Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
5764 Traktaat Bechorot 35 - 40 Nr. 71

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

ãó ìä\á   îéîø àîø

De ervaren mohel of de jonge broer: wie komt eerst?

In dit artikel hebben degenen die onze Gemara leren een speciale gelegenheid om te zien hoe de poskiem verschillende halachot beslissen door soegiot van de Talmoed te leren die ogenschijnlijk niets te maken hebben met het onderwerp dat aan hen voorgelegd wordt.

De Chacham Zwi had grote problemen met onze gemara en kwam daardoor tot een conclusie met verreikende gevolgen.

Onze soegia gaat over gebreken aan een gaaf geboren eerstgeboren dier en de verschillende mogelijkheden om te veronderstellen dat iemand, die ervan kon profiteren, met opzet een diskwalificerende verwonding daaraan zou aanbren­gen. Een van de gevallen die besproken wordt is als een ongeletterde kohen als schaapherder werkt voor het dier waaraan het gebrek ontdekt wordt. De Gemara zegt dat wij hem er niet van hoeven te verdenken dat hij de verwonding zelf heeft veroorzaakt, omdat hij niet zal hopen het dier te zullen krijgen, omdat hij weet dat de eigenaar er de voorkeur aan zal geven om het aan een geleerde kohen te geven. (Als hij hoopt het wel te krijgen, dat ontstaat de verdenking dat hij het gebrek veroorzaakt heeft, zodat, als hij het krijgt, hij het kan slachten overal en wanneer hij wil, zonder zich de moeite te hoeven getroosten om er helemaal mee naar het Beit Hamikdasj te gaan.)

Een welbekende regel betreffende giften aan de kohaniem zegt dat als iemand een kohen „geadopteerd heeft” om aan hem zijn giften te schenken, die kohen een makirei kehoena wordt en de eigenaar mag dan zijn giften niet aan een andere kohen geven (zie Bawa Batra 123b). Daarom geldt dat als de kohen-schaap­herder de makirei kehoena van de eigenaar is, hij zeker hoopt de bechor te zullen krijgen en dus hoort hij verdacht te zijn het gebrek te hebben veroor­zaakt. Waarom voegt de Gemara er dan geen voorwaarde aan toe die de verdenking van de kohen-schaapherder afneemt, dat hij geen makirei kehoena is? Het kan alleen maar zijn, zo concludeert de Chacham Zwi (Responsa 70) dat het is toe­gestaan om makirei kehoena te negeren voor iemand die een talmied chacham is en daarom is de schaapherder er helemaal niet zo zeker van dat hem het eerstgeboren dier gegeven zal worden, ondanks dat hij die voorheen wel kreeg (zie ibid betreffende Tosafot, beg.w. meimar).

Wij gaan nu verder met het geval dat aan Chacham Zwi werd voorgelegd.

Een bepaald persoon was gewend dat al zijn zonen besneden werden door een bepaalde mohel. Hij stierf en na zijn dood kreeg zijn vrouw nog een baby, een zoon. Toen de brit naderde, wilde de mohel die al de vorige zonen van de vrouw besneden had ook dit jonge weesje besnijden. Echter een grote broer van de baby verklaarde dat hij zijn broertje zelf wilde besnijden. De mohel beweerde dat aangezien de vader  hem al zijn zonen gegeven had om te besnijden, hem de mitswa niet ontnomen mocht worden, zoals een makirei kehoena, dat als de mensen gewend waren hun giften aan een bepaalde kohen te geven, zij daar­mee door moesten gaan. Echter, de zoon beweerde dat dit de persoonlijke ver­plich­ting was van zijn vader en nu die niet meer aanwezig was, had die ver­plichting zijn betekenis verloren. De Chacham Zwi was het eens met de zoon en daar gaf hij een fijne halachische verklaring voor: de halacha van makirei kehoena is gebaseerd op het vers: „De overlevenden van Israël zullen geen onrechtvaardigheden begaan en zullen geen leugens vertellen” (Tsefanja 3:13). Iemand moet zijn uitspraken niet veranderen en zoals hij gewoon is om zijn giften aan een bepaalde kohen te geven, dan is dat als een belofte die hij moet houden (zie Tosafot, Bawa Batra, ibid,  volgens de Gemara in Bawa Metsia 49a). Daarom moet de vader, die de belofte gedaan heeft, zijn belofte houden. Maar anderen, die niets beloofd hebben, hoeven zich daaraan niet te houden.

De Chacham Zwi voegt daaraan toe dat er nog een ander idee is dat de broer steunt. Iemand die geld beschikbaar heeft voor liefdadigheid en die gecon­fronteerd wordt met twee armen, de één een familielid en de ander een talmied chacham, aan wie moet hij de voorkeur geven?

