen spoor van de vissesmaak meer te bespeuren viel in het vlees, dat vlees gegeten mocht worden. Wij hebben dus een sterke vraag op de mening van de Taz, die meent dat een mengsel van vlees en vis gelijk staat aan slangegif, dat nimmer geneutraliseerd kan worden. Want als dat zo is, wat de Taz schrijft, waarom stond Rabbi Jochanan het mengsel dan toe?

De Chatam Sofer die deze vraag stelde [zie Responsa Meisjariem III:39] verklaart onze Gemara op een wijze die de basis onder de vraag vandaan haalt:

Alleen kosjere vis vormt een gevaar  in een mengsel: Let op, de vis die gemengd met vlees een gevaar vormt, is alleen kosjere vis, maar als niet-kosjere vis met vlees vermengd wordt, vormt het geen gevaarlijk voedsel [zie ibid, dat hij dit bewijst uit de Ran in Avoda Zara 35a]. Onze vraag is dus alleen relevant zolang als wij aannemen dat de kilchis kosjer was en sommige Risjoniem leggen dat ook zo uit [Rasji: Avoda Zara en Ran 39b; Rambam, zoals uitgelegd in Beit Joseef 83 en in de Sjach ibid, n. 18]. Echter Rasji zegt [bw. Kilchis] dat het een niet-kosjere vis is. Rabbi Jochanan hield zich bezig met verboden voedsel, niet met gevaar; verboden voedsel wordt volgens iedereen geneutraliseerd in 60 maal zoveel.

Wij benadrukken dat de meeste poskiem beslissen dat in een mengsel van vlees en vis het vlees of de vis geneutraliseerd wordt in 60 [Sjemirat HaGoef Wehanefesj 1:4].

Bestaat het gevaar van een mengsel van vlees en vis nog altijd? Ter conclusie schrijven de poskiem dat wij in onze tijd niet zien dat het eten van vlees en vis samen tsara’at veroorzaakt. Sommige poskiem zeggen dat het mogelijk is dat de natuur veranderd is en dat het mengsel vandaag de dag niet schadelijk meer is [zie Mageen Awraham 173, n. 1 en Misjna Beroera, ibid, n. 3]. Volgens sommige meningen is slechts één bepaalde vis gevaarlijk wanneer die met vlees vermengd wordt en dat is de binitha [zie Sjemirat HaGoef Wehanefesj 1:1; zie verder over vlees en vis in Meorot HaDaf HaYomi, Kiddoesjien 75a, in het artikel: „Dieren die vergif eten”] [Een binitha is volgens Klein’s Ethymological Dictionary of the Hebrew Language een „Barbel”, of in het Nederlands een „Barbeel”, een kleine, aas-etende vis die behoort tot de karperachtigen (Zwi).]

Gemara Daf 98b: Volgens Tora wordt iets door een meerderheid geneutraliseerd

Een mitswa lamehadrin doen met een etrog die passoel is

Vele soegiot behandelen de halachot van mengsels van toegestane en verboden artikelen, net zoals in onze soegia. In een mengsel van voedsel dat verboden en voedsel dat toegestaan is, geeft de meerderheid de doorslag en de minderheid wordt geneutraliseerd [batel] door de meerderheid. Wanneer het kosjere voedsel de meerderheid vormt, is het hele mengsel toegestaan voor consumptie [zie Sjoelchan Aroech J.D. 109:1]. Een paar fascinerende vragen werden gesteld aan de leiders van de generaties en die helpen ons de definitie van deze regel nader op te helderen.

Kosjere en gediskwalificeerde tsietsiet die met elkaar vermengd raken: Er werd aan de auteur van ‘Oneg Jom Tov gevraagd (§4) wat men moet doen met een stapel identieke tsietsiet-draden, waarvan de meerderheid lisjma geweven was [ten behoeve van de mitswa] [zie Sjoelchan Aroech O.Ch. 11:1] maar waarvan sommige draden niet lisjma geweven waren en dus passoel waren. Kunnen wij in een dergelijk geval ook zeggen dat het mengsel gebruikt mag worden daar de minderheid van de tsietsiet batel is door de kosjere meerderheid?

