Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
17 Av 5764 Traktaat Bechorot 40 - 46 Nr. 72

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 269 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

door Rabbi Mendel Weinbach,

Ohr Somayach

ãó î\á  áèìä ùìù

Wat is een schaap?

Onze misjna noemt dieren op die organen missen en geeft aan welk van die defecten een dier ongeschikt maakt om te worden geofferd. Onder andere noemt de misjna een schaap dat geen staart heeft, maar waar slechts drie wervels van zijn overgebleven. In dat geval wordt het als gebrekkig beschouwd, maar als het vier wervels over heeft, is het niet gebrekkig.

Een merino heeft geen vette staart: Tegenwoordig zijn er vele soorten schapen en wat belangrijk is voor ons onderwerp, is dat sommige soorten geen vette staart (alja) hebben! Het schaap waar Tora het over heeft, en dat op het altaar geofferd wordt, heeft wel een alja: „Als  hij een schaap offert… en hij zal van het vredes­of­fer brengen… de hele alja (Wajjikra 3:7-9).” Een van de meest voorkomende soorten vandaag de dag is de merino, oorspronkelijk afkomstig uit Spanje. Ongeveer 20% van de schapen in de hele wereld behoort tot die soort en er is een grote vraag naar, vanwege de fijne kwaliteit van zijn wol. Het heeft geen alja. Is dit het schaap dat in Tora genoemd wordt? Mogen wij tsietsiet van die wol weven? Kunnen wij daarmee de mistwa van de eerste schering vervullen? Geldt daar het verbod van sja’atnez voor en kan het dier geofferd worden op het altaar?

Een verandering van milieu verandert nog niet de soort: HaGaon Rabbi Moshe Feinstein zts”l (Responsa Igrot Moshe O.Ch. IV, 123) bewijst uit de Gemara (in Bawa Kama 55a) dat veranderingen die in dieren zijn opgetreden ten gevolge van veranderingen in omgeving en klimaat, hun identiteit niet verandert. HaGaon Rabbijn Shmuel HaLevi Wosner versterkte zijn woorden  (Responsa Sjewet HaLevi VIII:236) met te zeggen dat de Tora slechts drie soorten zuivere huisdieren noemt – schapen, geiten en rundvee – en daar de moderne schapen zuiver zijn en de meeste van hun kenmerken op die van een schaap lijken, kunnen zij als schapen beschouwd worden in ieder opzicht, ondanks dat zij veranderd zijn ten gevolge van milieu-wijzigingen en dergelijke.

Schapen die groter dan kamelen zijn: Hij voegt daaraan toe dat Tosafot in Menachot schrijft (87a, beg.w. Sjegovhan) dat de schapen die als tamied geofferd wer­den, groter waren dan kamelen! Hieraan zien wij dat zelfs schapen die ver­schillen van die welke wij nu kennen, in ieder opzicht als schaap beschouwd worden.

Hij beweert echter dat wij moeten onderzoeken of een schaap zonder alja  ge­schikt is voor het altaar, omdat onze misjna zegt dat een schaap zonder staart gebrekkig is. Aan de andere kant is het mogelijk dat als een schaap totaal ver­schilt van de hele soort, omdat het geen alja heeft, het als gebrekkig beschouwd wordt, maar als de natuur van het dier veranderd is en zij geen van allen meer een alja hebben, dan is het misschien niet gebrekkig.

Hij concludeert zijn responsum met een citaat van een heel mooie studie door de Malbim. Soms noemt Tora een schaap een keves en soms een kesev. De Malbim zegt dat het een keves genoemd wordt omdat zijn wol gewassen  (koves) kan worden en gebruikt kan worden voor kleding. De naam kesev is afgeleid van de kracht van zijn lichaam: kes, ‘av, zoals in „je bent vet geworden (‘avisa, kasisa) en dat komt door de alja, die groot en vet is. De Malbim zegt dat wij moeten opmer­ken dat het alleen kesev genoemd wordt als Tora zegt dat de alja geofferd moet worden. De auteur van Sjewet HaLevi zegt dat wij hieruit leren dat de naam keves ook past bij een schaap zonder alja, maar een kesev is een schaap met een alja. Daarom geldt voor al onze halachot, behalve die voor het offeren, dat een schaap zonder alja een schaap is in ieder opzicht.

Uit: Thoughts and Insights on the Daily Daf van Kollel Iyun Hadaf of Yerushalayim

Bechorot 41a

Het eten van vlees van een ziek dier

VRAAG: De Misjna bespreekt de soorten gebreken en onvolkomenheden die een korban ongeschikt maken om te worden geslacht in het Beit HaMikdasj en buiten het Beit HaMikdasj. De Misjna zegt dat een oud (zakeen) of ziek (cholee) dier niet geslacht mag worden. Uit de misjna blijkt duidelijk dat een dier dat geen korban is, wel geslacht en gegeten mag worden, zelfs al is het oud en ziek.

