Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
22 Adar I, 5765 Traktaat Berachot 2- 4 Nr. 78

 

 

 

Deze week begint de 12de cyclus van de Daf Hajomi van de Babylonische Talmoed

MiEmatai

Duizenden over de hele wereld begonnen deze week aan de 12de cyclus van de Daf HaJomi van de Babylonische Talmoed. Door iedere dag één daf, dat is één blad van de Talmoed te leren, heeft men in ruim zeven jaar de hele Talmoed geleerd.  Wanneer begint men Tora te leren? Ieder antwoord dat u kunt bedenken, is goed. Bezoek een van de nieuwe Daf HaJomi sjioeriem die de laatste jaren over de hele wereld uit de grond zijn gesproten, als uit het niets ontstaan en kijk naar het leger nieuwe lerners dat zich bij het legioen heeft aangesloten. In de ene sjioer vindt u een oudere man, die leunend op zijn stok in de ene hand een Gemara vast houdt en in de andere een vergrootglas, die trouw de dreunende stem van de magied sjioer volgt. Ergens anders hoort men de schrille stem van een achtjarige vroege wijsneus, die door zijn vader werd meegenomen om deel te nemen in de grote vreugde van het leren van zijn vader. Zij zijn allen aanwezig. Wie nog niet gearriveerd is, was kennelijk erg druk bezig – met de organisatie van het huwelijk van een zoon of een barmitswa… Morgen komt hij ook.

Ook in Nederland en Antwerpen worden sjioeriem in Daf HaJomi gegeven. Wie de verhalen en artikelen van deze Hearot HaDaf Hajomi volledig wil begrijpen, moet zelf de daf lezen. Er bestaan tegenwoordig voortreffelijke vertalingen in het Engels (helaas nog niet in het Nederlands) die een goede hulp zijn voor een goed begrip van de vaak moeilijke taal van het Aramees, de taal van de Talmoed, voor wie geen sjioer in zijn omgeving kan vinden. De Engelse uitgave van de Schottenheim editie van Artscroll kan warm worden aanbevolen.

ô ô ô

Algemene Inleiding tot Seder Zer’aim

De Tora, die G-d aan onze voorouders op de berg Sinaï onthulde, bestaat uit een Geschreven Tora – de vijf boeken van de Choemasj[1] – en de Mondelinge Tora. De basis-wet is hoofdzakelijk vervat in de Schriftelijke Tora en de talrijke details van de wet in de Mondelinge Tora. De Misjna, die zijn uiteindelijke redactie gekregen heeft van Rebbi (R. Jehoeda HaNasi) en zijn collega’s na de verwoesting van de Tweede Tempel, is de primaire tekst van de Mondelinge Tora zoals die tot ons is gekomen, en de Talmoed is in essentie een commentaar op en een gedetailleerde uitweiding van de Misjna.

De Misjna [2] bestaat uit zes Sedariem [orders; enk. Seder], die ieder zijn onderverdeeld in Masechtot [traktaten; enk. Masechet of Mesechta], die op hun beurt verder zijn onderverdeeld in Perakiem [hoofdstukken; enk.: Perek], die weer verder zijn onderverdeeld in Halachot [enk. Halacha] of Misjnajot [enk.: Misjna].[3]

De zes orders zijn: Zer’aim [„Zaden,” dat hoofdzakelijk handelt over de landbouw (voornamelijk in het Land Israël)]; Mo’eed [„Vastgestelde Tijd,”, dat gaat over de Sjabbat en de feestdagen]; Nasjiem [„Vrouwen,” dat handelt over huwelijk, echtscheiding, weduweschap, de persoonlijke status en aanverwante onderwerpen]; Nezekiem [„Schades,” dat gaat over onrechtmatige daad en algemene financiële voorschriften en wetten]; Kodasjiem [„Heilige zaken,” die gaan over de Tempel en de wetten voor de offers]; en Tohorot [„Reinheden,” die gaan over de wetten voor toema en tahara (de rituele staat van reinheid en onreinheid)].

