Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
Sivan 5764 Traktaat Choelien 111-113 Nr. 63

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 259 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 111a - We laten het een Aramese kok proeven

De Rabbijn die vertrouwde op een Jood die vertrouwde op een niet-Jood

De Sjoelchan Aroech (J.D. 92:1) bepaalt: „Als een kezajit vlees in een pan met kokende melk valt, moet een niet-Jood het proeven. Als hij zegt dat het naar vlees smaakt, is de pan verboden, en zo niet, dan is het toegestaan, zelfs al is er niet 60 maal zoveel melk als vlees." Deze wet is gebaseerd op onze Gemara. Zoals wij weten wordt kosjer voedsel dat samen met treifa gekookt werd, verboden, tenzij het kosjere voedsel meer dan 60 maal de hoeveelheid van het treifa is. Onze gemara voegt daaraan toe dat we het voedsel door een niet-Joodse kok mogen laten proeven om te horen of het mengsel volgens hem naar het treifa smaakt, dat erin gevallen is.

Wanneer de smaak vervaagt: Deze toestemming geldt niet onbeperkt, maar heeft een paar uitzonderingen, die genoemd worden in de Darchei Tesjoewa (92, n. 7), waar staat dat wij niet moeten vertrouwen op de smaak van een tachtigjarige, omdat oudere, onwetende mensen en zondaren hun smaak verliezen als zij ouder worden. We mogen wel vertrouwen op een niet-Jood die geen kok is, als hij maar niet weet dat wij op hem vertrouwen, maar we geven het hem gewoon te eten en vragen hem op natuurlijke wijze hoe het smaakt (zie Sj. A., J.D. 92:1 en 98:1, ibid, n. 2).

De Rema: Het is onze gewoonte om niet op de smaak van een niet-Jood te vertrouwen: De Rema voegt een korte opmerking toe aan de Sjoelchan Aroech (ibid): „Het is nu niet onze gewoonte om te vertrouwen op een niet-Jood maar we schatten alles volgens 60 delen" (voor de reden, zie Chidoesjei Rabbi Akiva Eiger op de Sj.A. t.p.). De Asjkenaziem hadden daarom de gewoonte om streng te zijn en niet te vertrouwen op onze Gemara voor wat betreft de smaak van een niet-Jood.

Kunnen we vertrouwen op een niet-Jood? Voordat we de beide kanten van het meningsverschil nader onderzoeken, zullen wij aandacht besteden aan een ander meningsverschil onder de poskiem namelijk, volgens de Rema, kunnen wij vertrouwen op een Jood die het voedsel geproefd heeft en gezegd heeft dat het niet smaakt naar iets dat verboden is? (Sjach, ib. n. 5 en zie Pischei Tesjoewa, n. 3).

Hoe zou het mogelijk zijn dat een Jood twijfelachtig voedsel eet om de smaak vast te stellen? Er zijn inderdaad vele mogelijkheden. Bijvoorbeeld, een Jood die gezworen heeft een bepaald voedsel niet te eten en dat viel vervolgens in een pan. Niet alle Joden zijn verboden dit mengsel te eten en daarom kan iedereen, behalve degene die gezworen heeft, het voedsel proeven (Sjach ib.).

Wij worden geconfronteerd met twee meningsverschillen: Het eerste is of we kunnen vertrouwen op de smaak van een niet-Jood en het tweede, volgens degenen die het verbieden, is of we kunnen vertrouwen op de smaak van een Jood. Badei Hasjoelchan citeert een interessante verklaring (98, n. 4) voor deze meningsveschillen.

