Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
Rosj Chodesj Adar II, 5765 Traktaat Berachot 6- 12 Nr. 79

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 302 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

ãó ä\à   îìîã ùëåìí ðúðå ìîùä îñéðé

Halacha overgeleverd van Mosjé van Sinaï

De Tien Geboden, de Geschreven Tora, de boeken van de Profeten en de Ketoeviem, de Misjna, de Babylonische Talmoed en al de halachot daarin werden allen „gegeven aan Mosjé op de berg Sinaï”. Rabbi Sjimon ben Lakish leert dit van het vers „…en Ik zal de Stenen Tafelen geven en de Tora en de geboden die Ik geschreven heb om  hen te onderrichten” (Sjemot 24:12).  „De Stenen Tafelen” dat zijn de Tien Geboden.  „Tora” is de Geschreven Tora.  „De geboden” betekent de Misjna. „Die Ik geschreven heb” dat zijn de boeken van de Profeten en de Ketoeviem.  „Om hen te onderrichten” betekent de Talmoed.  Rabbi Jehosjoea ben Levi voegt daaraan toe (Jeroesjalmi, Peia 2:4): „Zelfs wat een ijverige leerling beslist ten overstaan van zijn Rav werd reeds door Mosjé gezegd.”

Wat is Halacha leMosjé miSinaï Hoewel al de halachot die in de loop van de generaties ontdekt werden, reeds aan Mosjé gegeven waren, worden zij niet allemaal Halacha leMosjé miSinaï genoemd, maar alleen die halachot die generatie na generatie geaccepteerd werden, de ene rav van de ander tot Mosjé toe, die het hoorde uit de „mond” van Hasjem en het doorgaf aan de Joden.  Niet alleen dat, maar een halacha die een bron of aanwijzing in Tora heeft, of die uit Tora kan worden afgeleid met behulp van een van de 13 methoden waarmee de Tora geïnterpreteerd wordt, is geen Halacha leMosjé miSinaï.  Alleen een halacha die niet kan worden afgeleid op een of andere manier van een vers is Halacha leMosjé miSinaï (Rambam in het voorwoord tot zijn commentaar op de Misjna). Toch, zegt Rambam (commentaar op de Misjna, Soekka, eind hfd. 4) dat er een Halacha leMosjé miSinaï kan zijn die een „verborgen aanwijzing” in Tora heeft.

De status van een Halacha leMosjé miSinaï: Een Halacha leMosjé miSinaï heeft de status van een mitswa van de Tora en niet van een rabbijnse regeling (Jad Malachi, Kelalei HaRambam, ot 7). Daarom zeggen Chazal vaak over een  halacha dat het uit Tora afkomstig is, terwijl zij bedoelen dat het is overleverd van Mosjé van Sinaï (Soekka 43b; Ramban, Ketoebot 110b; ‘Eroevien 11b en in Rasji, ibid; Rasji, Menachot 39a, s.v. Kesjer).  Aan de andere kant, als de halacha was overgeleverd van de een op de ander, wordt hij soms Divrei Soferiem genoemd (Tosefta, Mikwaot, hfd. 5, en Jeroesjalmi, Sanhedrin 11:4, Pnei Mosjé, ibid; en zo wordt verklaard in Rambams commentaar op de Misjna, Kelim 17:12 en Mikwaot 6:7).

Rambam: De Tanaïem hebben geen meningsverschil over een Halacha leMosjé miSinaïIn één van zijn meest bekende regels beweert Rambam (in het voorwoord tot zijn commentaar op de Misjna en in Hilchot Mamriem, 1:3) dat er nooit een meningsverschil kan zijn tussen de Tanaïem over een Halacha leMosjé miSinaï: „Er is nooit een  meningsverschil over dingen die overgeleverd werden en overal waar je een meningsverschil vindt, was het niet overgeleverd van Mosjé.”  Echter, de Tosafot zijn het kennelijk niet eens met Rambam (Menachot 92b, s.v. Girsa be’alma) als zij verklaren dat een bepaald meningsvershil tussen de Tanaïem een meningsverschil betreft over een halacha die overgeleverd werd van Mosjé van Sinaï.