Zer’aim is de openings order van de Talmoed, omdat landbouw de basis is van al het onderhoud van de mens en geen dienst aan G-d [hetgeen de essentie is van de hele Tora, zowel de Geschreven als de Mondelinge Leer] is mogelijk zonder fysiek onderhoud.[4]

Waarom Berachot daarin is opgenomen en het begin is van de order Zer’aim zal (beH [5]) besproken worden in de inleiding tot het traktaat. De volgende traktaten in deze order zijn: Pea (dat handelt over die gedeelten van de oogst die men voor de armen moet laten staan); Demai (product dat niet volledig vertiend is); Kilaim (verboden combinaties); Sjewi’iet (over de wetten van het Sjabbat-jaar); Troemot (over die gedeelten van de oogst die de boer aan de Kohen [6] moet geven); Ma’aserot (de Tienden van de oogst die aan de Leviet gegeven moet worden); Ma’aser Sjeni (het Tweede Tiende, dat de landbouwer zelf in Jeruzalem moet opeten); Challa (het gedeelte van het deeg of brood dat de bakker aan de Kohen moet geven); Orla (dat handelt over fruitbomen gedurende hun eerste drie jaar na hun planting); en Bikkoeriem (de eerste vruchten die de boer moet afzonderen en naar de Tempel moet brengen). Geen van al deze overige traktaten van Zer’aim, behalve Berachot, worden in de Babylonische Talmoed behandeld, maar wel in de Jeruzalemse Talmoed.

––––––––––––––––––––––––––––––

[1] De eerste vijf boeken van de de Bijbel: Bereisjiet [Genesis], Sjemot [Exodus], Wajjikra [Leviticus], Bemidbar [Numeri] en Dewariem [Deuteronomium].

[2] Het woord îÄùÑÀðÈä, Misjna, komt van de stam ùðé, tweede, want het bevat de Mondelinge Tora, welke de “tweede” Tora was die aan Mosjé [Mozes] onthuld werd, want de Geschreven Tora werd eerst geopenbaard. Het woord îÄùÑÀðÈä kan ook afkomstig zijn van de stam ùðï, hetgeen zorgvuldig leren betekent, zoals voorkomt in de woorden van Sjema (Deut. 6:7): „en je zult ze zorgvuldig aan je kinderen leren.”

[3] De woorden „Halacha” (gebruikt in de Jeroesjalmi – de Palestijnse Talmoed] en „Misjna” kunnen door elkaar ge­bruikt worden, hoewel de laatste het meest gebruikt wordt. [De woorden „Misjna” en „Misjnajot” kunnen ook betrek­king hebben op het hele werk zelf.]

[4] Rambam, Inleiding tot de Misjna.

[5] Be’ezrat Hasjem – met G-ds hulp.

[6] Priester, nakomeling van Aharon

 

ô ô ô

Inleiding tot Traktaat Berachot

„Berachot” [„zegeningen”] gaat, zoals de naam reeds aanduidt, hoofdzakelijk over de diverse berachot die gezegd worden op verschillende tijden en bij verschillende gelegenheden. In essentie is een beracha, die altijd begint en/of eindigt met de woorden Baroech Atta Hasjem [Gezegend bent U, Eeuwige], een erkenning van G-d als Schepper van de wereld, de Opdrachtgever van de uit te voeren mitswot, of de Leverancier van de vreugde die wij genieten. Soms doet een beracha niets anders dan erkennen, soms smeekt men ermee. Maar het dient altijd als een gewaarwording van onze Hemelse Vader en Zijn intiemiteit tot ons. In Dewariem [7] 10:12 staat: „En nu, O Israël, wat vraagt Hasjem je G-d van je? Slechts om Hasjem, je G-d te vrezen, om Hem te volgen in al Zijn wegen en Hem lief te hebben en Hasjem je G-d te dienen met heel je hart en met heel je ziel.” Hieruit hebben de Geleerden afgeleid dat men iedere dag honderd berachot moet zeggen, waarbij de Hebreeuwse woorden voor „Wat [vraagt] Hasjem” gelezen worden alsof er staat „Honderd [vraagt] Hasjem.”  Deze verklaring is in volledige harmonie met de eenvoudige betekenis van het vers. De Geleerden hebben een voorschrift gegeven hoe men dit verheven idee van het vers kan bereiken: Door G-d aandachtig bij honderd gelegenheden per dag de zegenen en te erkennen, cultiveert men een uitgesproken erkenning en gewaarwording en ontzag voor de Schepper en leert men Zijn wegen te volgen en Hem te dienen met heel zijn hart en heel zijn ziel.

