Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
2-8 Adar II, 5765 Traktaat Berachot 13- 19 Nr. 80

[Alles wat tussen rechte teksthaken staat, is afkomstig van de vertaler en samensteller van dit blad en behoort niet tot de verantwoording van de schrijvers van de artikelen.]

Berachot 13a

Als men Awraham Awinoe ‘Awram’ noemt

Door: Rabbi Moishe Kimelman

Bar Kappara citeert een Baraita waarin de Tanna Kamma zegt dat ieder die Awraham Awinoe bij zijn vroegere naam Awram noemt, het gebod „je naam zal Awraham zijn” [Bereisjiet 7:5] overtreedt. Rabbi Eliëzer daarentegen zegt dat die persoon ook een verbod overtreden heeft, want het begin van dat vers zegt: „Voortaan zal jouw naam niet meer Awram genoemd worden.”

Een aantal commentatoren vragen zich verwonderd af waarom deze mitswot niet genoemd worden in de lijst van 613 mitswot [ge- en verboden] van de Rambam. Het lijkt erop dat de Maharsja de eerste is die deze vraag opwerpt, maar hij geeft er geen antwoord op.

De Nimoekei Hagriv suggereert dat de reden waarom deze mitswot niet meegeteld worden, is om wat de Gemara in traktaat Sanhedrin (9a) zegt. De Gemara zegt daar dat iedere mitswa die vóór Mattan Tora [de ontvangst van Tora op Sinaï] gegeven was en die daarna niet herhaald werd, alleen voor de Israëlieten geldt en niet voor Bnei Noach. Het enige voorbeeld daarvan, zo gaat de Gemara verder, is volgens Rabbi Jehoeda, het geval van de gid hanasee [de verwrongen spier]. Dat wil zeggen dat R. Jehoeda, in tegenstelling tot de Rabbanan, van mening is, dat de pasoek die de consumptie van de gid hanasee verbiedt, tegen Ja’akov en zijn zonen gezegd werd. Niettemin, hoewel dat verbod gegeven werd voordat de Tora gegeven werd, geldt het na Mattan Tora alleen voor Bnei Jisraël. Maar waarom noemt de Gemara daar niet ook de mitswa, om Awraham Awinoe niet meer Awram te noemen, want daar zijn zelfs de Rabbanan het mee eens? Volgens iedereen was deze mitswa gegeven vóór Mattan Tora, en dus zou die ook alleen moeten gelden voor Bnei Jisraël.

Wij moeten antwoorden dat de Gemara in Sanhedrin meent dat de pasoek niet bedoelt te zeggen dat het een awera [overtreding] is om Awraham ‘Awram’ te noemen, maar dat de pasoek ons alleen maar vertelt dat zijn naam permanent veranderd is. Dus wij moeten de pasoek lezen alsof er staat: „Je naam zal niet meer Awram zijn” en niet „voortaan zal jouw naam niet meer Awram genoemd worden.”

De Rambam moet begrepen hebben dat de halacha het standpunt van de Gemara in Sanhedrin volgt en daarom laat hij de mitswa om alleen over ‘Awraham’ te spreken, weg.

De Maharats Chajot schrijft dat er helemaal geen probleem is. In het derde hoofdstuk van Mo’eed Katan in de Jeroe­sjalmi staat dat wij geen halachot kunnen afleiden van psoekiem die betrekking hebben op wat vóór Mattan Tora gebeurde. De Rambam in zijn Commentaar op de Misjna schrijft dat wanneer de Rabbanan zeggen dat de pasoek de gid hanasee verbiedt op Har Sinaï gezegd werd, dan bedoelen zij daarmee, dat hoewel het in werkelijkheid al daarvoor gezegd kan zijn, de chijoev [de verplichting] van deze mitswa pas van kracht werd op Sinaï. Wij zien daarom dat de Rambam het eens is met de Jeroesjalmi,  want hij geeft verklaringen die in de Babylonische Talmoed voorkomen, overeenkomstig de regel dat alles wat vóór Mattan Tora gezegd werd, geen kracht van Halacha heeft.

Het is daarom best te begrijpen waarom de Rambam de pasoek die verbiedt om Awraham Awinoe ‘Awram’ te noemen, niet heeft opgenoemen als één van de mitswot.

ô ô ô

Berachot 14b

Wat komt het eerst?