HaGaon Rabbi Jaïr Bachrach zt”l bespreekt dit onderwerp uitvoerig (Responsa Chavot Jaïr, 192) en hij citeert vele plaatsen in de Talmoed waar de Tanaïem van mening verschillen over een Halacha leMosjé miSinaï, zodat een vraag ontstaat over Rambam, die een solide regel geeft dat er geen meningsverschil kan zijn over een halacha die werd overgeleverd van Mosjé van Sinaï. Het zou kunnen, zegt de Chavot Jaïr, dat Rambam bedoelt dat wanneer de Tana expliciet leert dat een halacha een Halacha leMosjé miSinaï is, hij die traditie van zijn rebbes heeft geleerd en dat die werd overgeleverd van Mosjé van Sinaï, niemand daarover met hem van mening verschilt. Maar soms gebeurt het dat degene die de halacha vertelt, er niet bij vermeldt dat het een Halacha leMosjé miSinaï  is en daarom zijn sommigen het niet met hem eens en alleen diegenen die de Gemara samengesteld hebben, hebben onthuld dat de Tana niet op eigen gezag gesproken heeft, maar een halacha leerde die was overgeleverd van Mosjé van Sinaï.

„Wanneer het een halacha is, dan accepteren wij het, maar als het een din is, is er een probleem”: Dat kan de reden zijn dat de Tosafot het helemaal niet eens zijn met Rambam, want bij dat meningsverschil zegt niemand van de Tanaïem tegen de anderen dat hij die halacha gehoord heeft van zijn rav die het heeft overgeleverd gekregen van Mosjé van Sinaï en daarom zijn zij het niet met hem eens. Dit is de verklaring van de uitspraak van Chazal (Jewamot 76b, Kritot 15b): „als het een halacha is, dan accepteren wij het, maar als het een din is (het kan bedis­cusi­eerd worden), dan is er een probleem.” Met andere woorden, wanneer je een halacha hebt die is overgeleverd van van Mosjé van Sinaï, dan hebben wij er geen probleem mee, maar als je zegt dat het een din is, gebaseerd op jouw mening, dan zijn wij het er niet mee eens (zie ibid voor meer mogelijkheden die hij suggereert over dit onderwerp).

Aan de andere kant suggereert de Maharats Chajot een andere benadering (Torat Hasneviïem, Maämar Tora Sjebe’al Pee). Volgens hem bedoelt Rambam dat er geen meningsverschil kan zijn, zo, dat een Tana een halacha zegt (welke een Halacha leMosjé miSinaï is) terwijl zijn collega het daar niet mee eens is en zegt dat er niet zo’n halacha bestaat. Maar dat het zeker mogelijk is dat Tanaïem van mening verschillen over de details van een halacha, waar beiden het hebben geleerd van hun rebbes maar dat de details verschillen.

De halacha werd aan Mosjé gegeven en de details aan Chazal:  Niet alleen dat, schrijft hij, maar soms werd de hoofdzaak van een halacha aan Mosjé gegeven met de bedoeling dat de chachamiem van de generaties, die daar­voor waardig bevonden worden, de details zullen vastleggen en de meningsverschillen in de Talmoed betref­fen dan dergelijke gevallen, zoals de hoeveelheden van een kezajit, kebeitsa, enz. Die werden gegeven aan Mosjé op Sinaï maar Chazal stelden vast waar de gegeven hoeveelheden van toepassing zijn, overeenkomstig hun redene­ring (zie Maharatz Chajot, Joma 81).

ô     ô  ô

BERACHOT 7a

De daf van vandaag begint met een serie uitpraken, gedaan door Rabbi Jochanan, in naam van Rabbi Josee. De eerste: Rabbi Jochanan heeft gezegd in naam van Rabbi Josee: Hoe weten wij dat de Heilige, gezegend is Hij, bidt? Omdat er geschreven staat [Jesjajahoe 56:7]: Ik zal hen naar Mijn heilige berg brengen en hen blij maken in het Huis van Mijn gebed. [De Hebreeuwse woorden beit tefillati worden gewoonlijk vertaald met Mijn gebedshuis maar letterlijk vertaald staat er het huis van Mijn gebed]. Er staat niet „het huis van hun gebed,” maar „het huis van Mijn gebed.” Zodoende weten wij dat de Heilige, gezegend is Hij, bidt. [Dit is een raadselachtige uitspraak en wordt uitgebreid bediscussiëerd  door de commentatoren. Ben Jehojada brengt het probleem als volgt onder woorden: Wat is de noodzaak van dit gebed? Hij bidt ten slotte tot Zichzelf! De inhoudt van Zijn gebed drukt Zijn wensen uit, maar Hij kan toch op ieder moment alles doen wat Hij wil? Wie staat er boven hem? R. Saädia Gaon legt uit dat de Gemara niet bedoelt te zeggen dat G-d bidt, maar dat G-d toont hoe wij moeten bidden. Dus deze uitspraak komt overeen met de bekende Gemara in Rosj Hasjana 17b, waar verteld wordt hoe G-d Zich als het ware in een talliet wikkelde en Mosjé de Dertien Attributen toonde.]

