Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
4 Tamoez 5764 Traktaat Bechorot 2-7 Nr. 66

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 264 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Vorige week zijn de lezers van de Daf Jomi van de Babylonische Talmoed begonnen aan een nieuw traktaat: Bechorot, dat de halachot behandelt van de eerstgeborene. Het is het enige traktaat van Seder Kedosjien waarvan de soegiot betrekking hebben ook op onze tijd. Ten gevolge van onze vele zonden werd de Tempel vernield en stopte de offerdienst, zodat de overige traktaten van deze Seder niet van toepassing meer zijn voor onze tijd. Maar de heiligheid van een eerstgeborene ontstaat automatisch, zonder dat de eigenaar het dier hoeft te wijden en de regels daarvoor gelden daardoor overal en altijd: wanneer een dier van een Jood een eerstgebo­rene baart, dan is het heilig en moet aan een kohen gegeven worden.

Daf  2a – Van Israël maar niet van anderen

De eerstgeborene in onze tijd

De Tora zegt dat de eerstgeborene van een rein dier een gewijd eerstgeborene is en gegeven moet worden aan een kohen, die het offert op het altaar. Zijn kedoesja komt vanzelf op het dier en is niet afhankelijk van de wijding  door de eigenaar, hoewel die een mitswa heeft om dat mondeling te doen. Wie het slacht wordt ge­straft met  kareet  [uitroeiing] net zoals iemand die een offerdier buiten de Tempel slacht en het is verboden om er een gebrek [moem] op aan te brengen, om daarmee te vermijden dat het geofferd kan worden. Wan­neer een eerstgeborene geboren wordt met een gebrek of wanneer het na zijn geboorte een gebrek kreeg, kan het niet geofferd worden maar het moet toch aan een kohen gegeven worden en het is verboden er werk mee te verrichten of zijn wol af te scheren.

In onze tijd is het een mitswa om de heiligheid van een eerstgeborene te voorkomen: Toen de Tempel nog bestond was het verkeerd om de heiligheid van een eerstgeborene, dat op het punt staat geboren te worden, tegen te houden (zie 3b, Tosafot beg.w. d’ka). In onze tijd echter, nu de Tempel verwoest is en er geen mogelijkheid is om offers te brengen, met inbegrip van de eerstgeborene, hebben de mensen de gewoonte aangenomen om een deel van het zwangere moederdier, dat voor het eerst een jong krijgt, te verkopen aan een niet-Jood. Dan heeft de eerstgebo-rene geen heiligheid, zoals de Misjna verklaart:

„Wie een foetus koopt van een ezel van een niet-jood, of wanneer een jood een partnerschap aangaat met een niet-Jood [dus de Jood en de niet-Jood zijn samen de eigenaar van de moeder-ezel], dan is het [eerstgeboren ezel-jong] vrijgesteld van de wet op de eerst­geborenen.”

De Sjoelchan Aroech definieert dit zelfs als een mitswa (J.D. 320): „In deze tijd is het een mitswa om partners te worden met een niet-Jood voordat het geboren wordt om de heiligheid van de eerstgeborene uit te sluiten en hoewel men daarmee de heiligheid voorkomt, is dit te prefereren zodat men niet onopzettelijk tot een overtreding komt door er profijt van te hebben door het te scheren of ermee te werken.”

De praktijk voor een geheiligd eerstgeborene in onze tijd: Wanneer niettemin een kosjer dier, dat uitslui­tend het eigendom is van een Jood, voor het eerst een manlijk jong baart, dan is er geen andere keuze dan om het te voeden  en ervoor te zorgen, ondanks dat men er niets aan heeft, want men mag er niet mee werken noch het scheren, totdat het vanzelf een gebrek krijgt waardoor het ongeschikt wordt om te offeren. In een der­gelijke situatie kregen de poskiem te maken met een probleem. Een kohen mag een gift voor de kehoena niet weigeren, want dat wordt beschouwd als een minachting van de giften. Zolang als wij het hebben over het aannemen van giften die de kohen kan gebruiken, is er geen probleem. Maar wat moet een kohen in onze tijd doen wanneer hem een eerstgeboren dier wordt geschonken, dat geschikt is om te worden geofferd? Hij draagt er al de kosten voor maar mag er niets mee doen. Daarom werd als halacha ingesteld (Sjoelchan Aroech J.D. 306:4) dat wanneer de Jisraël nalatig was en niet een deel van het moederdier verkocht heeft aan een niet-Jood, de kohen de eerstgeborene niet hoeft te accepteren.

Een andere halacha die werd ingesteld voor het geval van een eerstgeborene wiens heiligheid niet werd verhinderd, maar niet door een fout van de eigenaar: de Jisraël mag het dier niet aan een kohen geven om hem te ergeren of lastig te vallen…

Waarom wij de gewoonte hebben om de luchtpijp te verkopen: Het partnerschap in het dier ontstaat door een lichaamsdeel te verkopen en dat zal bijvoorkeur een lichaamsdeel zijn, waarvan het leven van het dier afhangt (Taz en Sjach, J.D. 320, n. 3). In onze tijd zijn de mensen gewoon om de luchtpijp en de slokdarm te verkopen, waarvan het leven van het dier afhangt en wat niet veel kost, zodat de verkoper vrijwillig bereid is het te verkopen, want als hij een long of een ander belangrijk orgaan van het dier zou moeten verkopen, zou hij wellicht niet met de verkoop instemmen. Een Rav met ervaring in deze aangelegen­heid, vertelde ons van een zekere Rav van een mosjav, die eiste dat de long verkocht werd, zoals voorheen de gewoonte was en toen uiteindelijk de niet-Jood zijn deel kwam opeisen, joeg de eigenaar van het dier hem weg…

In Israël tekent een boer eenmaal per jaar een machtiging aan het Rabbanoet om alle voor het eerst barende dieren aan een niet-Jood te verkopen. Slachthuizen accepteren geen dieren waarvoor dit niet is getekend.