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Wat bepaalt de volgorde van de drie paragrafen van Sjema?

Het kan niet de volgorde zijn waarin zij in Tora voorkomen, want de paragraaf die wij als derde zeggen – „Wajjomer” (Bamidbar 15:37) – komt in Tora vóór de paragraaf die wij het eerst zeggen – „Sjema” (Dewariem 6:4) en ook vóór de tweede paragraaf  – „Wehaja” (Dewariem 11:13).

In de afdeling van de Talmoed die wij deze week lezen, worden twee verschillende verklaringen gegeven. Rabbi Jehosjoea ben Korcha geeft het volgende antwoord: Sjema is een manier waarop men zijn loyaliteit en onder­geschiktheid aan het Koninkrijk van de Hemel tot uitdrukking brengt en daarom moet dat vóór Wehaja gezegd worden, waarin men zich verplicht de geboden van Hasjem op te volgen. Wehaja bevat het gebod om Tora te leren, een verplichting die dag en nacht geldt voor iedere Jood. Daarom zeggen we Wehaja vóór Wajjomer, dat gaat over het gebod van de tsietsiet, die alleen overdag gedragen hoeven te worden.

Rabbi Sjim’on bar Jochai geeft nog een andere verklaring. In de eerste paragraaf van Sjema komt het gebod van Tora-studie voor, om het aan anderen te onderwijzen en om mitswot te doen (tefillien  te leggen en mezoezot te bevestigen). Daarna komt Wehaja want ook daarin komt het gebod van Tora-studie voor en om mitswot te doen. Wajjomer komt het laatst, omdat daar alleen het gebod voor het dragen van tsietsiet in voor­komt, maar daarin wordt geen melding gemaakt van het gebod om Tora te studeren of te onderwijzen.

Tosafot wijst erop dat zonder deze verklaringen zouden wij tot de conclusie zijn gekomen, dat, aangezien wij bij het lezen van Sjema niet de volgorde aanhouden waarin de drie paragrafen in Tora voorkomen, het logischer zou zijn om eerst Wehaja te zeggen, hetgeen in het meervoud staat, en daarna Sjema, dat in het enkelvoud staat.

ô ô ô

Berachot 16a

De kracht van de gewoonte

Door Kollel Iyun Hadaf, Jeruzalem

Een Tanna leerde voor Rabbi Jochanan: Wanneer iemand  bezig was met het zeggen van Sjema en hij vergat wat hij gelezen heeft, maar hij herinnert zich dat hij Lema’an Jirboe enz. [het laatste vers van de tweede paragraaf van Sjema] gezegd heeft, dan hoeft hij niet terug te gaan naar een eerder punt in Sjema. Want wij veronderstellen dat de „gewoonte vat op hem gekregen heeft”  en dat hij niets heeft overgeslagen [Dat wil zeggen: iemand heeft gedachten­loos Sjema gezegd en nu weet hij niet meer of hij alles gezegd heeft, maar hij herinnert zich dat hij Lema’an Jirboe enz. gezegd heeft].

Rasji legt uit dat van Lema’an Jirboe tot het einde van Sjema de woorden ‘makkelijk uit iemands mond stromen’. Daarom, wanneer iemand weet dat hij Lema’an Jirboe gezegd heeft, maar hij herinnert zich niet met zekerheid of hij de woorden daarna, tot waar hij gestopt is, gezegd heeft, dan veronderstellen wij dat „de gewoonte vat op hem heeft gekregen” en hij hoeft niet terug te gaan naar Lema’an Jirboe.

De Rasjba is het niet eens met Rasji. Volgens Rasji, wanneer iemand leest in het midden van een van de eerste twee paragrafen van Sjema en hij stopt ergens in het midden en hij weet niet meer of hij alles gezegd heeft tot het punt waar hij gestopt is, dan moet hij teruggaan naar het begin van de paragraaf waar hij gestopt is, want deze eerste twee paragrafen komen niet vlot uit iemands mond. De Rasjba zegt dat ook deze verzen zeker vlot uit iemands mond komen, want men kent die eerste twee paragrafen net zo goed, zo niet beter, als de laatste paragraaf!

De Rasjba meent daarom dat als iemand in het midden is van een van de drie paragrafen van Sjema en zich niet meer herinnert of hij alles gezegd heeft tot aan het punt waar hij gestopt is, hij niet hoeft terug te keren naar het begin van die paragraaf, want we veronderstellen dat hij het correct gezegd heeft.