[Rasjba citeert een soortgelijke verklaring van Rav Hai Gaon: De mens werd geschapen met een vrije wil zodat hij deugdzaamheid kon kiezen boven ondeugd en zodat G-d hem kan belonen met talloze zegeningen. Het is de wens van G-d om de mens met Zijn gulheid te besproeien, maar beloning en straf worden bepaald door onze daden. Dus G-d vraagt van ons – bidt als het ware – dat wij ons gedrag verbeteren zodat wij Zijn gunsten waard zijn. En inderdaad zijn er vele verzen in de Bijbel waarin G-d tot het Joodse volk spreekt op de meest verzoenende toon en hen smeekt dat zij hun gedrag verbeteren, alsof hun gedrag Hem op een of andere manier voordeel zou brengen. In werkelijkheid heeft G-d zelf geen enkel voor- of nadeel van de manier waarop wij ons gedragen, zodat Hij Zijn gunsten aan ons kan bewijzen wanneer Hij dat wil. In deze zelfde zin zegt de Midrasj: zolang als de Joden de wil van de Alomtegenwoordige doen, is het alsof zij meer macht toevoegen aan het Hemelse gerechtshof, namelijk de macht om gunsten aan de mens te bewijzen (Eicha Rabba 1:33).]

De Gemara vraagt: Wat bidt Hij? Rav Zoetra bar Tovia  antwoordde in naam van Rav: moge het Mijn wil zijn dat Mijn genade Mijn boosheid overwint en dat Mijn genade Mijn strenge attributen overwint en dat Ik Mij ten opzichte van Mijn kinderen gedraag met de eigenschap van genade en dat Ik, om hunner wille, buiten de grenzen van de rechtspraak treedt. [G-d pleit bij ons dat wij ons gedrag verbeteren, zodat wij Zijn genade verdienen. G-d wil ons voortdurend genade betonen, maar onze zonden belemmeren dat vaak (Rasjba).]

De Gemara citeert een Baraita met een bijna identiek gebed: Er wordt verteld in een Baraita: Rabbi Jisjmaël ben Elisja vertelde: Eens, op Jom Kippoer [R. Jisjmaël was Kohen Gadol – Hoge Priester] ging ik het Heiligste der Heiligen binnen om reukwerk te verbranden en daar zag ik Hasjem Tsewaot, zittend op een hoog verheven troon en G-d zei tegen mij: Jisjmaël Mijn zoon, zegen Mij [dat wil zeggen, dat G-d vroeg: wanneer jij voor het Joodse volk pleit, beschouw Ik dat alsof jij Mij zegent (Ben Jehojada)]. Ik zei tegen Hem: „Moge het Uw wil zijn dat Uw genade uw boosheid overwint en dat Uw genade het wint van uw strenge eigenschappen en dat U zich tegenover Uw kinderen gedraagt met de eigenschap van de genade en dat U, ter wille van hen, buiten de grenzen van het recht treedt.” Daarna knikte Hij met Zijn hoofd als bewijs van instemming. [R. Saädia Gaon zegt dat R. Jisjmaël niet werkelijk G-d zelf zag of een afbeelding van G-d, want dat kan niemand zien, maar dat hij een groot, glorieus licht zag, het licht van G-ds eerste schepping. Het doel van dit licht was om de profeet of de heilige persoon die het ziet, te overtuigen, dat de boodschap die hij hoort, van G-d Zelf afkomstig is. Iedere profeet die gezegd heeft: „Ik heb Hasjem gezien,” bedoelde te zeggen: ik zag een allegorisch symbool van Hasjem.]

Rabbi Jisjmaël komt ons hiermee leren dat de zegen van een gewoon mens nimmer onbelangrijk mag lijken in onze ogen, want zelfs G-d verzocht R. Jisjmaël om een zegen.

