Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
8 Sivan 5764 Traktaat Choelien 114-120 Nr. 64

Gemara Daf 114a – Rav Asji zei: Hoe weten wij dat vlees met melk gekookt verboden is om te eten? Omdat er gezegd is [Dewariem 14:3]: "Je zult niets afschuwelijks eten." De Tora zegt: Alles dat Ik een gruwel voor jou gemaakt heb is inbegrepen in het verbod "je zult niet eten." [Rasji: Dat wil zeggen, alles dat Ik jou verboden heb, moet je voor jezelf als een gruwel beschouwen en daar moet je jezelf verre van houden] Nu weet ik alleen dat het verboden is om het te eten. Hoe weet ik dat men er ook geen profijt van mag hebben? Dat volgt uit wat Rav Abahoe gezegd heeft, want Rav Abahoe heeft gezegd dat Rabbi Elazar gezegd heeft: 'Overal waar in Tora staat: Men zal het niet eten, of: Je zult het niet eten, of Jullie zullen het niet eten is er een verbod op het eten en het hebben van profijt ervan bedoeld, tenzij Tora expliciet zegt dat je er wel profijt van mag hebben, zoals van nevela.

Daf 115a: De Gemara brengt nu verschillende bezwaren naar voren, die allen proberen te bewijzen dat de stelling van Rav Asji onjuist is, maar de bezwaren worden verworpen. De Gemara komt met een nieuw bezwaar: Laat dan ook de van haar nest weggezonden moedervogel, die was weggezonden van haar nest, ter vervulling van de mitswa dat men de moeder van haar nest moet zenden verboden zijn om er profijt van te hebben? [Wanneer men een vogelnest vindt met een moedervogel broedend op de eieren of op de kuikens, dan moet men de moedervogel wegjagen voordat men de jongen of de eieren eruit neemt, zoals de Tora zegt: "Je zult niet de moedervogel nemen terwijl zij op haar jongen zit, maar sjaleach tesjalach – je zult de moeder beslist wegjagen." Volgens Rav Asji is de moedervogel een verboden voorwerp, want Tora verbiedt de moeder te nemen en dus is zij iets afschuwelijks, dat voor altijd verboden is, zelfs als men haar heeft weggejaagd. De Gemara antwoordt:] De Tora heeft niet gezegd dat zij moet worden weggestuurd om een struikelblok te vormen. [Rasji: Wanneer de moedervogel inderdaad verboden zou worden voor consumptie en voor profijt, dan zou Tora niet geboden hebben dat zij moet worden weggestuurd, want daar zij niet te onderscheiden is van iedere andere vogel, zou iemand zonder het te weten kunnen zondigen door de vogel later te vangen en op te eten, zonder te weten dat deze vogel verboden is. We kunnen dus concluderen dat zo een verbod niet bestaat en dat men wel profijt mag hebben van de moedervogel.]

Dezelfde logica wordt gebruikt in Traktaat Kiddoesjien [57a] betreffende twee vogels die nodig zijn voor de rituele reiniging van een metsora. De ene wordt geslacht en de andere wordt weggezonden. Zelfs al zouden wij de weggezonden vogel kunnen identificeren, dan nog is die voor consumptie toegestaan, omdat het onacceptabel is dat Tora ons opdracht zou geven om een struikelblok te doen ontstaan. Het enige verschil is dat de Talmoed daar een Tora vers citreert dat een aanwijzing geeft voor de kasjroet van de weggezonden vogel. Tosafot zegt hier dat dit nodig was omdat de Tora over beide vogels samen spreekt en wij zouden zonder dat vers verondersteld hebben dat net zoals de geslachte vogel verboden is om te eten [omdat die geofferd wordt], zo ook de weggezonden vogel verboden is om te eten, hetgeen dus niet juist is.

 VRAAG: Waarom echter zou het verboden zijn om de weggezonden vogels te eten als iemand anders die vindt. De meerderheid van de vogels in de wereld is toegestaan voor consumptie en in geval van twijfel volgen we de rov [meerderheid] volgens Tora-wet en degene die de weggezonden vogel vangt zou de vogel toch mogen eten op grond van dit rov-principe!

