Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg P.O.B. 3220 Netanya - Israël E-mail: zwigold@netvision.net.il
16 Sivan 5764 Traktaat Choelien 121-127 Nr. 65

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 261 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 120a

Het vlees dat kosjer - treifa - kosjer - treifa is

Wij houden ons nu al een tijdje bezig met de halachot van vlees met melk, het zouten, nevela en treifa, verboden voedsel dat geneutraliseerd wordt bij 60 toegestane delen, enz. Het volgende verhaal lijkt een ideale manier te zijn om in het kort een overzicht te krijgen van een paar belangrijke halachot en ter zelfde tijd te genieten van de buitengewone scherpzinnigheid van HaGaon Rav Chaim Soloveitchik van Brisk zt"l.

Sommigen zeggen dat de gebeurtenis plaatsvond toen er vlees gekookt werd voor een bruiloft van een van zijn kleinkinderen, terwijl anderen het verhaal vertellen met een introductie, waarin verteld wordt dat een door de overheid aangestelde rabbijn Rav Chaim aansprak. Ik begrijp niet waarom u een zaak zo moet onderzoeken voordat u eenhalachisch antwoord op vragen kunt geven, zei hij strijdvaardig. Ja is ja en nee is nee! Rav Chaim glimlachte en antwoordde, In dat geval, laten wij eens zien hoe u beslissen zou in het volgende geval.

Een stuk nevela is in een pan met kokend vlees gevallen. Zodra dat bekend werd, haalde de geschrokken keukenmeid er snel het stuk nevela uit en gooide het weg en nu nu weten wij niet of het klein genoeg was om met 60 geneutraliseerd te worden. Hoe zit dat met het vlees in de pan?

De pan met vlees moet kennelijk worden toegestaan: Eén van de soorten mengsels wordt soort met eigen soort genoemd (min bemino), d.w.z. het mengsel bestaat uit iets dat verboden is en iets dat is toegestaan maar zij zijn allebei van dezelfde soort, zoals bijvoorbeeld in ons geval waar een stuk kosjer en treifa vlees door elkaar vermengd kwamen. In zulk een mengsel wordt het verbodene min haTora geneutraliseerd door de meerderheid en er hoeft geen zestig tegenover te staan. Omdat het stukje nevela  dat in de pan viel duidelijk kleiner was dan de inhoud van de pan, wordt het onbelangrijk in de meerderheid. Echter Chazal bepaalde dat min bemino ook zestig delen vereist maar in ons geval, waar wij niet weten of het nevela geneutraliseerd werd door 60 delen of niet, hebben wij te maken met een twijfelgeval  over een rabbijns decreet (safeek derabbanan) en een safeek derabbanan wordt altijd soepel beoordeeld (Sjoelchan Aroech J.D. 98:2).

De rabbijn haalde verlicht adem en zei: Inderdaad, het vlees is kosjer.

Nee, nee, antwoordde Rav Chaim, het vlees is verboden. Het bloed in de nevela was er niet uitgehaald want de nevela was niet gezouten. We hebben daarom een mengsel van min b'eino mino [een soort van iets met een andere soort] het bloed van de nevela met het kosjere vlees - en daar wij niet weten of de inhoud van de pan 60 maal zoveel was als het nevela-bloed, is het vlees verboden en wij kunnen niet soepel zijn in geval van twijfel over een voorschrift van Tora (Sjoelchan Aroech, ib.).

Dat is juist, knikte de rabbi, het is treifa.

Juist? vroeg Rav Chaim, dat is het helemaal niet. Het is best mogelijk dat het vlees kosjer is, daar het bloed geabsorbeerd werd in de nevela en eruit kwam toen het gekookt werd. Gekookt bloed is alleen verboden door de rabbijnen. Dus we hebben toch weer een twijfel of een rabbinaal verbod geneutraliseerd is door 60 delen en een safeek derabbanan wordt soepel beoordeeld.

