Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg P.O.B. 3220 Netanya - Israël E-mail: zwigold@netvision.net.il
6 Eloel 5764 Traktaat Bechorot 46-eind Nr. 73

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 272 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

\ - \

Zijn de eerstgeborenen gewijd?

Vorige week werd in de 11de cyclus van de Daf Jomi over de hele wereld traktaat Bechorot beëindigd, waarin de mitswa van het lossen van de eerstgeborene uitgebreid werd bediscussiëerd en behandeld. Om dit onderwerp af te sluiten presenteren wij het volgende artikel. Wij weten dat de Joden, toen zij Egypte verlieten, geboden werden om iedere eerstgeborene aan Mij te wijden. Wij weten ook dat zij onmiddellijk daarna geboden werden om hen te los te kopen. Volgens Sforno en de Netziv zou het de eertgeborenen verboden zijn enig werelds werk te doen, als zij niet onmiddellijk gelost waren, ten gevolge van hun heiligheid, zoals het verboden is enig werk te doen met een eertgeboren dier. Dit alles betreft de eerstgeborenen die Egypte verlieten, en die wij geboden waren te wijden (zie Rasjbam, Sjemot 13:2; Ramban, ibid; Abarbanel, ibid, 13:1 en Jeroesjalmi, Megilla 1:13). Echter, de eerstgeborenen in onze tijd zijn niet zodanig gewijd en het enige dat ons is overgebleven is het gebod om het te lossen. Laat ons nu eens nader uitzoeken wat er gezegd wordt bij de vervulling van deze mitswa van pidjon habèn het lossen van de eerstgeborene.

De bewoording van de pidjon habèn-ceremonie: De speciale woorden die de mitswa begeleiden, vereisen enige nadere uitleg. De kohen vraagt de vader: Wat heb je liever, je eertgeboren zoon of vijf selaiem? en de vader antwoordt natuurlijk dat hij zijn eerstgeboren zoon prefereert en dat hij hem daarom loskoopt met die vijf selaiem (Rema, J.D. 305:10 in naam van de Geoniem). Maar als hij gewild had, zou hij dan werkelijk zijn eerstgeboren zoon aan de kohen kunnen geven? Zeker niet! Waarom wordt hem dan gevraagd wat hij prefereert? Bovendien, als de eerstgeborene niet werkelijk gewijd is, waar is die lossing dan voor nodig?

De tweede vraag is in feite het antwoord op de eerste vraag. Rambam schrijft (Sefer HaMitswot, mitswa 80): dat Hij ons gebood een eerstgeboren zoon te lossen en Hij legde ons uit hoe dit moet gebeuren, dat wij hem van de kohen moeten lossen, alsof de kohen hem reeds in eigendom heeft en wij verkrijgen de bechor van hem met vijf selaiem. Met andere woorden, de lossing moet zodanig gebeuren dat de nadruk gelegd wordt op het feit dat de eerstrgeborene hoort te worden gewijd aan de dienst van Hasjem en daarom lossen wij hem. Daarom vraagt de kohen aan de vader of hij er de voorkeur aan geeft dat zijn zoon zou worden gewijd en dat hij tot de kohen zou behoren.

De mitswa van pidjon habèn verschilt zoveel van andere giften aan de kohaniem dat de Risjoniem vertellen over een gewoonte in verschillende plaatsen waar de kohen een lange beracha uitsprak, die eindigde met de woorden Gezegend ben U, Hasjem mekadeesj bechorei Jisraël lefidjonam die de eerstgeborenen van Israël heiligt voor hun lossing (Sefer HaChinoech, mitswa 392; zie ibid voor de hele bewoording).

De Rvasj werd gevraagd waarom een kohen een beracha uitspreekt als hij vijf selaiem ontvangt voor de lossing, maar geenberacha zegt voor andere giften die hij als kohen ontvangt zoals troema, chala, de voorpoot, de kaak en de maag, enz. De Rivash wijst erop dat de beracha van de kohen voortkomt uit de essentie van de mitswa om de eerstgeborene te lossen, waarbij ons geboden wordt de eerstgeborene te los te kopen uit het eigendom van de kohen (zie Birkat Kohen op de Tora, 83).