ANTWOORD: (a) De Chidoesjei Chatam Sofer antwoordt dat zelfs al is het de vinder toegestaan om de vogel te nemen, dan zou het toch verboden zijn  om lechatchila de vogel weg te sturen, wanneer het vers "Sjaleach tesjalach", dat zegt dat de vogel moet worden weggestuurd, dat niet expliciet zou toestaan. De Chatam Sofer haalt Tosafot aan [95a, beg.w. OeweNimtsa], die schrijven dat een kledingstuk dat sja'atnez bevat, niet verkocht mag worden aan een nochri, omdat die het misschien doorverkoopt aan een Jood. Zelfs al zou het principe van de rov de verkoop toestaan, omdat het in de meeste gevallen niet zal worden doorverkocht aan een Jood, is het niettemin lechatchila verboden om een verboden voorwerp in de wereld te brengen en om dan op de rov te vertrouwen om het toe te staan. De Chatam Sofer beweert dat een dergelijk gedrag door Tora verboden is.

Het vers Sjaleach tesjalach is nodig om ons te leren dat de vogel in het geheel niet verboden is en dat het dus lechatchila is toegestaan die vogel weg te sturen.

Rav Elchanan Wasserman zts"l geeft een antwoord in Kovets Sjemoe'ot, gebaseerd op de Jeroesjalmi, zoals aangehaald door de Rasj [in Orla]. De Jeroesjalmi leert dat in het algemeen bitoel alleen effectief is als het bekend is dat er een issoer in het mengsel zit maar als het niet bekend is waar of de issoer zich bevindt. Voordat het bekend is dat er een issoer aanwezig is zegt Tora niet dat de meerderheid van de toegestane voorwerpen de issoer neutraliseert. De reden is, zo legt de Kovets Sjemoe'ot uit, dat de Tora een mengsel toestaat dat een meerderheid van heter bevat, is wegens de twijfel die bestaat. Maar als er geen twijfel bestaat [omdat degene die de vogel vindt niet wist dat er ergens een verboden vogel rondvloog], dan volgt Tora niet het principe van de meerderheid en dus zou de vogel verboden blijven [ware het niet dat het bovengenoemde vers het dier toestaat].

Door: D. Bloom van Kollel Iyun Hadaf in Har Nof, Jeruzalem

Rosj Kollel: Rav Mordecai Kornfeld

Met toestemming van de eigenaars vertaald en van toelichting voorzien door Zwi Goldberg

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 259 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 115b - "Je zult het geitebokje niet koken in de melk van zijn moeder," staat er driemaal, eenmaal voor het verbod om het te eten, eenmaal voor het verbod om er profijt van te hebben en eenmaal om het koken ervan te verbieden.

Laboratoriumtest voor vlees met melk

Soms verbiedt Tora ons bepaald voedsel te eten en soms verbiedt zij ons profijt te hebben van bepaald voedsel. Het verbod op vlees met melk omvat een uniek verbod dat nergens anders in Tora gonden wordt – het verbod op het koken, dat iemand die vlees met melk samen kookt een verbod van Tora overtreedt.

De poskiem hebben uitgeweid over de definitie van koken – zoals of roosteren, bakken, roken, koken in een hete bron, enz. zijn inbegrepen in het Tora-verbod. Maar in dit artikel zullen we ons concentreren op de definitie van het verbod om te koken – wat voor soort koken verbiedt Tora?

Het koken van vlees met melk als dat niet gebeurt voor consumptie of profijt: Het onderzoek dat wij ondernemen gaat erover of het verbod om vlees met melk te koken verbonden is met het verbod om profijt te hebben van het mengsel of om het te eten. D.w.z. is het ons verboden vlees met melk samen te koken met het doel dat op te eten of om er profijt  te hebben van het mengsel, of is het verbod om ze samen te koken onafhankelijk van wat men daarna met het mengsel doet.

Waarom iemand die vlees met melk eet gestraft wordt met geseling: Een enorm probleem zweeft boven de halachot van vlees met melk. De Tora zegt alleen: „Je zult het geitje niet koken in de melk van zijn moeder" (Sjemot 23:19, 34:26; Dewariem 14:21). Uit het feit dat Tora dit vers driemaal herhaalt, leren Chazal dat deze drie verboden inhouden: consumptie, het hebben van profijt en koken. Schijnbaar wordt de straf van geseling (malkoet) niet gegeven  voor het eten of voor het hebben van profijt van vlees met melk. De Tora heeft het duidelijk alleen over het koken van vlees met melk en de beide andere verboden worden geleerd door derasja – interpretatie. Malkoet wordt niet gegeven voor een overtreding van een verbod dat alleen door middel van derasja geleerd wordt, dus waarom wordt iemand die vlees in melk gekookt wordt, gestraft met geseling (Rambam, Hilchot Toemat HaMeet 1:2)?