De smaak is in de loop van de generaties vervaagd: Ten eerste moeten we verklaren waarom de Rema streng was en niet wilde vertrouwen op de smaak van niet-Joden. De auteur van Minchat Kohen zt"l schreef (I, eind van 87) dat ten gevolge van verschillende oorzaken de betrouwbaarheid van niet-Joden verminderd is en dat wij daarom niet meer op hen kunnen vertrouwen wanneer zij hun mening over een smaak geven.  Aan de andere kant zegt de auteur van de Lewoesj (aangehaald in de Sjach) dat de Rema zo beslist heeft omdat in de loop van de jaren de smaak van de mensen is achteruit gegaan en dat er geen experts meer zijn die een klein verschil in smaak in een voedselmengsel kunnen onderscheiden.

Daarom, wanneer wij willen weten of we kunnen vertrouwen op de smaak van een Jood, blijkt het dat dit afhankelijk is van de twee verklaringen: als de regeling van de Rema gebaseerd is op een verdenking van gebrek aan vertrouwen, dan bestaat die verdenking niet voor Joden. Maar wanneer de smaakzintuig van de mensen in het algemeen is achteruit gegaan, dan is er geen verschil tussen een Jood en een niet-Jood, want zij hebben allemaal een zwakkere smaak dan hun voorouders.

Halacha: Voor wat betreft de halacha, bediëved als een Jood het geproefd heeft, mogen we daarop vertrouwen (Badei Hasjoelchan, ib.).

De kip die van de vuilnishoop gered werd: Nu wij zover gekomen zijn, kunnen wij een ingenieuze opmerking niet missen die wordt toegeschreven aan de Gaon van Teplik, Rabbijn Sjimsjon Aharon Polanski zt"l, die diende als de Rabbijn van de Beit Jisraël-buurt in Jeruzalem, vele jaren geleden. Hem werd eens een kip gebracht die samen met iets treifa gekookt was. Daar de Asjkenaziem gewend zijn om niet te vertrouwen op de smaak van een niet-Jood en zij dus niet aan een niet-Jood konden vragen of de kip naar het treifa smaakte, was het duidelijk dat niemand van de kip gebruik kon maken. Maar tot ieders verbazing besliste de Gaon dat men een stukje van de kip aan een niet-Jood moest geven om het te laten proeven. Toen men hem vertelde dat de niet-Jood niets ongewoons aan de kip geproefd had, besliste de Gaon dat men een stukje kip aan een Sefardische Jood zou geven om te proeven, want hem was het volgens de Sjoelchan Aroech toegestaan om de kip te eten, nadat de niet-Jood het geproefd had en had goedgekeurd. Daarom, wanneer de Jood iets van de kip eet en verklaart dat het geen ongewone smaak heeft, mag ook de Asjkenazische eigenaar het eten want een Jood heeft het geproefd en verklaard dat er geen vreemde smaak aan zat (Meor HaSjabbat II, p. 535; zoals gezegd, deze beslissing wordt toegeschreven aan de Gaon van Teplik maar het gerucht is niet stevig genoeg vastgesteld om er op te vertrouwen als een halachische beslissing).

Daf 111b - Een pan waarin men vlees heeft gekookt

Een stuk nevela dat in een aantel pannen viel

In  onze soegia leren we dat de smaak van voedsel onbelangrijk wordt in 60 delen omdat de smaak niet verspreid kan worden in ander voedsel dat 60 maal zoveel is. In dit artikel zullen wij een paar pannen onderzoeken die bezocht werden door een mengsel van een issoer en een heter (verboden en toegestaan voedsel) en daarbij zullen wij geconfronteerd worden met een enorm moeilijk probleem, dat wordt opgelost door de heldere verklaring van de Chazon Iesj zt"l (33, s.k. 2).

Een enkel stuk nevela kan vele pannen verboden maken: Een stuk nevela viel eens in een pan met kosjer vlees en na zorgvuldig meten bleek dat de inhoud van de pan niet 60 maal de hoeveelheid nevela was. Het gevolg was dat de hele pan met vlees verboden werd. Daar was niets aan te doen. Maar toen de kok het stuk nevela uit de pan wilde halen, slipte het uit zijn handen en viel in een andere pan met vlees en een kort onderzoek wees uit dat ook de inhoud van deze pan niet 60 maal het stuk nevela was. De Rema beslist (Sjoelchan Aroech J.D. 98:4) dat de inhoud van beide pannen verboden is en dat dezelfde regel zou gelden  voor alle verdere pannen waarin dat stuk nevela vervolgens zou vallen.