Het is interessant om te ontdekken dat volgens de Sefardische gewoonte, die teruggaat tot de Risjoniem, de kohen vóór de pidjon zegt: Nu ben je van mij, want ik ben een kohen en je vader en moeder willen jou loskopen, want je bent een gewijde eerstgeborene! We hebben dus een unieke, zeldzame mitswa, waarbij gehandeld en gesproken wordt alsof wij de zoon uit het bezit van de kohen loskopen, terwijl hetkind in feite aan zijn ouders toebehoort en de vijf selaiem zijn een geschenk van de vader aan de kohen.

Of dit nog niet verbazingwekkend genoeg is, de woorden van de Aroch Hasjoelchan (J.D. 305:35) zijn dat nog meer: En velen waren zeer verbaasd opver deze woorden want waar vinden wij dat de vader de keuze heeft om zijn zoon aan de kohen te geven? Hij antwoordt (ibid, Iseief 37): De waarheid is dat zij wel gewijd zijn aan Hasjem, zoals alle kodosjiem-voorwerpen, waarmee geen profane handelingen mee gedaan mogen worden en die alleen gegeten moeten worden inheiligheid en alles wat daar mee gedaan mag worden moet gebeuren in heiligheid. Volgens hem is de eerstgdeborene dus inderdaad gewijd, net zoals diegenen die Egypte verlieten. En daar iemand niet in staat is een dergelijke heiligheid te handhaven, geeft de Tora de vader de mogelijkheid om zijn zoon te lossen en dat is wat de kohen bedoelt als hij zegt: Wat heb je liever? Wil je dat je zoon gerwijd blijft aan Hasjem of geef je er de voorkeur aan om hem te lossen met vijf selaiem? De Aroch Hasjoelchanconcludeert: Ern natuurlijk wil iedere vader hem loskopen.

Wij leggen er de nadruk op dat deze wonderlijke chidoesj niet als halacha is geraccepteerd (zie Otsar Pidjon Haben, voorwoord, hfdst. 7).

\-\

Het opnemen van een loelav of het blazen op een sjofar op Sjabbat

Ongeveer honderd jaar geleden leefde er in Jeroesjalajim een buitengewoon talmied chacham, HaGaon Rabbi Akiwa Joseef Schlesinger ztl, auteur van Lev HaIvri. Eens was hij de oorzaak van een grote halachisch opwinding toen hij verkondigde dat hij had onderzocht en gedolven en ontdekt dat men in Jeroesjalajiem de sjofar zou moeten blazen op Rosj Hasjana als dat op Sjabbat valt! (Mikraei Kodesj, Jamiem Noraiem 32). Tot op de dag van vandaag discussiëren Jeruzalemmers erover of hij dat inderdaad deed, maar een interessante halachische uitspraak kwam eruit voort.

Laat ons aannemen dat hij inderdaad op Sjabbat op de sjofar blies. Is er enig doel om zijn sjofar te horen, ten slotte is het Rosj Hasjana? Chazal besliste dat men op Rosj Hasjana dat op Sjabbat valt, niet op de sjofar blaast, maar als er een gelegenheid is om de sjofar te horen, zonder deze beslissing te overtreden, waarom dan niet, want degene die de sjofar hoort overtreedt niets?

Voordat wij de verschillende kanten van de twijfel ophelderen, zullen wij eerst naar iets anders kijken. Iemand wachtte tot het Soekot zou zijn om de mitswa van de vier soorten te kunnen uitvoeren en vroeg in de ochtend van de eerste dag Jom Tov hield hij ze reeds vast en sprak vol vreugde de berachot volledig uit en schudde met toewijding in alle richtingen.