Matsot die niet voor de mitswa gebakken zijn en vermengd raakten met matsot lamehadrin: Een ernstig probleem werd aan HaGaon Rav Naftali Zwi van Volozhin zt”l voorgelegd [Responsa Mesjiev Dawar O.Ch. 34] over een stapel matsot die voor de mitswa van Pesach gebakken waren en waar één matsa tussen verzeild was die niet lisma gebakken was. Kunnen wij zeggen dat die ene matsa onbelangrijk is in de meerderheid van matsot en dat men alle matsot kan gebruiken voor de mitswa op Seder-avond?

Een gediskwalificeerde etrog die vermengd raakte tussen etrogiem mehoedariem: De Rabbijn van Kazimirov [geciteerd in Sja’arei Josjer, Sja’ar 3, hfdst. 15] werd met een soortgelijk  probleem geconfron­teerd: dozij-nen dure etrogiem waarop twijfel van hun kasroet was gevallen. De pittom van een etrog mehoe­dar was afgevallen en de etrog werd daardoor dus onbruikbaar. Later kwam de etrog terecht in een doos vol met etrogiem die nimmer een pittom gehad hadden en hij kon er niet meer in worden terug­ge­vonden. Mogen wij deze etrogiem gebruiken?

Als iets verdwijnt in een meerderheid, geeft dat dan een nieuwe definitie aan de minderheid? Deze drie gevallen vertegenwoordigen een aantal gelijksoortige gevallen in de halachische werken en vragen ons de bron van de regel bitoel berov [geneutraliseerd worden door de meerderheid] nader te onderzoeken. De twijfel is of bitoel berov nieuwe halachot kan creëren of misschien alleen maar oude halachot kan verwijde­ren. Tot nu toe weten wij dat verboden voedsel dat vermengd raakte met kosjer voedsel zijn verbod verliest wanneer het verdwijnt in de meerderheid, op grond van bitoel berov. Let op! Wij geven geen heter [toestem­ming] aan het verboden voedsel, maar verwijderden het verbnod erop en als gevolg daarvan, is het toege­staan het te eten. Echter in boven ge-noemde drie gevallen willen we een nieuwe halacha toepassen op de verboden  minderheid. Wij willen de afge-keurde etrog kosjer verklaren, we willen dat een matse, die niet voor de mitswa gebakken werd, de status van lisjma geven en we willen de onbruikbare tsietsiet bruikbaar verklaren, een status die zij geen van allen ooit gehad hebben [Het verboden voedsel wordt vermengd met het toegestane voedsel en vormt daar een te verwaarlozen onderdeel van en het wordt samen met het toegestane voedsel gegeten. Echter degene die, zonder dat te weten, de etrog zonder pittom koopt, doet zijn mitswa met, en zegt de beracha voor een etrog waarvan de pittom is afgevallen! En met een dergelijke etrog kan men de mitswa niet doen en de beracha is dus een nodeloos uitgesproken beracha, waarbij de naam van Hasjem ten onrechte gebruikt werd. Of is de etrog nu, doordat hij tussen andere, wel kosjere etrogiem terecht is gekomen, plotseling kosjer geworden? (Zwi)].

De poskiem verschillen van mening over dit probleem De auteur van ‘Oneg Jom Tov bepaalde dat bitoel berov inderdaad oude halachot annuleert maar geen nieuwe halachot kan toepassen [en de tsietsiet werden afgekeurd]. Aan de andere kant besliste de Netsiv dat „volg de meerderheid” in alle gevallen geldt, zelfs wanneer het gaat om het maken van nieuwe halachot! [en de matsot werden goedgekeurd. Zie Sja’arei Josjer, die hier dieper op ingaat.]

Daf 99b – En de halacha is dat zenuwen geen smaak hebben

De smaak van de gid hanasjee

„De halacha is dat zenuwen geen smaak hebben.” Dit is de conclusie van een lange discussie in de Gemara over de vraag of de gid hanasjee smaak heeft of niet. Met andere woorden, de gid hanasjee verbiedt ander voedsel niet, waarmee het samen gekookt werd, want het heeft geen smaak en er is dus ook geen verboden smaak in het mengsel gekomen.