Verspreidt nevela zijn smaak onbeperkt? Enig kort nadenken over dit geval doet een enorme vraag rijzen: Als de inhoud van beide pannen samen in één pan hadden gezeten, dan was er geen probleem geweest, want dan was er meer dan 60 maal zoveel heter geweest dan de nevela en wij weten dat voedsel geen smaak kan afgeven aan ander voedsel dat 60 maal zoveel is. In ons geval verbieden we de inhoud van de eerste pan, omdat het de smaak van de nevela geabsorbeerd heeft. Dat wil zeggen, de nevela heeft zijn smaak reeds afgegeven aan de inhoud van de eerste pan en er is nog maar weinig van zijn smaak in het stuk nevela zelf achter gebleven. Dus toen het in de tweede pan viel, had de smaak ervan nog maar weinig invloed. Waarom beschouwen we het dan als een vers stuk nevela?

Het probleem van de drie pannen: Een soortgelijk probleem, niet minder raadselachtig, is het „probleem van de drie pannen." Laten wij eens veronderstellen dat drie pannen  vol met vlees op een bepaalde plaats stonden en dat er drie stukjes nevela invielen, één in iedere pan, en dat de inhoud van iedere pan 100 maal die van het stuk nevela is. Er is geen probleem. Nu nemen we de stukken nevela uit de pannen en doen ze erin terug. Er is nog steeds geen probleem: Wij beschouwen dit geval niet alsof er twee stukken nevela in iedere pan gevallen waren, daar hetzelfde stukje vlees tweemaal in dezelfde pan viel, en zijn smaak is niet verdubbeld.

Maar als er verwarring optreedt en, in plaats van dat ieder stukje nevela in zijn "eigen" pan terugviel, laten wij ieder stukje nevela nu in een andere pan vallen. De Sjoelchan Aroech (J.D. 99:6) beslist dat de inhoud van de pannen nu verboden is, omdat wij het nu beschouwen alsof twee stukken nevela in iedere pan gevallen zijn! Wat is daarvan de verklaring?

Het antwoord is zeer eenvoudig. Niemand weet in welke pan de nevela zijn smaak afscheidt en daarom zijn alle pannen verboden uit twijfel, uit vrees dat twee stukken nevela hun smaak aan een pan hebben afgegeven.

Is dat zo? Zolang als wij het hebben over twee pannen, is deze twijfel geldig. Maar wanneer wij een stuk nevela hebben dat drie of vier pannen in- en uitging, dan zouden wij hen allemaal moeten toestaan, want het is duidelijk dat het nevela zijn smaak slechts aan één pan heeft afgegeven, de meeste pannen zijn dus kosjer en dus zouden wij alle pannen moeten toestaan volgens de regel van bitoel barov (het wordt geneutraliseerd door de meerderheid).

De criteria voor mengsel: Het verbod is zeker, tot het tegendeel bewezen is: Gebaseerd op dit en soortgelijke problemen heeft de Chazon Iesj een uiterst belangrijk principe vastgesteld voor de halachot voor mengsels.Toen Chazal het eten van een mengsel verbood, hebben zij die regeling niet vastgesteld uit twijfel. Zij zeiden niet dat als het toegestane voedsel niet 60 maal meer was dan het verboden voedsel, wij eraan twijfelen of de smaak van het verbodene zich door het toegestane voedsel verspreidt zodat het daarin te proeven is. Zij stelden vast dat de bewijslast rustte op degene die het mengsel wilde eten: hij moet bewijzen dat de smaak van het verbodene niet te proeven is, en zolang hij dat niet, boven alle twijfel verheven, beschouwen wij ieder geval alsof het zeker is. Dit waren de criteria voor het verbod.