De Gemara heeft het hier over een andere situatie, namelijk een geval waarin men zojuist de woorden: „Oechtavtam ‘al mezoezot beitecha oewiesjearecha” gezegd heeft, maar hij weet niet meer of hij dat vers uit de eerste of uit de tweede paragraaf gezegd heeft [dat vers komt namelijk in beide paragrafen voor in precies dezelfde bewoordingen]. Normaliter zou hij terug moeten gaan naar het begin van de eerste paragraaf, maar als hij weet dat hij, uit gewoonte, zojuist de woorden Lema’an jirboe gezegd heeft, die komen na het vers Oechtavtam enz.,” dan veronderstellen wij dat hij gestopt is aan het einde van de tweede paragraaf en dan mag hij van daar verder gaan.

De Sjoelchan Aroech (O.Ch. 64:4) beslist overeenkomstig de Rasjba.

 ô ô ô

Berachot 16b-17a

Gebeden van onze Geleerden

Door Zwi Goldberg, op basis van Daf-Notities van Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach en Rabbi M.Kornfeld van Kollel Iyun Hadaf en andere bronnen

Wat is de bron van de tekst van de gebeden die wij zeggen? De beracha die wij zeggen, wanneer wij ’s ochtends opstaan, de berachot van de Sjemonee Esree, die wij vóór en na Sjema zeggen en die welke vóór en na de Psoekei Dezimra gezegd worden, zijn allen scheppingen van de Profeten en Geleerden, de leden van de Grote Vergadering. Vele van onze gebeden komen ook uit Tehilliem en uit andere delen van Tenach.

In de afdeling van deze week lezen we in de Talmoed nog een andere bron voor onze gebeden – de per­soonlijke gebeden, die sommigen van de Geleerden gewoon waren te zeggen aan het einde van de Sjemonee Esree.

Wanneer Rabbi Jochanan, zijn Sjemonee Esree beëindigd had, was hij gewoon om te zeggen: „Moge het Uw wil zijn, Hasjem onze G-d, dat U onze schaamte ziet[1] en onze benarde situatie aanschouwt en Uzelf kleedt in Uw attribuut van genade en dat U Zich bedekt met [Uw attribuut van] kracht en Uzelf omhult in [Uw attribuut van] liefde en Uzelf omgordt met Uw goedgunstigheid.”

Waarom vroeg Rabbi Jochanan naast genade ook om kracht? Kracht wordt doorgaans geassocieerd met de attribuut van de strenge gerechtigheid, het tegenovergestelde van genade!

De Tselach legt uit dat de woorden ‘dat U Zich bedekt met kracht’ in werkelijkheid betekent: ‘en bedek Uw kracht’. Rabbi Jochanan bad tot Hasjem dat Hij zijn attribuut van kracht, dat is de strikte rechtspraak, zou bedekken en zich dus alleen maar genadig zou gedragen.

Rabbi Mordecai Kornfeld, Rosj Kollel van Iyun HaDaf, voegt daar de volgende verklaring aan toe: Rabbi Jochanan bad tot Hasjem om Zijn kracht te activeren en om Zijn attribuut van de strenge rechtspraak te onderdrukken, zoals de Misjna in Awot (4:1) zegt: „Wie is sterk? Hij die zijn verlangens kan onderdrukken.” Rabbi Jochanan bad tot Hasjem dat Hij Zijn verlangen naar strenge rechtspraak met kracht zou onderdrukken om zo alleen Zijn eigenschap van genade te laten werken.

De Maharsja geeft nog een andere verklaring: dat Hasjem Zijn kracht gebruikt tegen de afgodendienaren, die het de Joden moeilijk maken.

Op de Sjabbat voor Rosj Chodesj, wanneer wij vóór moessaf een gebed zeggen voor de nieuwe maand [Birkat HachodesjRosj Chodesj bensjen], herhalen wij de woorden die de Geleerde Rav gewoon was elke dag na zijn Sjemonee Esree te zeggen: „Moge het Uw wil zijn, Hasjem onze G-d, dat U ons een lang leven geeft, een leven van vrede, een leven van voorspoed, een leven van zegen, een leven van parnasa [levensonderhoud], een leven van lichamelijk welbevinden, een leven waarin geen vrees voor zonde bestaat [dat wil zeggen: vrees voor de zonde zelf, niet voor de straf], een leven zonder schaamte of ver­ne­dering, een leven van welvaart en eer, een leven waarin wij liefde hebben voor Tora en de vrees voor de Hemel, een leven waarin U al onze hartewensen ten goede vervult”[2] [het gebeurt wel dat iemand iets wenst voor zichzelf, wat hij in zijn onwetendheid als iets goeds beschouwt maar dat in werkelijkheid slecht voor hem is. Rav bad, dat Hasjem alleen die wensen honoreert waarvan Hij weet dat zij goed voor ons zijn].