Dit traktaat bestaat uit negen hoofdstukken, die de vier basis-thema’s omvatten: Keriat Sjema, het lezen, of beter gezegd, het zeggen, citeren van Sjema, de erkenning van G-ds Eenheid en soevereinieit (hoofdstukken 1-3); Tefilla, het Sjemonee Esree gebed (de hoofdstukken 4-5); berachot voor genoegens die men beleeft [berachot hannèhèniem] (hfd. 6-8); en de berachot die erkennen dat G-d de oorsprong is van alle natuur­verschijn­selen en van alles wat er met ons gebeurt [berachot hodaä] (hfd. 9).

Rambam, in zijn Inleiding tot de Misjna, legt Rebbi’s keuze om de Misjna met Traktaat Berachot te beginnen als volgt uit: In een poging om het welzijn van een gezond mens  na te streven, zal een goede arts eerst een gepast diëet voorschrijven en de manier hoe men het voedsel moet bereiden. Het uitspreken van berachot over voedsel is inderdaad een essentiële „voorbereiding” voor dat voedsel, want het is verboden ergens gebruik van te maken zonder dat men daar eerst een beracha voor gezegd heeft. Daarom begint de Misjna met de Order Zeraïm [zoals in de inleiding tot Order Zeraïm reeds werd uitgelegd]. En dus is de eerste wet die behandeld moet worden, de wet voor de berachot.

De Rambam legt verder uit dat de reden dat Rebbi het Traktaat Berachot begonnen is met de wetten voor Sjema, is dat het zeggen van Sjema de enige mitswa is die iedere man iedere dag verplicht is en het past alleen maar om de wetten van Sjema te behandelen vóór die voor de berachot die de Geleeren hebben ingesteld.

De Gaon van Wilna (Sjenot Eliahoe) schrijft dat de Sjas [8] begint met de mitswa van Keriat Sjema omdat dit de eerste mitswa is, die iemand doet. Daar de Joodse dag ’s avonds begint, na het uitkomen van de sterren, zal de eerste mitswa, die een Joodse jongen doet, die Bar Mitswa geworden is op zijn dertiende verjaardag, het zeggen van Sjema zijn.

De Riaz (op de Rif) legt uit dat de Sjas begint met Keriat Sjema omdat Sjema de acceptatie is van de totale soevereiniteit en overheersing van Hasjem en iemands vrees en ontzag voor Hem uitdrukt.  Reisjiet chochma Jirat Hasjem – ‘de vrees voor G-d is het begin van alle wijsheid’ (Tehilliem [9] 111:10), en daarom is het passend  dat men zijn zoeken naar wijsheid in Tora begint met het leren over Sjema, de uitdrukking voor de vrees en het ontzag voor G-d. „Wanneer iemands vrees voor G-d aan zijn wijsheid voorafgaat, zal zijn wijsheid blijven bestaan” (Awot 3:9).

Wij zouden daaraan nog kunnen toevoegen dat Tora zelf begint met de acceptatie van Hasjems totale autoriteit – Bereisjiet bara Elokiem et hasjamajiem weët haärets – in het begin schiep G-d de hemel en de aarde, een verklaring dat Hasjem de Schepper is en dat Hij dus heerst over heel de wereld. Dit vindt ook een aanwijzing in het woord Bereisjiet, wat een aanwijzing is voor Reisjiet chochma uit het hiervoor genoemde vers over de Jirat Hasjem.[10]

––––––––––––––––––––––––––––––
 

[7] Deuteronomium

[8] Sjisja Sidrei Misjna – de zes orders van de Misjna

[9] Psalmen

[10] Uit „Thougts on the Daily Daf” door Kollel Iyun Hadaf of Har Nof, Rosj Kollel: Rav Mordecai Kornfeld.

ô ô ô

DAF-Notities Berachot 2a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De eerste vraag van de Talmoed

Vanaf hoe laat mag men ’s avonds Sjema[11] zeggen?

Deze vraag is de openingsvraag van de Babylonische Talmoed. Als ant­woord geeft de Misjna de vroegste tijd − wanneer de sterren verschijnen en de kohaniem[12] die zich in een mikwe[13] hebben ondergedompeld, om rein te worden van hun toema[14] weer van de troema [15] mogen eten.