Daarom, zelfs al valt een stukje treifa in tien pannen, de een na de ander, zodat wij niet weten in welke pan het zijn smaak heeft afgegeven, dan moeten wij iedere pan verbieden wegens verdenking dat het zijn smaak juist in die pan heeft afgegeven.

Daf 113a - Het bloed komt alleen uit het vlees als het heel goed gezouten wordt

Het zouten van bevroren vlees

Een van de handelingen die vereist zijn om vlees geschikt voor consumptie te maken is het te zouten. Nadat het dier geslacht en onderzocht is en na de nikoer (de verwijdering van de verboden delen zoals de gid hanasjee en de verboden vetten) moet het vlees "heel goed" gezouten worden, zoals onze Gemara zegt. Wij moeten opmerken dat sommigen zeggen (Beit Joseef, J.D. 69, n. 19; Da'at HaGeoniem) dat het zout niet al het bloed eruit trekt, maar dat het al het bloed eruit trekt dat er zonder het zouten door het koken uit zou komen, maar het bloed dat er niet uitkomt, is niet verboden, want alleen het bloed dat uit de organen komt is verboden. Sommigen zijn het hier niet mee eens (zie de Prie Megadiem in het voorwoord tot Hilchot Melicha, beg.w. Haïkar hasjenie in naam van de Rasjba) maar menen dat het zouten al het bloed verwijdert en dat het bloed dat erna nog uit het vlees komt, alleen maar vleesnat is dat lijkt op bloed. Volgens alle meningen is ongezouten vlees dat gekookt is, verboden, omdat het bloed er tijdens  het koken uitkomt en verboden bloed wordt en vervolgens weer in het vlees wordt terug geabsorbeerd.

Wij hebben een traditie die zegt dat gezouten vlees geen bloed afscheidt tijdens het koken, maar dat betreft alleen vlees en zout in hun natuurlijke staat maar iedere verandering in die natuurlijke staat of in de omstandigheden van de opslag en bewaring moet nader onderzocht worden omdat het de traditionele formule kan verstoren, dat gezouten vlees geen bloed uitscheidt tijdens het koken. Dit probleem werd actueel toen men bevroren vlees begon te exporteren en de poskiem hebben zeer veel uitgeweid over dit probleem.

We mogen vlees dat drie dagen oud is niet meer zouten: Wij hebben reeds geleerd uit de leringen van de Geoniem (Tesjoewot HaGeoniem, geciteerd in de Toer, J.D. 69) over veranderingen die er in het vlees optreden, die de invloed van het zouten kunnen beïnvloeden, dat het niet helpt om vlees dat drie dagen gestaan heeft sinds het geslacht werd, te zouten, omdat het bloed is opgedroogd en het zout het bloed er niet meer kan uittrekken maar tijdens het koken wordt het bloed weer vloeibaar, komt uit het vlees en wordt er weer in terug geabsorbeerd en maakt het vlees verboden. Dit werd halacha (Sjoelchan Aroech, J.D. 69:12). De Rasjba (Responsa 561) voegt daaraan toe dat het ook uit de Gemara bewezen kan worden (Ketoebot 76b), waar staat dat een wond een korst vormt (d.w.z., het bloed droogt op) na drie dagen (zie responsa Jabia Omer, J.D. II:4 en VII:4 betreffende verschillen tussen het geval en het bewijs).