Sjehechejanoe na de mitswa is niet volgens Chazal: Enige tijd later herinnerde hij zich dat het Sjabbat was en dat Chazal verboden hadden de vier soorten op Sjabbat op te nemen, om te voorkomen dat men ze van privéterrein naar openbaar terrein zou vervoeren, hetgeen op Sjabbat verboden is (Soeka 42b). Heeft hij nu de mitswa van de vier soorten uitgevoerd of, daar Chazal dat verboden hebben op Sjabbat, wordt datgene wat hij gedaan heeft niet als een mitswa beschouwd? De vraag is niet alleen maar theoretisch, want hij moet weten of hij de volgende dag, wanneer hij de loelav opneemt de beracha moet zeggen of niet. Wanneer zijn opnemen op Sjabbat als mitswa beschouwd kan worden, mag hij niet nogmaals sjehechejanoe zeggen, want dat heeft hij al gezegd toen hij de mitswa gedaan heeft. Maar wanneer het helemaal geen mitswa was, dan moet hij kennelijk alsnog de beracha zeggen. (Zie de Misjna Beroera 662:2, betreffende Sjehechejanoe op Jom Tov Sjeni; maar daar hanteerde hij de loelav correct en hij is daarom niet slechter dan iemand die sjehechejanoe zegt wanneer hij het Erev Jom Tov samengebonden heeft; zie ook de Toer en de Beit Joseef ibid).

Leidende halachische autoriteiten hadden moeite met deze vraag en het heeft verband met vele mitswot waarvan het tijdstip voor de uitvoering ervan door Chazal was beperkt. Volgens vele Acheroniem en volgens HaGaon Rabbi Akiwa Eiger ztl (Droesj Wechidoesj, maarachah chet, s.v. Wehinee Hamageen Awrahamen Chidoesjei Rabbi Akiwa Eiger op Pesachiem 69a), hebben Chazal  niet volledig de mitswot van Tora teniet gedaan, maar hebben zij die alleen onder bepaalde omstandigheden verboden uit te voeren; iemand die deze regeling overtreden heeft, opzettelijk of onopzettelijk, heeft de mitswa gedaan (zie Responsa Maharsjag, O.Ch. 63 en Prie Megadiem, O.Ch. 634).

Anderen zijn het daar echter niet mee eens en beweren dat Chazal de mogelijkheid om de mitswa te doen hebben uitgesloten. Wat die persoon gedaan heeft en zijn berachot waren dus voor niets.

Wat heeft dit alles te maken met het vertienden van dieren, het onderwerp van deze dapiem? Eén van de onderwerpen in het centrum van het dispuut is de mitswa van het vertienden van dieren. Die mitswa geldt ook nog in onze tijd, zoals de misjna zegt (53a). Echter, Chazal hebben het verboden uit te voeren, nu de Tempel verwoest is en er geen mogelijkheid bestaat om het gewijde dier als maaser te offeren. Daardoor zouden mensen kunnen struikelen en het dier gebruiken voor iets waar het niet voor gebruikt mag worden. Maar, zegt de Gemara (61a), als iemand maaser behema afscheidt in onze tijd, dan moeten de gewijde dieren sterven, om te voorkomen dat zij een struikelblok vormen. Tossafot benadrukt dat hoewel wij geen dieren meer in onze tijd vertienden, als iemand dat toch doet, dan heeft de maaser effect op het dier. Aan de andere kant, zegt Rasji, dat de Gemara het alleen maar heeft over die meningen die ervan uit gaan dat Chazal het vertienden niet verboden hebben in onze tijd.

We hebben dus kennelijk een duidelijk meningsverschil tussen Rasji en Tosafot en in dat geval, wanneer Chazal verordenden om een bepaalde mitswa niet te doen, dan betekent dat, dat zij de mitswa helemaal geanuleerd hebben en iemand die deze verordening negeert en het toch gedaan heeft, met opzet of onopzettelijk, die heeft dan geen mitswa gedaan.

\

Eén van de getelde (dieren) sprong terug

Iemand die tien of meer dieren heeft, moet hen vertienden. Hij moet ze verzamelen in een stal met een open deur waar zij één voor één door naar buiten gaan. Het tiende wordt gewijd. Echter, onze misjna zegt dat als één van de getelde dieren terug springt tussen de ongetelden, dan zijn zij vrijgesteld. Met andere woorden, wanneer een dier dat al naar buiten is gegaan weer terug springt in de stal en vermengd raakt tussen de anderen, dan zijn al de andere dieren vrijgesteld van maaser want wij nemen als maaser uitsluitend een dier dat definitief nog niet vertiend was.