Hoewel er overeenstemming is over de vraag vanaf hoe vroeg men ’s avonds Sjema mag zeggen, zijn er verschillende meningen over de vraag tot hoe laat men deze mitswa nog kan doen. Rabbi Eliëzer  beperkt dit tot het eerste derde deel van de nacht, de geleerden zeggen tot middernacht en Rabban Gamliël zegt tot de ochtend.

Het meningsvreschil, zegt Rasji (op blad 3a) is gebaseerd op de interpretatie van de woorden „wanneer je ligt” (Dewariem[16] 6:7), hetgeen de Tora gebruikt als de basis voor de tijd voor het avond-Sjema. Volgens Rabbi Eliëzer heeft dit betrekking op de tijd dat de mensen naar bed gaan. Daar sommigen vroeg en anderen later naar bed gaan, strekt deze periode zich volgens hem uit gedurende het eerste derde deel van de nacht. Rabban Gamliël en de andere Geleerden vatten deze woorden anders op, namelijk niet in de betekenis van wanneer de mensen gaan slapen, maar wanneer zij daadwerkelijk slapen, en dat is gedurende de gehele nacht. De Geleerden hebben er echter een grens aan gesteld tot middernacht, omdat zij menen dat er een rabbinaal decreet bestaat dat men Sjema voor middernacht gezegd moet hebben, om te voorkomen dat men in slaap valt en de hele nacht door blijft slapen, zonder Sjema te hebben gezegd, waarmee men de hele mitswa zou missen.

Daarom eindigt de misjna met het verhaal over de zonen van Rabban Gamliël die ’s avonds laat thuis komen van een feestje, en nog geen Sjema gezegd hebben en nu vragen aan hun vader of zij het nog mogen zeggen. Rabban Gamliël informeert hen, dat zij het nog kunnen zeggen, tot het eerste ochtendlicht, omdat ook de overige Geleerden ermee instemmen dat de tijd voor Sjema de hele nacht is, wanneer de mensen slapen, maar dat de beperking tot middernacht alleen ter veiligheid dient, maar dat ook zij ermee instemmen dat wie het nog niet gezegd heeft, dat alsnog mag zeggen, totdat de ochtend aanbreekt.

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
 

[11]  Sjema – Het Sjema bestaat uit drie aparte afdelingen van de Tora. De eerste is de afdeling die begint met Hoor, Israël (Deut. 6:4-9’; de tweede begint met  En het zal zijn dat wanneer je je zult luisteren (ibid 11:15:21); en de derde begint met En [Hasjem] zei (Num. 15:37-41).

[12] Kohaniem  – meervoud van kohen, priester, nakomelingen van Aharon.

[13] Mikwe – ritueel bad

[14] Toema – rituele onreinheid

[15] Troema – heffing, die alleen door de priesters en hun gezinnen in rituele reinheid gegeten mag worden.

[16] Dewariem – Deuteronomium

ô ô ô

DAF-Notities Berachot 4a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

„Zwaar is het hoofd dat de kroon draagt.”

„Bescherm mij,” smeekte Koning David tot Hasjem, „want ik ben een rechtvaardig mens.” (Tehilliem [1] 86:2).

David, zo verklaren onze Geleerden, vroeg G-d niet om een beloning voor zijn rechtvaardigheid. Maar hij vroeg om G-ddelijke bescherming, omdat hij zich anders gedroeg dan „alle andere koningen van oost en west, die met hun koninklijke hofhouding zitten in alle glorie,” terwijl hij zich bezighield met halachische aangelegenheden betreffende familie-reinheid.

De verhalen, waarmee wij bekend zijn, over de grote feesten en andere uitspattingen waar de koningen in oude tijden zich aan te buiten gingen, worden vaak opgevat als een uiting van koninklijke privileges en bronnen van vermaak. De commentator Ijoen Ja’akov wijst er echter op dat zulke feesten nodig waren om de druk van de koninklijke verantwoordelijkheid te verlichten en om zo de monarch te beschermen tegen depressies. Daar Koning David dergelijke feesten verachtte en zijn tijd daarentegen doorbracht met het geven van halachische beslissingen, deed hij een beroep op Hasjem om hem te beschermen tegen de gevaarlijke consequenties van spanning en stress, die hij niet kon afwentelen op de manier waarop andere koningen dat afwentelden, ten gevolge van zijn rechtvaardigheid.