Echter, de Misjna in Choelien (37a) bespreekt de sjechita van een dier dat mesoekennet is, dat is een dier dat ten gevolge van zijn ziekte dicht bij de dood staat (zoals de Aroech schrijft: „Cholee hakarov lemita”). De Gemara daar bespreekt de bron op grond waarvan het is toegestaan om een mesoekennet te eten lechatchila. Het is duidelijk dat men het vlees van een mesoekennet mag eten wanneer het dier stuiptrekt (pirchoet) na de sjechita, maar het is een goede gewoonte om zulk vlees te vermijden. Dit schijnt in tegenspraak te zijn met onze Misjna hier, die lijkt te impliceren dat een ziek dier geslacht en gegeten mag worden, zelfs als er geen pirchoet is na de sjechita. Wat is het verschil tussen een cholee en een mesoekennet?

ANTWOORD: De Chatam Sofer wijst er in Choelien op dat de Gemara hier leert dat twee aparte verzen nodig zijn om ons te leren dat een zakeen en een cholee niet geofferd mogen worden. Wanneer de Tora alleen een cholee had uitgesloten, dan zouden wij gedacht hebben dat een zakeen wel geofferd mag worden, want „het is normaal” voor dieren om oud te worden. Wanneer Tora alleen een zakeen had uitgesloten, dan zouden we gedacht hebben dat een cholee wel geofferd mag worden, omdat „het gewoonlijk geneest”. Wij zien aan de Gemara hier dat de cholee die de Misjna noemt, een dier is dat een te genezen ziekte heeft. Dit is consistent met het principe van „Rov choliem lechajiem” – de meeste zieken blijven leven.”

Een mesoekennet daarentegen is een dier dat bijna dood is. De meerderheid van de dieren die mesoekennet zijn, gaan dood. Dus een mesoekennet heeft geen van beide redenen om het toe te staan, zoals hier in Bechorot tot uitdrukking komt: het zal niet genezen, noch is het een normale situatie voor een dier om dodelijk ziek te zijn.

Is er enige reden om streng te zijn en het vlees van een ziek dier niet te eten, zoals het beter is om het vlees van een mesoekennet niet te eten?

De Tewoe’ot Sjor (eind nr. 17) bewijst dat er geen noodzaak bestaat om streng te zijn. De Gemara in Choelien (37b) concludeert dat een mesoekennet is toege-staan om te  eten, uit het feit dat Jechezkel  haNavi verklaarde dat  „Ik heb nimmer nevela of treifa gegeten” (Jechezkel 4:14). Het is dudielijk dat Jechezkel het had over iets  dat de halacha toestaat om te eten, en dat andere mensen inderdaad wel eten, want anders zou Jechezkel zijn verdiensten niet benadrukken door te verklaren dat hij iets niet gegeten had dat niemand eet. De Gemara zegt dat hij mesoekennet bedoelde. Hieraan zien wij dat het is toegestaan om mesoekennet te eten, maar dat het Midat Chassidoet is om daarmee streng te zijn.

Bechorot 39a

De lamme en de buit

Welk een schat van wijsheid ligt er verscholen achter een schijnbaar ach­­teloze opmerkling van een Tal­moed­ge­leerde!

Toen aan de Geleerde Sjmoeël een vraag voorgelegd werd door zijn broer Pinchas, waar hij geen antwoord op wist, antwoordde hij met de woorden van de Profeet Jesjajahoe (33:23): „De lammen vergaren de buit” .

Rasji zegt dat dit slaat op de onwaar­schijnlijkheid dat degenen die nauwe­lijks kunnen lopen, de buit  van het slag­veld zullen kunnen verzame-len. Sjmoeël drukt zo zijn verbazing uit dat hij met stomheid geslagen was door een vraag van iemand met zul­ke mid­delmatige kennis.

Het vers dat hij citeert is de climax van een profetie die gaat over het ge­vaar dat Jeruzalem bedreigt door een invallende, zeer machtige vijand, ge­volgd door de Hemelse redding van de stad. Deze profetie gaat over de situatie van die tijd, maar dient ook als een belofte voor de toekomst.

Het dreigende gevaar in de tijd van de Profeet  werd veroorzaakt door het Assyrische leger van Sancherib  die de hele toen bekende wereld ver­overd had, met inbegrip van het groot­­ste deel van Israël en alleen Jeruzalem wist hem nog te weer­staan. De Joden van Jeruzalem, on­der aanvoering van hun rechtvaar­di­ge Koning Chizkia-hoe, baden tot Hasjem en Jesjaja-hoe’s profetie was een verzekering dat hun gebeden ver­hoord waren. De vernietiging van Sancherib door de Hemel zou zo com­­pleet zijn en zo dichtbij Jeruza­lem plaatsvinden, zo besluit hij, dat zelfs de lamme in staat zal zijn om de buit van het slagveld weg te halen.