Kol depariesj meroeba pariesj: Men hoeft geen rosj jesjiva te zijn om hierover je wenkbrouwen te fronsen en af te vragen: we hebben zo vaak geleerd dat we de meerderheid moeten volgen. Heeft die regel geen invloed op ons geval? Iedereen is bekend met de regel dat iets dat is afgescheiden, is afgescheiden van de meerderheid, Bijvoorbeeld, wanneer een stuk vlees gevonden wordt in een straat waar negen kosjere slagers zijn en één slager verkoopt treifa vlees, dan mag men het gevonden stuk vlees eten, want de Tora zegt: volg de meerderheid.  Waarom laten wij de dieren dan niet opnieuw in de rij staan en ieder dier dat naar buiten komt, wordt beschouwd alsof het is afgescheiden van de meerderheid, die nog vertiend moet worden en dus kan het dienen als een tiende? (Zie Tosafot en Sjita Mekoebetset, Bawa Metsia 6b, beg.w. kafats).

De Rosj lost het probleem als volgt op (ibid): Inderdaad, zegt hij, zegt Tora dat alles wat is afgescheiden van de meerderheid is afgescheiden, en dat geldt zowel voor soepele als voor strenge situaties. Maar hoer gaat het niet over een beslissing uit de werkelijkheid. De twijfel bestaat nog steeds: ieder dier dat uit de deur komt kan het dier zijn dat teruggesprongen is, maar aangaande halachische beslissingen moeten wij de meerderheid volgen. Maaser behema echter vereist een dier dat zeker het tiende is, zoals de Gemara afleidt van de woorden asiri wadai, en dit dier beantwoordt niet aan deze simpele definitie.

Deze grote chidoesj heeft de meest briljante geesten geïnspireerd, terwijl de vraag van Rabbi Akiwa Eiger (Responsa 2de editie, 108) nog overeind staat: Eén van de halachot voor het vertienden van dieren zegt dat men geen treifa dier als maaser mag afscheiden (een dier dat niet lang meer zal leven). Maar hoewel wij niet de gezondheidstoestand van ieder dier kennen, vertrouwen wij erop dat het gezond is, want wij volgen de meerderheid en de meeste dieren zijn niet treifa. Wanneer wij de Rosj volgen, zouden wij nimmer de mitswa van vertienden kunnen uitvoeren, want het gaan volgens van de meerderheid geeft geen zekerheid; dus we moeten blijven veronderstellen dat ieder dier treifa kan zijn!?

In de jesjiwa-wereld gaat men door zich te verwonderen over Rabbi Eigers oplossing van dit enorme probleem. Wij bevelen u aan om het artikel Een storm in een glas melk: de halachische route van melk op weg naar een kop kofiie te lezen in Hearot nr. 49, waar een andere oplossing voor dit probleem wordt gesuggereerd.

\

Vragen en verklaren over de halachot van de feestdag

Wij zijn reeds weer de maand van genade en selichot ingegaan Eloel.  Het geluid van de Sjofar weerklinkt weer in de synagogen en velen zullen halachische werken opslaan om de halachot van de komende feestdagen te bestuderen (zie ook  http://www.hoor-israel.org/Halacha/RosjHasjana/Index-RosjHasjana.htm voor de halachot in het Nederlands). Volgens de Beit Joseef (O.Ch. 429) geldt het voorschrift dat wij vragen en verklaren over de halachot van de feestdag 30 dagen van te voren alleen geldt voor voor Pesach, waarvoor vele halachot gelden en dat daarom veel voorbereiding vergt. Maar de halachot van Soekot zijn simpel: een soeka die door een niet-Jood gebouwd wordt is kosjer, een soeka met twee wanden en een derde wand van slechts een tefach breed is kosjer en de meeste loelaviem en etrogiem zijn kosjer zegt de Beit Joseef. En hij voegt daaraan toe dat de soeka en loelav niet veel problemen veroorzaken en dat het voldoende is wanneer men zich daarmee slechts op de  vooravond van het feest bezighoudt.