Rambam meent (Hilchot Matnot ‘Aniïem 7:13): „Een familielid heeft voorrang boven ieder ander.” De Chacham Zwi zegt dat Rambam bedoelde dat een familielid ook voorrang heeft boven een talmied chacham. Laten we de feiten eens op een rijtje zetten. Indien, zoals wij leren, het is toegestaan om makirei kehoena te negeren ten gunste van een talmied chacham, dan geldt zeker het­zelfde voor een familielid, dat voorrang geniet boven een talmied chacham. Als in geval van liefdadigheid een familielid voorrang heeft boven iedereen, zo concludeert Chacham Zwi, dan geldt dat zeker voor mitswot, want er is geen grotere liefdadigheid dan iemand een mitswa te gunnen en dus moet men daar ook de voorkeur geven aan familie… Het blijkt dus dat zelfs al had de vader nog geleefd, dan had hij zijn zoon als mohel mogen aanwijzen en hij zou dan niet beschouwd mogen worden als iemand die zijn belofte niet houdt en onrecht doet (zie Sjoelchan Aroech J.D. 264:1 en Taz n. 5).

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 269 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

ãó ìæ\à   äùåçè àú äáëåø åðåãò ùìà äøàäå

Een verkeerde aankoop maar de koper had er toch wat aan

Een interessant geval werd onlangs gehoord in een zeker beit din. De eiser en de verdediger hadden tegengestelde standpunten die het gevolg bleken te zijn van een verschil van mening waarover de Risjoniem en de Acheroniem reeds dis­cussiëerden.

Geef je tatoeage terug en ik geef je je geld terug: Iemand kreeg in een door Joden beheerde schoonheidskliniek een behandeling die niet was terug te draai­en en het bleek dat die behandeling verboden was, zoiets als het verbod van ta­toeage. Noch de klant, noch de schoonheidsspecialist waren op de hoogte van het verbod maar een paar dagen na de behandeling hoorde de cliënt over het verbod en eiste zijn geld terug, waarop de schoonheidsspecialist reageerde met: „Geef mij terug wat je gekregen hebt en dan geef ik je je geld terug.” Aan de basis van een dergelijk din Tora staat de claim dat zolang als de koper profijt heeft van het gekochte artikel, kan hij niet klagen.

Wie heeft gelijk en wat besliste het beit din? Laat ons eerst beginnen met onze soegia.

Wanneer iemand iets koopt, weten hij en de verkoper dat als blijkt dat er zich een gebrek aan bevindt, de koop ongeldig is. De koper brengt het gekochte voor­werp terug naar de verkoper en die geeft het geld terug. Aan de andere kant, als de koper het voorwerp gebruikt heeft en er profijt van gehad heeft, moet hij de waarde van zijn gebruik aftrekken van het te restituëren bedrag, net als iemand die een vrucht gegeten heeft omdat hij dacht dat de vrucht van hem was: hij moet de eigenaar de waarde betalen van het profijt dat hij ervan gehad heeft (zelfs als dit geen diefstal betreft; zie Ketoebot 32b en Tosafot en Bawa Kama 112a).

De verkoop van vlees van een eerstgeboren dier dat niet gecontroleerd was op gebreken:  Onze misjna behandelt het geval van iemand die ongehoor­zaam was aan de Geleerden en die het vlees van een eerstgeboren dier ver­kocht, zonder dat hij dat eerst door een expert had laten onderzoeken op gebre­ken. Het eerstgeboren dier wordt als een twijfelgeval beschouwd, daar wij niet weten of wij de eigenaar mogen geloven als hij zegt dat het dier een [voor het altaar diskwalificerend] gebrek heeft en dan moet zijn vlees verbrand worden. De misjna zegt dat de verkoper het geld aan de koper moet terugbetalen, of de koper het vlees gegeten heeft of niet.

Dit geval bestaat uit twee delen. Iedereen is het er over eens dat de verkoper de koper moet terugbetalen voor vlees dat hij nog niet gegeten heeft, daar hij het moet verbranden en er dus geen enkel nut van heeft. Dit verschilt niet van iede­re andere deal dat ongeldig wordt wanneer een gekocht voorwerp onbruikbaar blijkt te zijn. Maar hoe zit het met het vlees dat de koper reeds heeft opgegeten? Waarom moet de verkoper hem daarvoor de volle prijs terug betalen? Hij kan toch zeker de waarde van het nut dat de koper van het vlees heeft gehad, af­trek­ken?

Er zijn twee verschillende benaderingen van dit probleem.

Een boete als een Rabbijns decreet: Rasji zegt (beg.w. Wejachazir lahem hadamiem) dat Chazal hem verplicht heeft het geld terug te betalen als een boete. Met an­de­re woorden, Chazal legden aan de verkoper een boete op om de volle prijs terug te betalen, zonder dat hij het recht heeft om het nut dat de koper ervan heeft gehad te mogen aftrekken, als een afschrikwekkende maatregel wegens zijn minachting voor Tora.

