Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
19 Tamoez 5764 Traktaat Bechorot 15-21 Nr. 68

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 266 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Bechorot Daf 17a – Rabbi Acha bar Ja’akov heeft gezegd: Allebei zijn zij het ermee eens dat men slaag krijgt voor zijn wol

De speciale avnet in de Tempel

Werd er in de Tempel een unieke avnet bewaard, die geweven was van bijzondere wol voor de dienst van een enkel offer? Minchat Chinoech suggereert deze interssante mogelijkheid (mitswa 508, ot 6).

De wol van een schaap, geboren uit een geit: Onze Gemara behandelt de halacha voor een bechora van een geit, die geboren werd uit een schaap en een schaap, geboren uit een geit. Onder ander wordt besproken hoe wij de wol van een schaap, geboren uit een geit moeten beoordelen, als het niet op zijn moeder lijkt (zie Minchat Chinoech, mitswa 508, ot 6). Dit probleem heeft te maken met sja’atnez – is deze wol verboden te dragen in een kledingstuk waar linnen in zit? En ook met tsietsiet, en met de onreinheid van nega’iem (tsara’at) en het eerste scheerwol (reisjiet hagez). In al deze gevallen heeft Tora het over schapenwol en de vraag is dus of de wol van zo’n dier als schapenwol beschouwd moet worden. De Gemara antwoordt dat er een speciale derasj is voor elk van deze onderwerpen, waarvan wij leren dat wol die veranderd is, niet is inbegrepen in de wol die Tora eist voor elk van de voornoemde halachot.

Tora beval om de avnet – gekleurde gordel – die de kohaniem droegen, te weven van wol en linnen (en zo is de halacha; zie Joma 12b en Rambam, Hilchot Klei HaMikdasj 8:11). Onze Gemara citeert geen enkele derasja of enige andere bron, waaruit blijkt dat de kleren van de kohaniem geen wol nodig hebben die niet veranderd is, zoals van een schaap, dat geboren werd uit een geit. Minchat Chinoech conclu­deert daarom dat kleren van een kohen, die gemaakt zijn van de wol van een schaap dat geboren werd uit een geit, kosjer zijn voor de Tempeldienst. Hij steunt zijn mening zelfs op het feit dat Rambam in Hilchot Klei HaMikdasj niet zegt dat zulke wol ongeschikt is voor de geweven priesterkleding. Hieruit leren wij dus dat de wol van een schaap, dat geboren werd uit een geit, niet beschouwd wordt als sja’atnez maar wel geschikt is om te worden gebruikt als wol voor de kleren van de kohaniem.

Daarom probeert hij een groot probleem op te lossen dat door Sjaägat Arjee (29) gesteld werd. Eén van de offers  die in de Tempel gebracht werden, is het chatat van een vogel, dat gebracht wordt als er twijfel bestaat of iemand gezondigd heeft en dus een chatat moet brengen. Sjaägat Arjee vraagt hoe een kohen  dat mag offeren. Het kan zijn dat de eigenaar van het offerdier helemaal niet gezondigd heeft en dus geen chatat hoeft te brengen en dan is de vogel geen offer. Het blijkt dan dat de kohen een wereldse handeling heeft verricht, terwijl hij kleren droeg die gemaakt waren van wol en linnen en volgens de Rambam (Hilchot Klei HaMikdasj 8:12 en zie de Raävad, ibid, die het er niet mee eens is), mag de kohen dit sja’atnez alleen dragen bij de dienst in de Tempel maar niet bij wereldse handelingen.

Minchat Chinoech zegt dat we dit probleem kunnen oplossen, als er een speciale avnet was in de Tempel, die gemaakt was van de wol van een schaap, dat geboren was uit een geit. Deze wol is niet verboden als sja’atnez, maar het is geschikt om er de kleren van de kohaniem mee te weven en de kohen die een twijfelachtig vogel chatat offerde, droeg dat avnet.

Bechorot 19 – een Holocaust monument

Duizenden leren deze week Becho­rot daf 19. In de dagen van de Holocaust werden alle Jesjivot en Batei Midrasj gesloten. Echter Rav Avremele Weinberg ver­ander­de niets aan zijn dagelijkse schema en dag en nacht leerde hij door en gaf hij les aan zijn stu­den­ten. Iede­re dag verzamelden zich een groep­je jongelui in zijn huis om naar zijn sji’oeriem te luis­teren. De heilige atmosfeer deed hen de naderende Nazi’s vergeten. Toen de situatie in het Warsaw Getto onhoud-baar werd, kwamen de moordenaars en haalden een voor een de bewoners weg, en zonden hen naar de kam­pen.