Maar nee, tenslotte is het vlees toch treifa, voegde Rav Chaim  toe aan de verbazing van de rabbijn. Gekookt bloed is inderdaad niet mid'Oraita verboden maar alleen door de rabbijnen maar dat betreft alleen het bloed van een geslacht dier,  dat verboden is wegens het verbod op bloed. We hebben hier echter het bloed van een nevela. Dat wil zeggen, we hebben het hier niet over het verbod van het eten van bloed. Het maakt deel uit van een verboden dier en koken helpt hier niet om het verbod op te heffen, dus het Tora-verbod blijft bestaan. En zolang als wij niet zeker weten of het kosjere vlees 60 maal het bloed van de nevela is, kunnen wij het niet eten.

Sommigen voegen  nog twee aspecten toe aan het verhaal, de één die het mengsel toestaat en de ander die het verbiedt. Maar hoe dan ook, er bestaat geen twijfel dat van die dag af niemand Rav Chaim meer vroeg waarom hij iets zo zorgvuldig moest onderzoeken voor dat hij antwoord gaf op een halachische vraag... (zie Kitvei Ja'akov Hachadasjiem, Kodosjiem, 3, die dit verhaal vertelt in naam van Rav Chaim en zie daar, waar hij een uitgebreide discussie weergeeft over de vraag of het bloed van een nevela ook het verbod van nevela heeft en zie Zecher Jitschak, 67 over het bloed van een treifa).

Daf 124b Allen worden onrein onder een ohel.

Het probleem van de Jodenstraat in Frankfurt

We hebben reeds een paar maal kennis gemaakt met het probleem van de onreinheid die wordt overgebracht door een dode onder een dak (Toemat meet ohel). In dit artikel zullen wij kennis maken met een belangrijk en fundamenteel meningsvershil tussen de poskiem over deze halachot.

Onreinheid door een dode: Van alle halachot betreffende reinheid en onreinheid is toemat meet bijna de enige die nog relevant is in onze tijd omdat kohaniem ook nu nog verboden zijn zich te verontreinigen aan toemat meet. Een van de problemen is toemat ohel, waarbij een kohen onrein wordt, zelfs al heeft hij de overledene niet aangeraakt.

Toemat ohel kan op drie manieren ontstaan: 1) als iemand over een dode heen buigt; 2) wanneer de dode boven iemand is; 3) wanneer de overledene en de persoon zich onder hetzelfde dak bevinden.

Om op de derde manier onrein te worden, hoeven de persoon en de dode zich niet in hetzelfde vertrek te bevinden. Wanneer er in een gebouw twee (of meer) kamers zijn met een opening daartussen, dan wordt de kohen onrein in de ene kamer terwijl de dode in een andere kamer zich bevindt. Toemat meet kan zelfs dwars door vloeren trekken, via trappenhuizen of een liftschacht, zolang die niet volledig is afgesloten.

De auteur van Pnei Jehosjoe'a (Responsa Pnei Jehosjoea 10, ook geciteerd op het eind van Pnei Jehosjoea op Ketoebot) vertelt over een verbazingwekkend probleem dat aan hem werd voorgelegd toen hij als Rabbijn werd aangesteld in Frankfurt. Wij presenteren het probleem hier in al zijn details omdat wij er veel informatie uit kunnen halen betreffende de halachot van onreinheid.

De twee huizenrijen in de Jodenstraat: In die tijd woonden de Joden in Frankfurt in twee rijen huizen in de Jodenstraat. Eens wandelde hij in die straat toen een geleerde kohen hem begroette en hem vertelde dat zij al vele jaren leden omdat zij hun huizen moesten verlaten wanneer iemand in een van de huizenrijen was overleden. Het gebeurde ook wel dat een familie van kohaniem een huwelijk voorbereidde terwijl er een kind overleed in een van de huizen. Daar zij geen andere keuze hadden, werd het huwelijksfeestmaal bijna altijd in de openlucht gehouden totdat zij de vader van het kind ervan hadden kunnen overtuigen het lichaam uit het gebouw te halen en naar de binnenplaats te brengen, waar geen dak was zodat de onreinheid zich niet over alle huizen zou kunnen verspreiden.