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
 

[1] Psalmen

ô ô ô

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 301 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 2a  Vanaf hoe laat leest men het Sjema?

„Vanaf hoe laat leest men het Sjema in de avond?” Rebbi opent onze misjna met deze vraag. Wij vragen verder: vanaf hoe laat mag men ma’ariv dawwenen? Is er een verband tussen deze twee vragen en hoe reageerde de schrijver van Troemat HaDesjen op de gewoonte van oude gemeenschappen om ma’ariv te dawwenen terwijl het nog dag was? Dit artikel zal deze problemen bespreken en nog meer.

In het kort: onze misjna stelt vast dat de tijd voor keriat sjema begint met het zichtbaar worden van de sterren, terwijl de tijd voor ma’ariv  begint aan het einde van de tijd voor mincha, waarvoor twee verschillende meningen bestaan (hetgeen verder op daf 26a behandeld zal worden): volgens de Geleerden begint het na het invallen van de nacht en volgens Rabbi Jehoeda moet men mincha dawwenen vóór plag hamincha, ongeveer 1¼ uur  voor zonsondergang (en sommigen zeggen voor het zichtbaar worden van de sterren, zoals nog zal worden uitgelegd) en vanaf dat moment mag men ma’ariv dawwenen. De Gemara bespreekt deze twee meningen en komt tot de conclusie dat het niet beslist is: „Wie handelt volgens de een, die doet het goed en wie handelt volgens de ander, die doet het goed” – met andere woorden: iedereen mag doen zoals hij wil (zie Sjoelchan Aroech O.Ch. 233:1).

Alle leiders van de gneraties sedert het tijdperk van de Gaoniem hebben zich met dit fundamentele probleem bezig gehouden en wij hebben hier getracht iets van dat probleem samen te vatten.

Vanaf hoe laat dawwent men ma’ariv met keriat sjema en zijn berachot

Ma’ariv dat begint met het verschijnen van de sterren:  Wanneer wij deze vraag aan de Risjoniem hadden gesteld, die in Spanje woonden, dan zouden wij als antwoord gekregen hebben dat men „begint met het zichtbaar worden van de sterren.” Aldus getuigt HaRi Elbartzeloni (Sefer Ha’itim 25), Rabbeinoe Jona (Perek Tefilat HaSjachar), de Rasjba (27b en zie zijn opmerkingen hier, 2a) en anderen, dat in hun tijd de mensen gewoon waren om mincha te dawwenen tot de avond, dus in tegenstelling tot de mening van Rabbi Jehoeda, en pas daarna, na het invallen van de nacht zeiden zij het keriat Sjema van de avond. Zo was ook de gewoonte in het oosten, zoals lijkt uit de opmerkingen van Rav Hai Gaon (Responsa HaGeoniem, Sja’arei Tesjoewa 75).

Echter, wanneer wij naar het noorden gaan vinden wij een totaal andere discussie, die het gevolg is van de grotere lengte van de dag. Om dit nader te illustreren: in het Land Israël is de laatste zonsondergang om ongeveer 19.50 (18.50 windertijd), in Rome is dat 20.40, in Frankfurt om 21.40, in Antwerpen om ongeveer 22.00 en in Petersburg om 23.30 uur! Dan hoeven wij alleen nog op te merken dat men na zonsondergang nog moet wachten totdat de sterren zichbaar worden en de periode tussen zonsondergang en het verschijnen van de sterren wordt nog later, over­een­komstig de zonsondergang (er bestaat een traditie dat de Joodse leiders het decreet van de Tsaar verwelkomden, waarbij het de Joden verboden werd te wonen in Petersburg, wegens de grote halachische problemen die de lokale tijd veroorzaakte).