Wie een werkvergunning had voor een van de fa­brie­ken, had „recht om te leven”. De Rav Avremele’s studen-ten wil­den hun Gemara-stu­die niet opgeven. Zij hadden geen werkver-gunning en zochten er ook niet naar. Zij wilden hun Tora niet in de steek laten. Volgens de Duit­se wetten waren zij dus „illegaal”.

De broer van Rav Avremele was door de Duitsers aangewezen als directeur van een Duitse fabriek. Daar kon Rav Avremele een werk­vergunning krij-gen, maar dat wei­ger­de hij. Hij wilde zijn studenten niet in de steek laten.

Zo zaten ze en leerden, tot op een dag de Nazi´s kwamen en hen meenamen, naar Treblinka, zonder hen zelfs de tijd te geven om hun Gemara, die open lag op Bechorot Daf 19, dicht te slaan.

(Uit: Ele Ezkera, een verzameling van getuigenissen over de massamoorden in 1940-45, deel II, New York, 1949).

(Echter, de Minchat Chinoech stelt zichzelf een vraag: wanneer de wol van een schaap, geboren uit een geit, geschikt is voor de kleren van een kohen, hoe kan het dan dat de kohaniem kleren mogen dragen van wol die verboden is in sja’atnez? Een positieve mitswa duwt een negatieve mitswa alleen opzij als er geen mogelijkheid bestaat om ze beide in acht te nemen, maar in dit geval kunnen de kohaniem wol gebruiken van een schaap dat geboren is uit een geit, dat niet verboden is voor sja’atnez en geschikt is voor de kleren van de kohaniem. Minchat Chinoech antwoordt dat er twee antwoorden voor zijn. Het tweede antwoord zegt dat als zij inderdaad die wol van een schaap, geboren uit een geit hebben, dat zij dan daar hun kleren van moeten maken. Maar zo’n dier is zeer zeldzaam en zij hebben zulke wol niet en dus moeten zij hun kleren weven van gewone wol. Maar het twijfelachtige vogel-chatat-offer mag alleen geofferd worden met zo een avnet.)

Minchat Chinoech gaat verder en bespreekt het probleem vanuit verschillende standpunten, terwijl de auteur van de Misjna Beroera zts”l er geen twijfel over had en volgens hem is het duidelijk dat wol van een schaap, dat geboren werd uit een geit, ongeschikt is voor de kleren van de kohaniem (Bioer Halacha 9:1, beg.w. Recheliem).

 

Gemara Daf 19b – Als iemand een dier koopt van een niet-Jood en hij weet niet of zij al een eerstgeboren gebaard heeft (zodat haar volgende jong geen bechor is) of dat zij nog niet voor het eerst gejongd heeft (zodat het jong dat zij voor de Jood baart een bechor is dat aan de kohen gegeven moet worden), daarvan zegt Rabbi Jisjmaël:  … wanneer het een koe of een ezel is en zij jongt in haar eerste drie levensjaren (d.w.z. zij was door de Jood gekocht voordat zij drie jaar oud was en heeft gejongd voor de Jood), dan behoort dat jong beslist toe aan de kohen.

Een verandering in de halacha door verandering van de natuur

De Gemara zegt dat een methode om na te gaan of een kalf of een ezelsveulen een bechor is, is door vast te stellen of de moeder in haar eerste drie levensjaren is, want, zo zegt Rabbi Jismaël, een koe en een ezel kunnen voor hun derde levenjaar niet jongen, dus als zij nu jongt is dat zeker een bechor.

Koeien kalven eerder: Een boer zal zich zeker afvragen hoe deze informatie strookt met zijn uitgesproken kennis dat koeien wel degelijk voor hun derde levensjaar kalven, zelfs ruim voor die tijd. Het blijkt dat niet alleen moderne koeien zo vlot zijn, maar ook die van 800 jaar geleden beken reeds zo voorlijk te zijn, want de Tosafot hadden het al moeilijk met dit probleem (Avoda Zara 24b, beg.w. Para): „En men moet bedenken dat het dagelijks gebeurt dat een twee jaar oude koe jongen werpt.” Het antwoord van Tosafot hierop: „Men zou kunnen zeggen dat de leeftijd nu kennelijk veranderd is van hoe het vroeger was.” Met andere woorden, de natuur is veranderd.