Om dit probleem op te lossen, geeft de Kesef Misjnee (ib. 2de antwoord) de volgende definitie: „Het schijnt dat Tora alleen het koken van vlees in melk verboden heeft, opdat wij het niet zullen eten." Dat wil zeggen, daar het verbod op het koken er alleen maar is om ons van consumptie ervan te weerhouden, dan geldt, dat wanneer Tora het verbod op koken herhaalt, het is alsof het expliciet het eten  van vlees in melk gekookt verbiedt. Dus het kan niet beschouwd worden als een verbod dat geleerd wordt door middel van een derasja.

Zo leren wij dus dat het verbod op het koken van vlees in melk van toepassing is als men het samen wil eten. We kunnen de halachische implicaties die hieruit voortkomen, begrijpen door middel van de volgende vraag die naar voren gebracht werd door HaGaon Rabbi Meïr Shapira van Lublin, de grondlegger van de Daf HaJomi.

Iemand wilde de ingrednten onderzoeken van een bepaald merk chocolade om er zeker van te zijn  dat het geen mengsel van vlees met melk zou bevatten. Het probleem was dat men het onderzoek alleen kon doen door de chocolade te koken. Als zou blijken dat het een mengsel bevat van vlees met melk, dat had hij vlees met melk gekookt. Is dat geoorloofd?

Het koken van chocolade die verdacht wordt vlees te bevatten: De Gaon van Tschebin zt"l antwoordt (Dovev Mesjariem, I, eind van 30) dat volgens de hierboven genoemde verklaring van de Kesef Misjnee het zou kunnen dat er geen probleem is. De Kesef Misjnee geeft aan dat het verbod op het koken alleen geldt als er een mogelijkheid bestaat dat het mengsel gegeten wordt. Maar in ons geval was de bedoeling van degene die het wilde koken om te vermijden dat het verbod op het eten van vlees met melk overtreden zou worden en we hoeven niet bang te zijn dat hij dat verbod zou overtreden. Deze overweging wordt vergezeld door het feit dat wij een twijfelachtig mengsel hebben van vlees met melk en het verbod is niet zeker.

Wij willen dit artikel besluiten met er nogmaals de nadruk op te leggen dat de halachische onderwerpen die in onze publicaties genoemd worden, uitsluitend bedoeld zijn om de belangstelling van de lezers op te wekken en dat men zich beslist niet op de halachische regels ervan mag verlaten. Wij willen daar hier nogmaals de nadruk op leggen omdat dit onderwerp erg actueel is.

Daf 116b - Wanneer het smaak afgeeft

Wat is smaak?

In de huidige dapiem wordt het onderwerp behandeld van de smaak die een voedsel afgeeft aan een voorwerp waarin het gekookt werd of aan ander voedsel waarmee het samen gekookt werd.

Wat is de aard van afgescheiden of geabsorbeerde smaak? Er bestaat geen twijfel aan dat deze vraag iedere lerner van de Daf Jomi kwelt. En inderdaad, HaGaon Rabbi Moshe Feinstein zts"l heeft daar uitgebreid over gecorrespondeerd (Igrot Moshe, J.D. I, 41) met zijn broer HaGaon Rabbi Mordechai en in zijn brief geeft hij zijn mening, gebaseerd op de Toer en de Sjoelchan Aroech.

Vast voedsel geeft alleen een smaak af; een vloeistof scheidt een smaak af met substantie: Er zijn twee mogelijkheden voor voedsel om smaak af te geven, Soms geeft iets alleen maar smaak af en soms wordt ook iets van het voedsel zelf afgescheiden en dat heeft natuurlijk ook smaak. Wanneer wordt er alleen maar smaak afgescheiden en wanneer wordt er ook substantie afgescheiden? Rabbi Moshe Feinstein zegt dat vast voedsel alleen maar smaak afgeeft terwijl de substantie zelf intact blijft. Maar vloeistoffen scheiden niet alleen maar smaak af maar hun smaak wordt altijd begeleid door een deel van de vloeistof zelf. Daarom, wanneer vlees smaak afgeeft, blijven zijn gewicht en afmeting intact. Maar wanneer wijn smaak afgeeft, vermindert het gewicht van de wijn, omdat met de smaak een deel van de wijn verloren gaat.