Echter, uit de uitlatingen van vele Risjoniem (Rasji, Berachot 17b, enz.; Tosafot, Megilla 4a, beg.w. mai, enz. blijkt duidelijk dat deze regeling voor alle feestdagen geldt en de poskiem noemen onze soegia als de bron voor hun standpunt. Onze Gemara heeft het over halverwege de tijd voor de feestdag dat men begint te vragen over de halachot van die feestdag Pesach, Sjawoeot en Soekot als de tijd waarbinnen met de dieren moet vertienden. Wij zien dus dat deze regeling geldt voor alle drie de feestdagen (Mageen Awraham 429:1; Béoer HaGra; Misjna Beroera en Sjaar HaTsioen, ibid). Echter, volgens sommigen is dit voorschrift voor Pesach een verplichting, maar voor de andere feestdagen is het alleen maar een gewoonte (Bach, Chok Jaakov en Prie Megadiem, ibid, en zie Sjaar HaTsioen 2).

Pnei Jehosjoea zegt (Megilla 4a) dat men de halachot moet vragen en verklaren vanaf 30 dagen voor alleen de drie regaliem, Pesach, Sjawoeot en Soekot, maar niet voor Rosj Hasjana en Jom Kippoer.

De Baal HaTanja ztl wijdt uit over de vraag waarom deze regeling speciaal voor de drie regaliem geldt (Sjoelchan Aroech HaRav, O.Ch. 429:1-3): men moet de halachot van de Chag verklaren omdat ieder die in Erets Jisraël woont drie offers moet brengen op de regelaliem [pelgrimsfeesten] olat reia, sjalmei chagiga en sjalmei simcha en ieder offerdier moet vrij zijn van defecten en andere diskwalificerende gebreken. Daarom hebben Chazal ingesteld dat men de halachot voor de regel 30 dagen van te voren moet verklaren om de mensen eraan te herinneren om niet te vergeten kosjere dieren te bestemmen voor de offers, opdat zij voldoende tijd hebben, 30 dagen (zie daar, dat de basis voor deze uitspraak in Tosafot verklaard wordt). Hij vervolgt en zegt dat deze regeling nog steeds van kracht is, zelfs na de verwoesting van de Tempel, opdat de mensen deskundig worden op het gebied van de halachot van de feestdagen en in onze tijd is het een mitswa voor iedereen om de halachische boeken te leren waar alles duidelijk in beschreven wordt.

De derasj op Sjabbat HaGadol is er vanwege de verstrooide ballingschap: Sommigen menen dat men in onze tijd deze regeling kan naleven door de pioetiem te zeggen waarin de halachot van Pesach  zijn opgenomen (Chok Jaakov 429:3). De Bach beweert (ibid) dat de verstrooiing veroorzaakt heeft dat het tot Sjabbat HaGadol onmogelijk is om al de mensen te verzamelen en hen de halachot te leren en dat er daarom geen reden is om 30 dagen voor de chag daarmee te beginnen.

\   En die welke als tiende naarbuiten komt krijgt een rood merkteken

Het merkteken

HaGaon Rabbi Jitschak Blazer ztl zei: De schapen komen vrolijk huppelend uit de stal, ook het tiende, dat een rood merkteken op zijn rug heeft, hetgeen betekent dat het spoedig geslacht zal worden. Maar dat weet het dier niet en hij is blij en onbezorgd, samen met de anderen. Wanneer hij kon begrijpen, dan zouden wij hem zeggen: Lief lam, wees niet zo onbekommerd, maar ga naar de rivier en was het merkteken van je rug. En zijn de mensen niet hetzelfde? Velen zeilen vrolijk en onbezorgd door Tisjri, onbewust van het rode merkteken dat zij dragen. Wanneer zij zouden weten, zouden zij zich schoonwassen in een stroom van tranen en bidden totdat het merkteken wordt uitgewist. Maar zij zijn blind en huppelen vrolijk in het rond (Kochavee Or 174).