Het eerste punt dat de aandacht verdient is dat wat wij geleerd hebben  [in Pesachiem 24b], dat iemand niet gestraft wordt met geseling voor het eten van iets ongewoons, zoals iemand die verboden vet [chelev] rauw gegeten heeft, die is vrijgesteld van geseling. Daarom, aangezien de gid hanasjee geen smaak heeft, is het ongewoon om het te eten. Waarom wordt dan iemand die het toch eet, gestraft met geseling? [Zie Rambam, Hilchot Maächalot Assoerot 8:2]. Het antwoord is dat het verbod op het eten van de gid hanasjee een speciaal verbod is van Tora en het is een uitzondering, zoals de Gemara zegt: „Het is als hout, maar Tora heeft het verboden.” [Zie Prie Megadiem, Peticha Kolelet Lehilchot Pesach, II, hfdst. 2:2, dat wanneer men iets onnatuurlijks eet, men is vrijgesteld van straf].

Wij vervolgen met een halacha die Rambam noemt en die vele Acheroniem heeft bezig gehouden. Rambam zegt [Hilchot Maächalot Assoerot 8:6] dat iemand die de gid hanasjee eet van een nevela [een niet-geslacht dood dier] gestraft wordt met twee series zweepslagen omdat hij twee overtredingen tegelijk begaan heeft: hij heeft gid hanasjee en nevela gegeten. De vraag is waarom hij ook het verbod op het eten van nevela overtreden heeft. Het is duidelijk dat wanneer de gid hanasjee niet verboden was geweest [of wanneer hij een andere zenuw van de nevela gegeten had], hij in het geheel niet gestraft zou zijn, ook niet voor het eten van nevela, want het is iets onnatuur-lijks om de gid hanasjee [of een andere zenuw] te eten [want ze zijn oneetbaar]. Wij moeten daarom begrijpen hoe het verbod op gid hanasjee het verbod op nevela aantrekt.

Vele Acheromiem [zie Or Sameach, ib. en Kreiti Oefleitie 65, n. 2] lossen het probleem op door te zeggen dat uit het feit dat Tora hem straf geeft als hij de gid hanasjee eet, blijkt dat Tora het eten van de gid hanasjee als consumptie beschouwt, ondanks dat het onnatuurlijk is om een zenuw te eten en daarom overtreedt hij even­eens het verbod op nevela.

De auteur van Minchat Chinoech lost het probleem op de volgende manier op [Mitswa 281, n. 7]: Als iemand verboden voedsel eet, dat normaliter niet gegeten wordt, zeggen wij niet dat doordat hij het gegeten heeft, hij getoond heeft dat hij het op een normale manier ook zou eten, want wij veronderstellen niet dat hij een rasja is [een moedwillige zondaar], zolang als wij daar geen bewijs voor hebben. Daarom, als wij zien dat iemand rauw verboden vet eet, dan veronderstellen wij dat hij geen belang hecht aan rauw vet als voedsel, want als hij er wel belang aan hechtte, zou hij het zeker niet gegeten hebben en daarbij het verbod hebben overtreden. In tegendeel, hij eet het alleen maar omdat het geen behoorlijk voedsel is voor hem.

Deze pilpoel geldt niet voor iemand anders die de gid hanasjee eet daar wij zien dat hij de gid hanasjee, die door Tora verboden is, in elk geval eet, zelfs als hij er geen belang aan hecht. Daarom geeft hij door het te  eten blijk dat hij belang hecht aan het voedsel en hij beschouwt het als eetbaar en zo legt hij de grondslag voor het verbod op nevela [zie daar, dat hij zijn bewering baseert op Rambam, Hilchot Sjewoe’ot 5:5, volgens de Lechem Misjnee]. De Minchat Chinoech eindig ermee, met te zeggen dat hij deze chidoesj in zijn jeugd aan de Gedoliem vertelde, die hem daarvoor prezen.