Deze regel heeft een interessant en practische gevolg. Wanneer iemand een pan met vlees omroert met een melklepel, schatten wij alsof de hele lepel van melk is en het vlees moet 60 maal meer zijn dat het volume van de lepel, voordat wij kunnen zeggen dat de melk onbelangrijk geworden is in de 60 delen. Hetzelfde geldt voor het omgekeerde geval, als iemand een pan met melk omroert met een vleeslepel, dan schatten wij het volume van de hele lepel alsof die van vlees is en als er niet meer dan 60 maal zoveel melk in de pan zit dan het volume van de lepel, dan is het verboden.

Het wegen van de melk kan de pan met vlees redden: Maar wanneer de lepel nieuw is en slechts eenmaal voor melk of vlees gebruikt is, dan is er een verschil tussen een pan met vlees en een pan met melk. Laten we eerst kijken naar de pan met vlees. Eerst was de lepel gebruikt om er kokende melk mee te roeren en daarna werd hij gebruikt om het vlees te roeren. Wanneer wij de hoeveelheid melk kennen  voordat de lepel erin ging, dan kunnen we de melk wegen nadat de lepel erin geroerd heeft en zo de hoeveelheid melk schatten die geabsorbeerd werd in de lepel. Dan is er geen noodzaak om 60 maal zoveel vlees te hebben als de hele lepel, maar dan is het voldoende als er 60 maal zoveel vlees is als de hoeveelheid melk die mist aan de oorspronkelijke hoeveelheid melk. Echter in het omgekeerde geval helpt dit soort meten niet, want zelfs als we ontdekken dat er niets aan de oorspronkelijke hoeveelheid vlees mist, dan is dat geen bewijs dat de lepel niet fleischich is geworden, omdat vast voedsel een smaak afgeeft zonder  dat er substantie verloren gaat en het kan zijn dat de hele lepel geabsorbeerd is met vleessmaak.

Daf 116a - In de woonplaats van Rabbi Jossi HaGelili eten ze kip met melk

"In de woonplaats van Rabbi Jossi HaGelili eten ze kip met melk". Waarom?

De mensen die woonden in een bepaalde stad negeerden de beslissing van Chazal om geen kip met melk te eten, een beslissing die was ingesteld om ons ver te houden van het Tora-verbod om vlees met melk te eten, want dat was de stad van Rabbi Jossi Hagelili, die van mening was dat Chazal nimmer een dergelijke beslissing genomen hadden. Hoewel de andere geleerden het er niet mee eens waren, volgden de bewoners van zijn stad hem. Dit geldt niet alleen voor een Rabbijns verbod maar ook voor meningsverschillen betreffende verboden van de Tora, zoals onze Gemara vertelt, dat Rabbi in Eliëzers stad men bomen omhakte op Sjabbat  en het hout gebruikte om een vuur te maken ter voorbereiding van de instrumenten die men nodig had voor een besnijdenis op Sjabbat!

Er zijn vele verschillende halachische meningen in de verschillende gemeenten en de Risjoniem [Rosj, Mo'eed Katan, hfdst. 3,§ 87; Tosafot, Avoda Zara 38b, beg.w. misjoem enz.] vertrouwden al op een oud antwoord uit het tijdperk van de Geoniem (gedrukt aan het eind van Jam sjel Sjlomo, Bava Kama), waar 50 verschillen genoemd worden tussen de Babylonische Joden en diegenen in Erets Jisraël in alle facetten van halacha. Sedertdien tot op de huidige dag werden de ballingen vermengd en weer gescheiden totdat de verschillende meningen enorm zijn uit elkaar gelopen.

De belangrijke informatie in onze Gemara, dat de bewoners van een plaats van een chacham die een minderheidsopinie aanhangt, zich mogen gedragen naar die opinie, ondanks dat de overige geleerden het daar niet mee eens zijn, vormde een vruchtbare bron voor vele verschillende minhagiem in de verschillende gemeenten. De Tasjba (Responsa I:253) en de Ran (Responsa 48) kwamen tot deze conclusie toen zij over bepaalde meningsverschillen beslisten, dat men in de plaats van de Rif en de Rambam hun mening moet volgen, hoewel die niet in andere gemeenten gevolgd werd.

Toen de Rasjba twee verschillende antwoorden gaf op dezelfde vraag: De benadering van de Rasjba blijkt duidelijk uit zijn responsa, wanneer hij soms twee onderling tegenstrijdige antwoorden geeft op dezelfde vraag. Wanneer men een blik werpt op het begin van het antwoord blijkt, dat ieder antwoord een verschillende bestemming heeft en dat de bewoners zich daarom moeten houden aan de regels van de rav die daar vele jaren geleden geleefd heeft (zie Responsa Admat Kodesj, O.Ch. 10).