Dit is niet de enige verandering die wij kunnen waarnemen. De Gemara stelt vast (Nida 27a) dat een geboorte in de negende maand alleen kan plaatsvinden aan het eind van de maand maar niet in het midden van de maand. Tasjbets merkt op (Responsa II, 101): „Maar ik heb gezien dat deze zaak in onze generatie veranderd is.” Hij vindt steun in de voornoemde verklaring van Tosafot, „dat vele dingen in de natuur veranderd zijn met de verandering van de generaties.” En inderdaad beslist de Rema (E.H. 156:4) dat in onze tijd een kind dat in het midden van de negende maand van de zwangerschap geboren wordt, beschouwd wordt alsof het zal leven (ben kajama) „omdat de zaak nu veranderd is en zo is het in diverse situaties het geval.”

Het wassen van een kind op de derde dag na de geboorte: De Sjoelchan Aroech (O.Ch. 331:9) schrijft zo iets ook betreffende het wassen van een kind op de derde dag na de geboorte. De misjna (Sjabbat 134b) zegt: „Men mag een kind op de derde dag, wanneer die op Sjabbat valt, wassen.” Dat wil zeggen: men mag een vuur aansteken op Sjabbat om water op te warmen om daar de baby op de derde dag na de geboorte  mee te wassen, want als men dat niet doet, zou het in levensgevaar kunnen komen. Maar de Sjoelchan Aroech schrijft: „In Talmoedische tijd was het gevaarlijk als men het kind niet vóór de besnijdenis, na de besnijdenis en op de derde dag waste… maar nu zijn de mensen dat helemaal niet meer gewend om te doen” want „het is bekend dat er geen gevaar meer bestaat” (Beit Joseef, ibid).

Zout eten na een maaltijd: Er zijn nog vele andere voorbeelden. De Gemara zegt (Berachot 40a): „Na iedere maaltijd moet je zout eten” en zo werd de halacha beslist (Sjoelchan Aroech O.Ch. 179:6): „Wanneer iemand enig voedsel gegeten heeft, maar geen zout… dan moet hij oppassen…voor askarah (een levensbedreigende keel infectie).” Maar de Magen Awraham wijst erop (noot 8) dat de natuur in onze tijd veranderd is en dat er geen reden tot bezorgdheid is (zie Igrot Moshe, Ch.M. II, 73:ot 4).

Een koe die nog niet gejongd heeft, geeft geen melk: We besluiten met een voorbeeld van het tegenoverge-stelde, waar wij zouden zeggen dat de natuur zeker veranderd is, maar waar de auteur van Troemat HaDesjen met zijn Tora-wijsheid het tegenovergestelde begreep. Onze Gemara noemt een ander teken waaraan te herkennen is of een dier reeds voor de eerste maal gejongd heeft: de meeste dieren geven geen melk voordat zij voor de eerste keer jongen hebben gebaard. Er zijn verschillende meningen in de Gemara over de vraag of wij aandacht moeten besteden voor die minderheid van de gevallen waar dieren wel melk geven voordat zij gebaard hebben. Ook in de halacha is er een verschil van mening en sommige Risjoniem (zie Tosafot, beg.w. Chalav; Rosj, hfdst. 3, § 2) beslissen overeenkomstig de strenge mening dat men rekening moet houden met de minderheid en daarom, zelfs al geeft een dier volop melk, mag men hier niet op vertrouwen  dat dit een bewijs is dat het al eens gejongd heeft. Misschien hoort het tot de minderheid die melk geeft voordat het gejongd heeft.

Het onderzoek door de schrijver van Troemat HaDesjen: In zijn Responsa (I:271) schrijft hij: „Ik heb vele Joden en niet-Joden gevraagd, mannen en vrouwen, of zij ooit een koe hadden gezien die melk gaf, voordat zij voor de eerste keer gekalfd had en niemand van hen had dat ooit gezien.” Hij concludeert daarom: „We kunnen zeggen dat hun dieren anders zijn dan de onze.” Hij had ogenschijnlijk zijn onderzoek moeten besluiten met de conclusie dat kennelijk de natuur veranderd is. Maar hij schrijft: „Hij lijkt in het geheel niet juist om toe te geven aan deze redenering en te vertrouwen op ons onderzoek, dat tegenstrijdig is aan dat wat de Talmoed als juist accepteert en te zeggen dat de natuur in onze tijd veranderd is.”

Niet alles dat men niet waarneemt, bestaat niet: Een bewezen verandering in de natuur is niet hetzelfde als een onbewezen verandering. Wanneer wij een tweejarige koe zien kalven, dan is de natuur kennelijk veranderd. Wanneer wij niet zien dat koeien melk geven voordat zij kalven bewijst dat niets: misschien bestaan zulke koeien wel maar zien wij ze niet.