De pijp die alle huizen met elkaar verbond: De Pnei Jehosjoea verwonderde zich over de zaak omdat er geen zichtbare verbinding was tussen de twee rijen huizen die de onreinheid kon overbrengen en hij begreep niet waarom de leden van die gemeenschap zo streng moesten zijn. Hem werd vervolgens verteld dat er in ieder huis een opening zat waardoor een afvoerpijp liep die al de huizen met elkaar verbond en daarom moesten de kohaniem altijd snel hun huis uit wanneer in een van de rijen huizen zich een dode bevond want de onreinheid verspreidde zich via de openingen van die pijp van de ene rij naar de andere rij.

De Pnei Jehosjoea was de eerste halachische autoriteit die dit probleem bespreekt, dat ontstond door de ontwikkeling van stedelijke rioleringssystemen. Hij werd gevolgd door de auteur van Jesjoe'ot Ja'akov zt"l (O.Ch. 343), die het met hem eens was, en de Chatam Sofer zt"l (Responsa J.D. 340),die het helemaal niet met hem eens was. Hun meningsverschil betreft de verklaring van de misjna.

Iedereen weet dat iemand die in een huis verblijft waarin een Joodse dode ligt, onrein wordt. Maar wanneer het lichaam zich in een kamer bevindt met een gesloten deur, dan verplaatst de onreinheid zich niet naar de andere vertrekken. Maar wanneer er in een muur van de kamer, waar de dode licht, een gat zit ter grootte van een handbreedte (zie Rambam, Hilchot Toemat Hameet4:1), dan verspreidt de toema  zich door het hele gebouw. Met deze halacha is iedereen het eens.

Pnei Jehosjoea: Wie zich onder hetzelfde dak bevindt als een dode, wordt onrein. Pnei Jehosjoea beweerde dat om onrein te worden, men zich in hetzelfde gebouw (ohel) moet bevinden als de dode. Maar als iemand in hetzelfde gebouw is met het lichaam en er is een scheiding (chatsitsa) tussen hen, dan wordt hij niet onrein. Wanneer de scheiding wordt verwijderd wanneer een opening wordt gevormd van een handbreedte dan wordt hij opnieuw beschouwd als zich in hetzelfde gebouw te bevinden en dan wordt hij onrein. Met andere woorden, het gat verspreidt de onreinheid niet naar plaatsen waar het niet komen kan, maar wanneer de scheiding wordt opgeheven, dan verspreidt de onreinheid zich over het hele gebouw. Dus de pijp kan de onreinheid niet verspreiden naar een ander huis want wij hebben de regel dat de dode en de persoon zich onder hetzelfde dak moeten bevinden en er is geen dak die de twee rijen huizen verbindt!

De Chatam Sofer: De onreinheid verspreidt zich naar elders: Echter de Chatam Sofer beweert dat het gat de onreinheid ergens anders naartoe overbrengt, zelfs als de dode helemaal niet aanwezig is. De Chatam Sofer zegt dat er een halacha is die zegt dat onreinheid zich door iedere mogelijke opening verspreidt, totdat hij een plaats vindt zonder dak. Daarom kan volgens hem de pijp de onreinheid wel verspreiden naar de andere rij huizen, hoewel het een andere plaats is, omdat onreinheid zich ook verspreidt door openingen van een hand breedte. (Wij moeten opmerken dat er nog een andere implicatie aan dit probleem verbonden zit. Zie rabbi Sjmoeël op Bawa Batra, 16, ot 4 en Ta'am Weda'at door HaGaon Rav Y. Fishhof op Rambam, Hilchot Toemat HaMeet 14:1 en 20:3 en dat het mogelijk is om de mening van de Chatam Sofer op een andere manier te verklaren.) Voor wat betreft de halacha: de meeste Acheroniem volgen de Chatam Sofer.