Een andere uitspraak van R. Jochanan in naam van R. Josee: Hoe weten wij dat men geen pogingen moet doen om iemand op het moment van zijn woede tot bedaren te brengen? Omdat er geschreven staat [Sjemot 33:14]: Mijn gezicht zal voorbijgaan en Ik zal je rust geven. Dit betekent dat de Heilige, gezegens is Hij, tegen Mosjé zei: Wacht totdat Mijn boos gezicht voorbij is, dan zal Ik je rust geven. [Met andere woorden: pas als mijn woede voorbij is, zul je rust krijgen. Hiermee leerde Hasjem Mosjé hoe hij zich moest gedragen als iemand woedend en opgewonden is. Iemand proberen te kalmeren die zo opgewonden en kwaad is, heeft geen zin, men zou hem hoogstens nog kwader kunnen maken.]

De Gemara vraagt: Wordt de Heilige, gezegend is Hij, dan wel eens kwaad? Ja, er wordt immers geleerd in een Baraita: G-d wordt iedere dag kwaad. En hoe lang duurt Zijn boosheid? Eén moment. En hoelang duurt een moment? 1/58.888ste deel van een uur 1/16 deel van een seconde. Rabbeinoe Tam citeert een Tosefta die zegt dat een moment ongeveer een ¼ seconde duurt], maar niemand kan vaststellen wanneer dit moment precies plaatsvindt, met uitzondering van Bil’am de booswicht. Want over hem staat er geschreven [Bamidbar 24:16]: degene die de gedachten van de Allerhoogste kent. Nu zal men wellicht vragen: hoe kan dat nou, hij kende niet eens de gedachten van zijn ezeltje, zou hij dan wel de gedachten van de Allerhoogste kennen? [De Gemara bedoelt hier de dialoog tussen Bil’am en zijn ezeltje, zoals die in Traktaat Sanhedrin 105 vermeld staat: Op weg naar Moav zagen de Maoabitische afgezanten dat Bil’am problemen had met zijn obstinate ezelin, dus vroegen zij hem waarom hij niet op een paard reed, een meer gehoorzaam dier. Bil’am antwoordde dat hij zijn paarden had weggezonden om te grazen. Daarop begon de ezel te praten en zei, zodat alle Moabiten het konden horen:

– „Ben ik niet je ezelin (die je altijd gebruikt)…”

– Bil’am onderbrak haar: „Alleen om lasten te vervoeren.”

– De ezel vervolgde: „…om op te rijden…”

– Bil’am: „Slechts een enkele keer”

– „… je hele leven tot vandaag toe. En niet alleen dat, maar ’s nacht slaap je met mij.”

Hier had Bil’am geen antwoord op.

Dus de ezel won het van Bil’am. Hoe kon hij dan kennis hebben van de gedachten van de Allerhoogste en weten hoe hij die gedachten kon manipuleren, zodat G-d hem zou toestaan om het Joodse volk te vervloeken, als hij niet eens de gedachten van zijn eigen ezelin kon manipuleren!?]

Echter, dit vers leert ons dat hij het exacte moment kende waarop G-d kwaad wordt en wan­neer Bil’am op dat moment het Joodse volk zou vervloeken, zou zijn vloek effect hebben. Hierover zegt de profeet Micha [Micha 6:5]: Mijn volk, herinner jullie toch de snode plannen die Balak, Koning van Moav, smeedde en wat Bil’am hem antwoordde: realiseert u zich de goedwillendheid van Hasjem. Wat betekent „de goedwillendheid van Hasjem”? Rabbi Elazar antwoordde: De Heilige, gezegend is Hij, zei tegen Israël: „Realiseren jullie je wel hoeveel gunsten Ik jullie bewezen heb, toen ik in de dagen van de kwade Bil’am in het geheel niet kwaad ben geworden, want als Ik wel kwaad was geworden, dan zou er niets zijn over gebleven van de vijanden van Israël [een eufemisme voor Israël]”. En dit is de betekenis van wat Bil’am zei tegen Balak [Bamidbar 23:8]: Hoe kan ik vloeken? G-d heeft niet gevloekt. En hoe kan ik kwaad maken? Hasjem is niet kwaad geworden. Hiervan leren wij dat Hasjem al die dagen niet kwaad is geworden.

(Zwi Goldberg)

 

Daf 7b

De naamgeving van Re’oeween

(Door Rabbi Moishe Kimmelman)

R. Elazar vertelt ons dat Lea haar eerstgeboren zoon Re’oeween (Ruben) noemde omdat zij zinspeelde op het verschil dat er bestond tussen hem en haar zwager Esav:

„Kijk naar het verschil tussen mijn zoon (Re’oebein) en de zoon van mijn schoonvader,” zei zij. „Esav heeft mijn echtgenoot nimmer vergeven dat hij de berachot, die Esav hem verkocht had, heeft aangenomen, terwijl mijn zoon, die zijn berachot ongewild verliezen zal aan Joseef, desondanks zal trachten het leven van Joseef te redden.”