De profetie werd inderdaad vervuld, want een engel versloeg het hele As­syrische leger diezelfde nacht, nog voordat een aanslag op de stad kon plaatsvinden.

Maar de profetie gaat ook over de dreiging voor Jeruzalem die aan het einde der dagen zal uitgaan van de legers van Gog OeMagog. Ook dan zal G-d de vijanden van Israël ver­slaan, net zo volledig en net zo dicht bij Jeruzalem, dat zelfs het onwaar-schijnlijk, dat de lamme de buit zal binnenhalen, realiteit zal worden.

Bechorot 39b

Wanneer wordt men één jaar oud? De verjaardag van een baby wordt altijd gerekend volgens de dag in de maand waarop hij/zij geboren werd, zonder rekening te houden met het exacte tijdstip van de geboorte.

Hoe zit dat met het dier waarvan de Tora zegt dat het minder dan een jaar oud moet zijn om als Pesach-offer in aanmerking te kunnen komen?

Het Pesach-lam, zegt de Talmoed, moet niet alleen onder het jaar zijn wanneer het geslacht wordt, maar ook het bloed moet binnen een jaar na de geboorte op het altaar worden ge-sprenkeld.

Waarom, vragen de geleerden, is het nodig dat deze leeftijdsgrens ook geldt voor de bloedspenke­ling, die toch onmiddellijk na het slachten volgt? Is het mogelijk dat een dier geslacht wordt wanneer het minder dan een jaar is, maar een jaar oud is als het bloed het altaar bereikt?

Ja, antwoordt de Geleerde Rawa. Het uur waarop het lam geboren werd, een offer dis-kwalificeren. Wanneer het lam, dat gekozen werd als Pesach-offer, om twee uur 's middags op de 14de Nissan geboren werd, dan mag het een jaar later op de 14de Nissan alleen vóór drie uur 's middags ge-slacht worden. Wanneer een heel uur verstreken is sedert  precies een jaar na de geboorte, wordt het dier be-schouwd zijn tweede levensjaar te zijn ingegaan.

 

Als het is toegestaan om een cholee te eten, maar het is midat Chassidoet om streng te zijn, wat is dan het bewijs van de Gemara uit Jechezkel dat een mesoekennet is toegestaan? Misschien had Jechezkel het wel over een cholee! Het moet dus zijn dat het geen midat chassiedoet is om geen vlees van een cholee te eten.

De Chatam Sofer is het niet met de Tewoe’ot Sjor eens. Hij zegt dat zelfs als men een cholee niet moet eten uit midat chassidoet, Jechezkel het niet kon hebben over een cholee. Jechezkel had het over het vlees van een „nevela en treifa” dat hij niet at. Daar een cholee een dier is dat waarschijnlijk zal herstellen en zal blijven leven, kan het geen nevela of treifa genoemd worden. Alleen een mesoekennet – een dier dat waarschijnlijk zal sterven – kan men een nevela of een treifa noemen, want het staat op het punt er een te worden. Wij hebben daarom geen bewijs dat een cholee is toegestaan om te eten zelfs volgens midat Chassidoet.

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 270 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

ãó îã\á  åàéï ùåúéï îéí áôðé øáéí

In het openbaar water drinken

DeTora verfijnt zijn lerners, die ijverig dag en nacht studeren, om de meest verheven niveau’s te bereiken. Wij weten dit en deze week kunnen wij dit ook leren van onze Gemara.

Rav Aba, de zoon van Rav Chia bar Aba doet een heel speciale uitspraak: „Men hoort geen water te drinken in het openbaar.” Rasji zegt daarover (beg.w. Weëin sjotien majiem): „Omdat een talmid chacham tsnoea’ – beschei­den – hoort te zijn met eten en drinken.” Daaruit leren we dus dat dit gedrag talmidei chachamiem beschrijft, wier zielen verfijnd worden en bescheidenheid siert hen. Echter, de poskiem kwamen niet tot overeenstemming over de dranken waar­voor dit geldt. Dat meningsverschil komt voort uit de Tasafot (beg.w. Weëin sjotien majiem), die een vraag stellen op grond van de Gemara in Pesachiem 86b, waar verteld wordt over een Amora die in het openbaar  iets dronk. De Tosafot stellen een antwoord voor en wij citeren hen, om het meningsverschil tussen de poskiem beter te begrijpen:

„Dat geldt voor tijdens een maaltijd… en in hilchot derech erets staat dat hij in het openbaar zijn hoofd moet afwenden als hij water drinkt. Het schijnt dat zij water noemen, omdat normaliter alleen iemand die dorst heeft water drinkt maar overigens drinken mensen gezamelijk (en een talmid chacham mag dat ook).”