Ma’ariv voor het verschijnen van de sterren: Daarom vertellen de Chachamiem uit de Provence in zuid Frankrijk – de schrijver van HaEsjkol (Responsa 182), de auteur van HaMaor, de Ra’avad (TemiemDe’iem 118), de Hasjlama WehaMichtam en de Meïri (Magen Awot, injan 11) dat in hun streek zij gewend waren om ma’ariv  te dawwenen en keriat sjema te zeggen wanneer de zon laag boven de horizon stond. De auteur van HaEsjkol vermeldt dat deze gewoonte „een fout” is maar dat zij zo doen uit gebrek aan keuze omdat in het noorden de dagen in de zomer zoveel langer worden en de sterren pas heel laat zichtbaar worden, zodat de mensen, die wachten op ma’ariv weggaan en „ieder gaat naar huis, wordt lui of vergeet terug te komen op de tijd dat de sterren verschijnen en men zegt het dan helemaal niet meer” (HaMichtam). In de landen nog meer naar het noorden, zoals Frankrijk en Duitsland, duren de dagen erg lang in de zomer en daar was iedereen, zonder uitzondering gewend om ma’ariv te dawwenen voor het verschijnen van de sterren, zoals dat verteld wordt door Rasji (s.v. Ad sof) en Tosafot (s.v. MeEmatai).

Zijn de tijden voor ma’ariv en keriat sjema van elkaar afhankelijk? Er ontstonden twee essentieel verschillende meningen betreffende de noodzaak om ma’ariv te dawwenen voor het verschijnen van de sterren. Het eerste is een meningsverschil tussen Rabbeinoe Tam  en de andere Risjoniem. Volgens Rabbeinoe Tam zijn de tijden voor keriat sjema en ma’ariv van elkaar afhankelijk en daar de halacha beslist was dat men Rabbi Jehoeda mag volgen en ma’ariv mag dawwenen na plag hamincha, geldt hetzelfde voor de mitswa van keriat sjema. Daarom heeft volgens hem iemand die ma’ariv zegt terwijl het nog dag is, zijn plicht gedaan en die doet de mitswa van het avond-sjema. Zoals gezegd, zijn mening staat alleen en de meeste Risjoniem zijn het eens met zijn grootvader, Rasji (s.v. Ad sof), dat de mitswa van keriat sjema alleen gedaan kan worden na het verschijnen van de sterren en daarom moet diegene die ma’ariv gezegd heeft voor het verschijnen van de sterren nogmaals sjema zeggen na het verschijnen van de sterren (Tosafot Ri biedt een soort compromis tussen Rasji en Rabbeinoe Tam, dat men de tijd van sjema wat vroeger mag nemen, in overeenstemming met de Tanaïem in onze soegia op amoed beit, maar niet vanaf plag hamincha).

De leerlingen van Ramban die naar zuid Frankrijk kwamen: De Risjoniem hadden nog steeds geen overeenstemming bereikt of om iemand die ma’ariv dawwent, terwijl het nog dag is, de berachot van keriat sjema moet zeggen, keriat sjema en sjemonee esree of alleen sjemonee esree. De Meïri vertelt, dat toen de leerlingen van Ramban van Spanje naar zuid-Frankrijk kwamen, zij weigerden heel ma’ariv te dawwenen met de gemeente en dat zij alleen sjemonee esree dawwenden en dat zij keriat sjema met zijn berachot na het verschijnen van de sterren zeiden, want volgens sommige Risjoniem moet men de mitswa van keriat sjema niet scheiden van zijn berachot en daarom moet men wachten met de berachot van keriat sjema totdat men sjema ’s avonds zegt. Echter Rasji en andere Risjoniem zijn het daar niet mee eens en beweren dat het beter is om de birchot keriat sjema te verbinden met het dawwenen in het openbaar en dat men na het verschijnen van de sterren alleen sjema zelf zegt.

Ten slotte zegt de Sjoelchan Aroech en de Rama (O.Ch. 235:1) dat het de gewoonte is om ma’ariv te dawwenen na plag hamincha, maar langzaam aan, in de loop van de jaren is ma’ariv weer teruggekeerd naar zijn juiste tijd volgens alle meningen, zoals de Misjna Beaora vermeldt (ib. 12): „In onze tijd zijn de meeste mensen gewend om sjema te zeggen en te dawwenen na het verschijnen van de sterren, overeenkomstig de halacha,” hoewel er nog plaatsen zijn waar men nog volgens het oude systeem gaat. Blijft nog te vermelden, dat men geen ma’ariv mag dawwenen voor plag hamincha en wie dat toch doet heeft zijn plicht niet gedaan!