Is bevroren vlees nog precies zoals het was? Toen aan de poskiem gevraagd werd wat de wet was voor bevroren vlees, was de vraag of het vlees door het invriezen in precies dezelfde staat gehouden wordt als het was voordat het ingevroren werd. Die vraag was altijd al actueel in koude landen, waar het vlees in de winter bevroren kon raken (Zie Aroech HaSjoelchan, ib. beg.w. 79) en de vraag werd accuut met het op de markt komen van grote hoeveelheden bevroren vlees van andere continenten, met name voor vlees dat in een ander land geslacht was en was ingevroren zonder nikoer of te zijn gezouten. Daar er vele dagen verlopen tussen het slachten en het zouten, was het de vraag of dit vlees nog gezouten kon worden.

De meeste poskiem hebben in de laatste 80 jaar hier aandacht aan besteed en, zoals gewoonlijk, verschillen de meningen. Velen staan het toe om dit vlees te zouten omdat volgens hen het vlees, zodra het is ingevroren, zijn conditie, zoals die voor het invriezen was, bewaard en het bloed droogt niet op. Daarom hebben we, op het moment dat het vlees ontdooid wordt, volgens hen vlees dat in dezelfde staat verkeert als op het moment dat het geslacht werd en het is toegestaan om het te zouten en te eten (Aroech Hasjoelchan, ib. en zie Responsa Seridei Eesj, II:14).

Sommige poskiem wilden het zouten van ontdooid vlees verbieden, ten gevolge van de verdenking dat het vlees tijdens het invriezen veranderingen had ondergaan, hoewel dat moeilijk was waar te nemen en hoe weten wij dat het zout al het bloed uit dit vlees kan trekken, dat een onnatuurlijk proces doorgemaakt heeft? (zie Responsa Jaskiel Avdi, I, J.D. 3 en zie Minchat Ja'akov 14, geciteerd in Baër Hetiev 69, n. 8).

Wij wijzen erop dat velen (zie Responsa Sjewet HaLevi II:25) trachten het zouten van vlees, nadat het bevroren is geweest, te vermijden, ook vanwege andere problemen bij het invriezen (zie responsa Jaskiel Avdi ib.), waaronder dat het invriezen de bloedvaten kan doen sluiten waardoor het bloed verhinderd wordt om er door het zout te worden uitgetrokken (zie een uitweiding over dit onderwerp in Hearot HaDaf nr. 60 in het artikel "Verenplukken volgens halacha").

Voor wat betreft de Halacha: HaGaon Rav Moshe Feinstein zt"l besliste (Responsa Igrot Moshe, J.D. I:27) dat men bij voorkeur dit moet vermijden maar dat bediavad – als het eenmaal gebeurd is –  men mag vertrouwen op de soepele meningen, vooropgesteld dat het vlees volledig bevroren is geweest en zo hard was als een steen.

 

Daf 107b: Iemand die eet doordat iemand hem voedt

Esav's geleerdheid

Onze Gemara bespreekt of iemand die gevoerd wordt, zijn handen moet wassen. De auteur van Paniem Jafot schrijft (Bereisjiet 25:30) dat Esav niet voor niets vroeg om met "dat rode" gevoed te worden. Ja'akov weigerde hem het voedsel te geven omdat men geen brood mag geven aan iemand die zijn handen niet gewassen heeft. Daarom vroeg Esav: "Voedt mij", stop het in mijn mond, want hij was van mening dat in een dergelijk geval degene die gevoed wordt, zijn handen niet hoeft te wassen.

Daf 108b - Kook het geitebokje niet in de melk van zijn moeder

Awraham hield de scheiding tussen vlees en melk in acht

De uitspraak van Chazal: „Awraham hield zich aan de hele Tora, zelfs aan eroev tavsjilien" is wel bekend. Sommigen zeggen dat dit niet betekent eroev tavsjilien maar tavsjiliem me'oebaviem (gemengd voedsel). Dat wil zeggen dat hij geen vlees met melk at en zelfs geen melk na vlees, maar alleen melk en daarna vlees, zoals ons verteld wordt: "...hij nam boter en melk" en daarna "het kalf dat hij bereid had" (Da'at Zekeniem miBa'alei HaTosafot, Wajera).