Magen Awraham zegt (O.Ch. 170) dat een talmid chacham altijd in bescheidenheid moet drinken, en zijn gezicht moet afwenden, behalve wanneer hij iets anders dan water drinkt tijdens een maaltijd. Echter volgens Elia Rabba (ibid) bedoelen de Tosafot dat het speciale gedrag van talmidei chachamiem alleen geldt voor het drinken van water als dat niet tijdens een maaltijd is. Met andere woorden, het is overal normaal dat mensen gezamelijk eten en wijn en andere dranken drinken. Het meningsverschil betreft water tijdens een maaltijd. De Elia Rabba beslist soepel, dat een talmid chacham slechts bescheidenheid moet betrachten als hij in het openbaar alleen water drinkt (zie ibid, waar hij een bron uit Piskei Tosafot  citeert en zie ook Sja’arei Tesjoewa  n.4).

Een vroege gaon, Rav Ja’akov Jehoeda Oisj uit Praag schreeft aantekeningen bij Elia Rabba (recent gedrukt in de Zichron Aharon uitgaven van de Levoesj) en hij biedt een schitterend bewijs uit Rasji voor Elia Raba, dat alleen het drinken van water buiten een maaltijd verboden is.

De Gemara in Sjewoe’ot 40a vertelt dat Reisj Lakisj eens verhinderd was om te antwoorden op wat Rav Jochanan zei, omdat hij op dat moment iets dronk. Rasji voegt daaraan toe dat hij water dronk in het beit hamidrasj. Hoe wist Rasji dat Reisj Lakisj water dronk? De enige mogelijkheid was dat Rasji het moeilijk vond om te begrijpen waarom het drinken Reisj Lakisj hem verhinderde te horen wat Rav Jochanan gezegd had. We moeten wel concluderen dat de reden was dat hij zich bescheiden afwendde toen hij iets dronk. Daarom concludeert Rasji dat hij water dronk, in overeenkomst met de mening van Elia Raba, dat een talmid chacham zich moet afwenden wanneer hij buiten een maaltijd om  water drinkt.

Voor wat betreft de halacha schrijft Birkei Joseef (ibid) dat dit alleen van toepassing is voor slechts een klein aantal individuen in iedere generatie (overeenkomstig de mening van Rabbeinoe Tam en Tosafot). Echter, de Misjna Beroera schrijft eenvoudig (ibid 13): „Het is geen net gedrag van een talmid chacham om te drinken…” en hij noemt beide voornoemde meningen maar hij zegt er niet bij dat dit alleen geldt voor speciale mensen.

ãó îå\à ôèø øçí

Het lossen van een eerstgeborene in geval van twijfel

Een lid van onze beit hamidrasj vertelde ons over een interessant advies dat hij gehoord had van een talmid chacham betreffende een voorval, waar er twijfel bestaat  of een zoon als eerstgeborene gelost moet worden of niet, waarbij het verboden is om de beracha voluit te zeggen met de Sjeem Hasjem, omdat het een beracha lewatala kan zijn.

Wanneer iemand Gemara of halachot  aan kinderen leert, moet hij hen de berachot voluit leren, inclusief de Naam van Hasjem, omdat het een grote mitswa is om hen te onderwijzen en op te leiden in Tora en tot vrees voor de Hemel (zie Sjoelchan Aroech O.Ch. 215:3 en Misjna Beroera ibid). Daarom kunnen wij de vader adviseren om een aantal kinderen bij elkaar te verzamelen en hen de volgende halacha te leren (Sjoelchan Aroech J.D. 305:10): „Wanneer hij het losgeld aan de kohen geeft, zegt hij ‘…die ons geheiligd heeft met Zijn geboden en ons geboden heeft betreffende de lossing van een zoon’  en dan zegt hij de berachasjehechjanoe…’” en terwijl hij de beracha voluit zegt om het hen te leren, heeft hij in gedachten, dat wanneer hij de mitswa van pidjon habèn uitvoert, de beracha voor de mitswa dient.

Sommigen twijfelen over dit advies omdat deze toestemming om berachot  aan kinderen te leren met de volledige Naam van Hasjem alleen geldt voor die berachot die de kinderen nodig hebben terwijl zij nog kind zijn, zoals berachot voor voedsel e.d., maar de beracha voor pidjon habèn kunnen zij zelf naar behoren leren wanneer zij volwassen zijn.