Voordeel hebben van iets dat verboden is, is geen voordeel: Aan de andere kant geeft de Sjema’ (J.D. 119, n. 25) een andere reden. Volgens hem kunnen wij niet zeggen dat de koper profijt heeft gehad van het vlees, want hij is een oprechte Jood en hij zou meer plezier gehad hebben als hij dit verboden vlees niet gegeten had… Zijn profijt is helemaal geen profijt en daarom wordt hij niet be­schouwd als iemand die het artikel gebruikt heeft en er is helemaal geen noodzaak om de terugbetaling door de verkoper als een boete op te vatten.

Een onopzettelijke verkoop van verboden artikelen: De halachische gevol­gen van de twee meningen komt tot uidrukking als iemand onbewust iets ver­koopt dat verboden is. In dat geval is er geen reden om de verkoper te straffen en het geval hoeft dan alleen beschouwd te worden vanuit een finan­ciëel stand­punt. Volgens de eerste mening heeft degene die het gekochte voedsel gegeten heeft of het voorwerp gebruikt heeft er volledig profijt van gehad en die waarde moet dus worden afgetrokken van de restitutie (Sjach J.D. 119, n. 25). Maar volgens de Sjema’ had de koper er helemaal geen profijt van en hij mag zijn geld terug­eisen.

Laat ons terugkeren tot het geval van de „tatoeage”.

Hier komen wij het verschil tegen tussen de twee hiervoor genoemde meningen. Volgens de eerste mening legden Chazal de verkoper een boete op omdat hij met opzet het vlees van een eerstgeborene verkocht had, zonder dat eerst door een chacham te laten controleren. In ons geval deed schoonheidsspecialist niet met opzet iets dat verboden is, hij dacht dat het mocht en Chazal leggen alleen een boete op aan wie met opzet een overtreding begaat. Aan de andere kant maakt het volgens de Sjema’ geen verschil uit of de verkoper met opzet een overtreding beging of niet: de eiser had geen plezier van de verboden tatoeage, het was een verkeerde aankoop en het geld moet worden terugbetaald.

ãó ìç\à   ëì ùàéï ìå úåê áëìé çøñ

De lucht in een aardewerken vat

Tussen de onderwerpen die wij deze week in de Daj HaJomi leren, vinden wij ook de speciale halacha van aardewerk, dat niet op dezelfde manier onrein wordt als voorwerpen van ander materiaal. Ieder voorwerp dat wordt aangeraakt door een onrein voorwerp wordt onrein, maar aardewerk is iets „speciaals”. Als een onrein voorwerp de buitenkant ervan aanraakt, heeft dat er geen effect op, maar als een onrein voorwerp een aardewerken vat, pot of pan binnengaat, dan wordt dat vat, enz. onrein, zelfs al raakt het onreine voorwerp het niet aan!

In dit artikel zullen wij aandacht besteden aan een chakira (onderzoek) naar de essentie van de halacha van onreinheid voor zover het aardewerk betreft.

De onreinheid van aardewerk kan op twee manieren gedefiniëerd worden.

Aanraking van lucht: De eerste verklaring: Het is mogelijk dat een onrein voorwerp, dat binnen de ruimte van een aardewerken komt, beschouwd wordt alsof het de lucht in het vat aanraakt, en het vat wordt onrein met de onreinheid van „aanraking” (maga), een van de bekende manieren waarop onreinheid wordt overgebracht. Niettemin, hoewel aardewerk onrein wordt door maga¸ heeft Hij in Zijn wijsheid bepaald dat het alleen onrein wordt door aanraking van zijn binnenruimte (avier).

De onreinheid van toch (binnenkant): Een andere verklaring is dat aardewerk in het geheel niet onrein wordt door aanraking, maar dat wij hier een nieuwe vorm gevonden hebben waarop iets onrein kan worden, namelijk toemat toch, dat is wanneer een onrein voorwerp binnen de luchtruimte komt van een aardewerken voorwerp, waardoor het onrein wordt.

Het volgende praktische verschil maakt het verschil in beide definities duidelij­ker: Wat gebeurt er met een aardewerken voorwerp, als een onrein voorwerp alleen maar  langs de avier gestreken heeft. Dat wil zeggen, het onreine voorwerp heeft de avier van het vat alleen maar aangeraakt maar is er niet in binnenge­drongen (bijvoorbeeld, zoals iemand die op de grond staat, de grond wel aan­raakt maar niet binnengaat). Als de onreinheid van aardewerk  toemat maga is, dan wordt het onrein als het voorwerp de avier aangeraakt heeft. Echter, wanneer het aardewerk alleen onrein wordt door tomat toch, dan wordt het in dit geval niet onrein, want het onreine voorwerp is het luchtruim binnen het vat niet binnengedrongen en dus wordt het niet onrein (zie Chidoesjei Chaim HaLevi op Rambam, Hilchot Metamei Misjkav Oemosjav, en Chazon Iesj, Keiliem § 11, ot 12).