De voor de hand liggende vraag is dat Tora zegt: „Volg de meerderheid"! Hoe kan dan een enkele halachische autoriteit aan zijn eigen afwijkende mening vasthouden en de bewoners van zijn stad opdragen om hem te volgen tegen de meerderheid in? Voordat wij hierop antwoord geven moeten wij een belangrijke regel nader toelichten.

Volg de meerderheid: bij een meningsverschil beslist een beit din: De regel van „volg de meerderheid" betreft een beslissing van een beit din. Met andere woorden, wanneer een beit din bijeen is en de diverse kanten van een dispuut heeft aangehoord en beslist heeft overeenkomstig een daarvan, dan moet de persoon wiens mening niet geaccepteerd werd, stoppen met te beslissen volgens die mening (zie Chazon Iesj, J.D. 150, ot. 1, 7 en 8 en zie de uitgebreide verklaring in Jesod HaMisjna Wa'arichata over het meningsverschil tussen Beit Sjamai en Beit Hillel). De zaak ligt anders in geval van een meningsverschil dat niet werd opgelost door een beit din. Wanneer een rav met zulk een meningsverschil wordt geconfronteerd, dan moet hij de mening volgen van de meeste poskiem zoals de locica voorschrijft, tenzij hij een talmid chacham is en een buitengewoon geleerde en zijn mening de minderheid steunt (zie Chazon Iesj, ib. ot 8). Wij hoeven er niet de nadruk op te leggen dat wij hier spreken over een betrouwbare talmid chacham, die de verschillende meningen kan beoordelen. En inderdaad zijn alle halachische werken die wij volgen, gebaseerd op halachische beslissingen die de mening van de meerderheid van de poskiem volgen, niet wegens de halacha „volg de meerderheid" maar op grond van logica (zie Chazon Iesj, ibid).

Daarom kunnen wij Rabbi Jossi Hagelili begrijpen die besliste overeenkomstig zijn eigen mening in zijn stad, omdat het grote beit din dit meningsverschil niet had opgelost en hetzelfde geldt voor alle overige meningsverschillen tussen de Risjoniem.

Een gemeenschap die alle beslissingen van een bepaalde chacham geasccepteerd had: Niet alleen dat maar ook de bewoners van een bepaalde gemeenschap waarvan hun chachamiem al de beslissingen van een bepaalde geleerde geaccepteerd hebben, moeten zich daaraan houden, zowel in strenge als in soepele zin, zelfs al woont hij niet (meer) tussen hen. De Rasjba legt uit (ibid) dat „iedere gemeenschap die in alle opzichte zich gedraagt volgens een van de grote poskiem.... accepteren die posek als hun rav."

Erets Jisraël, de plaats van Rabbi Josef Karo: Als resultaat hiervan ontstand een verrijkend probleem betreffende de gewoonten van de bewoners van Erets Jisraël. Erets Jisraël wordt beschouwd als de plaats van Rabbi Josef Karo, de auteur van de Sjoelchan Aroech en vele poskiem getuigen dat de bewoners van Jeruzalem en omgeving zijn beslissingen geaccpteerd hadden (zie Chazon Iesj, ib. ot 10, dat niet iedereen daarmee eens is). Uiteindelijk vestigden zich Asjkenaziem in Erets Jisraël en de vraag ontstond of zij zich moesten houden aan de Sjoelchan Aroech, hoewel zij de Rema van hun thuisland volgden.

In het verleden, toen Asjkenaziem in een minderheid waren tussen de Joden van Erets Jisraël, vinden wij de beslissing van Chochmat Adam (Sja'arei Tsedek, Sja'arei Misjpetei Ha'arets, hdst. 11, § 26), dat de Asjkenaziem gedwongen moeten worden zich te houden aan de Sefardische gewoonten betreffende het „voelen van sirchot", daar de bewoners van Erets Jisraël de autoriteit  van de Sjoelchan Aroech en de Rambam geaccepteerd hadden (zie ibid in Binat Adam).

In onze tijd practiseren verschillende gemeenten ieder hun individuele halachot en gewoonten zoals verklaard door de poskiem dat, sedert in 5530 (1770) Asjkenaziem naar Erets Jisraël begonnen te komen in grote getalen en daar zij leefden in aparte gemeenschappen en zich niet vermengden met de plaatselijke bevolking, hadden zij geen verplichting zich zoals hen te gedragen (Erets Chajiem aan het eind van Koentres HaKelaïm, klal 24; Responsa Minchat Jitschak VIII, 1).