Maar waarom ziet R. Elazar het noodzakelijk om zijn eigen verklaring te geven voor Re’oeweens naam, wanneer de passoek expliciet een andere reden vertelt waarom Lea hem zo noemde: „Want Hasjem heeft mijn lijden gezien [ra’a… beänji] en nu zal mijn man mij beminnen” [Bereisjiet 29:32]?

De Pnei Jehosjoea draait de vraag echter om. Het is duidelijk dat de reden die R. Elazar geeft veel dichter bij de naam Re’oeween komt dat de reden die de passoek geeft. Dat is de reden waarom Elazar meent dat de passoek ons niet de ware reden vertelt waarom Lea hem die naam gaf. Maar dan kunnen wij vragen, waarom vertelt de passoek ons dan niet de reden die R. Elazar geeft?

De Pnei Jehosjoea geeft dan een antwoord dat hij gehoord heeft van een Gadol:

Lea was geschokt dat Ja’akov van Rachel hield en niet van haar en toen zij Ja’akovs eerstgeboren zoon kreeg, koesterde ze de hoop dat Ja’akov nu ook van haar zou gaan houden. Maar als zij hem zou vertellen wat de ware reden was dat zij haar zoon Re’oeween noemde, namelijk dat hij, in tegenstelling tot Esav, geen wrok zou koesteren tegen Joseef, dan zou zij daarmee onthullen door haar roeach hakodesj dat Rachel tenslotte een zoon, Joseef, zou krijgen. En dan zou Ja’akov geen speciale reden meer hebben om van Lea te houden omdat zij hem een zoon gegeven had. Daarom hield zij de details van de werkelijke reden voor zich en gaf een enigszins andere verklaring.

 

Daf 8a

De Bron van de Jeugd

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Toen aan Rabbi Jochanan, die in Erets Jisraël leerde, verteld werd dat er Joden in Babylon waren die zeer oud werden, was hij zeer verbaasd. In de belofte van Tora voor een lang leven, als beloning voor wie de mitswot van Hasjem naleeft, wordt ons verteld dat dit is „om je dagen en de dagen van je kinderen te vermeerderen in het land dat Hasjem je voorvaderen gezworen heeft” (Dewariem 11:21). Wanneer een lang leven afhankelijk is van het wonen in het Land Israël, hoe kan men zo’n lang leven dan ook ergens anders bereiken, vraagt Rabbi Jochanan.

Pas nadat hij nadere informatie verkregen had over het gedrag van deze oude Babylonische joden en vernomen had dat zij vroeg naar de synagoge kwamen en daar tot laat bleven, was het mysterie opgelost. Het is deze verdienste van synagoge bezoek, concludeerde Rabbi Jochanan, die hen in staat stelde om zo lang te leven.

De oplossing is echter zelf raadselachtig. Als het wonen in het Land Israël kennelijk een onvervangbare vereiste voor een lang leven is, hoe kan bezoek aan de synagoge daar dan een substituut voor zijn?

„De synagogen en huizen van Tora-studie buiten Israël,” zeggen onze Geleerden (Megilla 29a), „zullen in de toe­komst gevestigd worden in het Land Israël.”

De grond waarop een synagoge staat, legt de Kli Jakar uit in zijn commentaar op de Choemasj, is in zekere zin extra-territoriaal gebied van het Land Israël. Door regelmatig naar de synagoge te gaan in Babylon, brachten deze Joden een belangrijk deel van hun leven door op grond die de heiligheid bezat van het Land Israël en daarom verkregen zij het recht op de zegen van een lang leven, dat bedoeld was voor diegenen die in het Heilige Land wonen.

 

Daf 9b

De eerste twee hoofdstukken van Tehiliem zijn eigenlijk één Psalm.

Door: Rabbi M. Kornfeld, Rosj Kollel Iyun HaDaf

De Gemara zegt dat de eerste twee hoofdstukken (d.w.z. de eerste twee Psalmen) van Tehiliem oorspronkelijk één enkel hoofdstuk vormden. Waarom werden zij dan later verdeeld in twee hoofdstukken?

