Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
24 Ijar 5764 Traktaat Choelien 100-106 Nr. 61

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 258 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 101a – Daarom eten de Bnei Jisrael niet de gid hanasjee

Waarom de Asjkenaziem in Jeruzalem het voorste deel menaker waren zoals de Sefaradiem

De taak van de menaker [poorsjer in het Nederlands-Jiddisj] is uiterst belangrijk om het vlees kosjer te maken.  Hij moet de verboden zenuwen, vetten en andere verboden delen uit het geslachte dier verwijderen: de gid hanasjee, het chelev [het verboden vet] en ook de bloedvaten want als die er niet uit worden gehaald, zou het zouten niet voldoende zijn om al het bloed eruit te krijgen. We kunnen nikoer niet alleen door middel van beschrijving uitleggen, zoals de Rema schreef [J.D. 64:7): „De volgorde waarin deze vetten verwijderd moeten worden, moet gedemonstreerd worden door een expert in nikoer en kan niet goed op papier worden uitgelegd." Daarom zullen wij in dit artikel een paar historische en halachische aspecten van nikoer beschrijven.

Vermijding van het eten van het achterdeel van een dier: Vele generaties hebben vele gemeenten de nikoer van het achterdeel van dieren vermeden. Zij aten alleen het voorste deel en het achterdeel, dat veel nikoer vereist, verkochten zij aan niet-Joden. Deze gewoonte was wijdverspreid  in de meeste Oost-Europese gemeenten, behalve in bepaalde gebieden waar veel Joden woonden en waar de vraag naar vlees groot was. De voornaamste steden waar nikoer op alle delen van het dier werd uitgevoerd, waren Warschau, Wilna, Bialistok, Kovno en Krakau (Mazon Kajer min HaChai V, hfdst. 3) en de geleerden in die steden schreven ook werken waarin de nikoer werd uitgelegd.

Ook de Sefaradiem in Jeruzalem, die zich daar omstreeks 500 jaar geleden vestigden, aten uitsluitend het voorste deel van het dier. Omgeven door Moslims was hun taak makkelijker dan die  van hun collega's die tussen de Christenen leefden, omdat de Moslims een traditie hebben dat zij alleen vlees eten dat geslacht is door een afstammeling van Awraham. Het was daarom hun gewoonte om geslachte schapen van de Joden te kopen.

Toen de Arabieren twijfelden aan de Joodse afkomst van de Asjkenaziem: Toen de Asjkenaziem in Jeruzalem aankwamen, wilden zij de Sefaradiem nadoen en het achterdeel aan de Moslims verkopen, maar daarbij stuitten zij op een probleem, toen iemand erin slaagde om de Moslims te overtuigen dat de Asjkenaziem geen afstammelingen van Awraham waren.... Later, in 5634 (1874) „erkenden” de Arabieren dat de Asjkenaziem Joods waren en stemden zij erin toe het vlees van hen te kopen.

Er zijn een paar uitgesproken verschillen tussen de nikoer van Sefaradiem en Asjkenaziem. De Asjkenaziem zijn bijvoorbeeld gewend de grote bloedvaten te verwijderen, maar de Sefardische menakeriem volstaan met de bloedvaten in de lengte door te snijden om zo het bloed eruit te krijgen maar zij verwijderen het bloedvat niet.

De Rabbijn van Jeruzalem in die tijd, HaGaon Rav Sjmoeël Salant zt"l, gaf de Asjkenazische menakeriem opdracht om soepel te zijn en om nikoer te doen op de wijze van de Sefaradiem! Hij was niet bereid om af te wijken van de gewoonte van de Prie Chadasj, die Rabbijn was geweest van Jeruzalem (Torat Nikoer HaJeroesjalmi) en zodoende sneden de Asjkenazische menakeriem ook de aderen alleen maar door maar verwijderden ze niet.

Na enige tijd begonnen de Asjkenaziem van Jeruzalem ook rundvee te slachten maar ontdekten dat de Arabieren schape-vlees prefereerden (Mazon Kasjer min HaChai, ib. hfdst. 5, opmerking 11). En weer was er niemand die de achterdelen wilde kopen en daarom  begonnen de Asjkenaziem ook nikoer te doen op de achterdelen en aten dat. Er ontwikkelde zich een fascinerende situatie. Zij voerden nikoer op het voorste deel uit op de wijze van de Sefaradiem maar deden nikoer op het achterdeel volgens de methode van de Asjkenaziem, omdat op het achterdeel nimmer nikoer gedaan was in Jeroesjalajim en daarom was er geen verandering nodig van een vroegere gewoonte (Torat Hanikoer Hajeroesjalmi). Na enige tijd begon-nen vele Asjkenaziem alleen het achterdeel te kopen, in strijd met de oude gewoonte, omdat zij vlees wilden eten waarop nikoer was gedaan volgens de Asjkenazische minhag.