De MAHARSJA legt uit dat, zoals de Gemara zegt, de achttien berachot van de Sjemonee Esree oorspronkelijk correspondeerden met de eerste achttien hoofdstukken van Tehiliem. Toen daar later een negentiende beracha aan werd toegevoegd (de beracha tegen verraders en lasteraars; zie de Gemara verderop, 28b), werd het eerste hoofdstuk in tweeën verdeeld, zodat de negentien berachot van de Sjemonee Esree nog steeds zouden overeen­komen met de eerste negentien hoofdstukken van Tehiliem.

 

Daf 10a

Een gebed voor de val van de booswicht

Door: Rabbi M. Kornfeld, Rosj Kollel Iyun HaDaf

De Gemara hier (en aan het eind van 9b) zegt dat David haMelech de lof zong op Hasjem toen hij getuige was van de val van de booswicht.

De Gemara in Sanhedrin (39b) zegt dat Hasjem zich niet verheugt en dat de engelen niet Zijn lof zingen, wanneer de schepselen van Hasjem verloren gaan. Waarom verheugde David haMelech zich dan en zong hij de lof toen de schepselen van Hasjem gedood werden?

Antwoord

De Gemara in Sanhedrin zegt dat Hasjem zich niet verheugt, maar wij mogen ons wel verheugen. Dat is de reden dat David haMelech blij was en een loflied zong toen hij de val zag van de booswicht. Echter, waarom mogen wij wel blij zijn als Hasjem dat niet is?

In Jechezkel (18:23) lezen wij: „‘Zou Ik de dood van een slecht mens wensen?’ vraagt Hasjem. ‘Het is de terugkomst van het slechte pad van de slechte mens dat Ik wens, opdat hij zal leven!’” Hasjem geeft er dus de voorkeur aan dat iemand berouw toont en zijn leven verbetert, dan dat Hij ziet hoe hij vernietigd wordt door zijn zonden. Dus wanneer de tijd gekomen is om de boosdoener te straffen, is dat geen gelegenheid voor Hasjem om zich daarover te verheugen. Maar voor diegenen die bedreigd werden door de boosdoener en die zich daar nu van bevrijd weten, is het gepast verheugd te zijn. Men wordt zeker verwacht zijn dank uit te spreken aan Hasjem voor Diens weldadigheid.

De Maharsja echter citeert een Midrasj die dit schijnt tegen te spreken. De Midrasj zegt dat wij heel Hallel alleen op de eerst dag van Pesach zeggen en niet op de zeven overige dagen van het feest, omdat de Egyptena­ren op de zevende dag verdronken in de zee. Hasjem zei: „Hoewel zij mijn vijanden waren, heb Ik in Mijn Schrift (Misjlei 24:17) geschreven: ‘Verheug je niet over de val van je vijand’” (Jalkoet Sjim’oni, Misjlei eind 2:960; Pesikta d’Rav Kahana, eind nr. 29). Volgens deze Midrasj moeten wij ons onthouden van het vertoon van vreugde over de val van de Egyptenaren, ook al werden wij daarmee uit hun handen gered! Hoe kan dan, zo vraagt de Maharsja, dit in oveeenstemming gebracht worden met de bewering van de Gemara die hierboven werd aangehaald, dat Hasjem verwacht dat anderen zich wel verheugen als de booswichten vernietigd worden? De Maharsja geeft hier geen antwoord op en in Sanhedrin suggereert hij twee oplossingen, die allebei nogal moeilijk te verenigen zijn met de woorden van de Midrasj.

Misschien mogen wij een eenvoudig antwoord voorstellen op de vraag van de Maharsja. Er is een fundamen­teel verschil tussen anderen lofliederen en Hallel. In Hallel herhalen wij het vers: „Loof Hasjem, want het is goed [in Zijn ogen om zo te doen], want zijn genade is voor eeuwig.” De woorden „want het is goed” vormen precies de uitdrukking waarvan de Gemara zegt dat die moet worden weggelaten wanneer de gebeurtenis niet goed is in de ogen van Hasjem, want deze woorden impliceren dat Hasjem blij is met wat er gebeurd is (Rasji op Megilla 10b). Misschien bedoelt de Midrasj dat de specifieke lof van Hallel, met zijn implicatie van de G-ddelijke voldoening, een ongeschikte vorm van lofuiting is voor deze gelegenheid. Maar andere lofuitingen, die niet zo’n implicatie hebben, zijn wel geschikt, daar Hasjem verwacht dat de begunstigden zich verheugen over de ondergang van de boos­wicht, zoals hierboven gesteld werd.