Tot op vandaag doen de Asjkenazische menakeriem in Israël nikoer op het voorste deel zoals de Sefardiem dat doen, maar buiten Israël is dat niet zo. Twintig jaar geleden ontstond er een meningsverschil en de Raad van Rabbijnen van de Verenig-de Staten en Canada publiceerde „De manier waarop nikoer gedaan behoort te worden, met G-ds hulp, in alle slachthuizen onder onze jurisdictie." Zij merkten daarin op dat zij een Sefardische menaker uit Casablanca, Marokko, waren tegenge-komen, die nikoer deed volgens de Jeruzalemse methode en hij zei dat hij dat geleerd had van zijn vader „en dit bewijst dat dit een Sefardische gewoonte is." Met andere woorden, de menakeriem in het buitenland rechtvaardigden het feit dat zij geen nikoer verrichten als de Asjkenaziem in Israël, die de Sefardische gewoonte volgen.

Daf 101a – Maar, zei Rawa, het was een tijd van vervolging

Tisjri zonder Jom Kippoer!

Onze Gemara vertelt dat Jom Kippoer eens op Sjabbat viel maar dat iemand die op die Jom Kippoer een overtreding beging, alleen gestraft werd voor het ontheiligen van de Sjabbat en niet voor de ontheiliging van Jom Kippoer. De enige aanwijzing om dit mysterie op te lossen ligt in het woord sjmad vervolging, dat Rawa aan zijn uitleg toevoegde. Volgens Rasji (bw. Wesjalchoe mitam) vaardigde het regiem in dat jaar een decreet uit dat de Joden geen Jom Kippoer mochten houden en op Sjabbat vóór Jom Kippoer hielden zij een soort gedenkdag aan Jom Kippoer „zodat de wetten voor Jom Kippoer niet vergeten zouden worden." Daarom werd iemand die op die dag zondigde, alleen gestraft omdat hij de Sjabbat ontheiligd had, want het was niet echt Jom Kippoer.

Wij moeten onszelf opofferen voor een decreet van sjmad: Vele Risjoniem hebben deze verklaring geaccepteerd maar de Ritva verbaast zich erover hoe de mensen de regering gehoorzaamden en de heilige dag niet hielden: ten slotte was dit een decreet van sjmad vervolging, waarop men hoort te reageren met mesiroet nefesj zelfopoffering. HIj legt daarom uit dat de Amoriem in onze Gemara een uiterst fascinerende historische gebeurtenis overkwamen. Volgens hem verordende de regering dat dat jaar de maan niet zou worden geheiligd. Daar de maand niet werd geheiligd, was er geen Jom Kippoer en dat is de reden dat wie er dat jaar een melacha deed op 10 Tisjri, Jom Kippoer niet ontheiligde.

Een maand zonder heiligheid: HaGaon Rabbijn Baroech Dov Povarski (Bad Kodesj III:1) legt uit dat de Ritva niet bedoelt dat het dat jaar geen Tisjri werd, maar dat de maanden uit zichzelf na dertig dagen veranderden, of zij nu geheiligd waren of niet. De Ritva bedoelt dat de heiliging van de maanden twee doelen heeft: de eerste is om vast te stellen of de nieuwe maan na 29 of na 30 dagen van de voorafgaande maand begint; wanneer de maand niet geheiligd wordt, begint hij na 30 dagen. Het tweede doel is om de nieuwe maan te heiligen, waardoor de feestdagen van die maand geheiligd worden. Daarom, toen zij de maand niet heiligden, stopte de heiligheid van de feestdagen en er vielen geen feestdagen in die maand (zie daar, dat hij uitlegt volgens de mening van de Tanaïem in Rosj Hasjena 24a en wanneer wij de regel van „de Hemel heiligde het" toepassen. Zie ook Klie Chemda, Parasjat Bo, geciteerd in de opmerkingen van de Ritva).