Het gebed dat Rabbi Jehoeda HaNasi (Rebbi) gewoon was te zeggen en waarin hij om G-ddelijke bescher­ming vroeg tegen allerlei arrogante en gevaarlijke mensen, werd een onderdeel van onze ochtendgebeden, die gezegd worden nadat wij opstaan en na de ochtendberachot[3]: „Moge het Uw wil zijn, Hasjem onze G-d en de G-d van onze vaderen, dat U ons redt van brutale mensen [dat zij niet tegen ons ophitsen (Rasji)], en van brutaliteit[4], van een slecht mens en van slechte gebeurtenissen, van slechte neigingen, van slecht gezelschap, van een slechte buur­man, van destructieve geestelijke invloeden en van een strenge rechtspraak, van een moeilijke juridische tegen­stander, of hij nu lid is van het verbond of niet.”

Aan het einde van Sjacharit staat het gebed dat wij zeggen na de Sjemonee Esree en waarin wij om G‑ddelijke assistentie vragen om onze tong in bedwang te houden. Dat was het persoonlijke gebed van de Geleerde Mar, de zoon van Rawina.

 ô ô ô

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 303 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Berachot 18b

Het verschil tussen ge- en verboden

De 613 mitswot omvatten zowel ge- als verboden. Wij zijn geneigd te denken, dat de geboden de mitswot zijn die Hasjem ons geboden heeft om Zijn  wil te gehoorzamen met een of andere handeling en dat de verboden die mitswot zijn, waarbij Hij ons geboden heeft een bepaalde handeling niet te doen. Echter de Maharal[5] heeft een diepzinnig maar belangrijk principe vastgesteld om het verschil te begrijpen tussen een mitswa om te doen [hetgeen wij gemakshalve steeds vertalen met ‘gebod’] en een mitswa om niet te doen [hetgeen wij altijd vertalen met ‘verbod’].

Gehoorzamen aan G-d wil en een geestelijk profijt voor de ziel: De Maharal herhaalt dit principe in vele van zijn werken (Gur Arjee, parasjat Wajjigasj, s.v. Zo DinaI; Derech Chaïm op Awot 2:1; e.a.) en hij beweert dat mitswot om te doen opdrachten zijn om Hasjem te dienen en dat zij ons gegeven zijn als een instrument waarmee wij een hoger geestelijk niveau kunnen bereiken. De essentie van geboden om iets niet te doen is om te gehoorzamen aan Hasjems wil, waarbij wij worden gewaarschuwd voor het verbod maar waarvan geen geestelijk profijt voor de ziel te verwachten is. Om het verschil tussen beide soorten mitswot duidelijker te maken, legt de Maharal uit, zijn er twee soorten beloningen, één voor de goede daden die iemand doet en de ander voor de inspanning die iemand gedaan heeft om Hasjems geboden op te volgen. Met geboden verdient iemand beide beloningen, voor de goede daad zelf en voor zijn inspanning om de mitswa uit te voeren. Aan de andere kant, wanneer men zich aan een verbod houdt, is er alleen beloning voor de inspanning om Hasjem te gehoorzamen, maar de handeling zelf, het niet doen van de overtreding, is geen „goede daad” op zich, het heeft dus ook geen geestelijke inhoud (zie Sja’arei Tesjoewa door Rabbeinoe Jona, sja’ar 3, ot 9).

Het verschil tussen de mitswa van tsietsiet en het verbod op sja’atnez: De Maharal baseert dit onderscheid op een halacha die wij leren van een soegia in de daf van vandaag. In aanwezigheid van een overledene moet men geen handelingen verrichten die het feit dat de overledene geen mitswot meer kan doen, benadrukken, wegens „spotten met de arme” en daarom wikkelen wij de overledene niet in een vierhoekig kledingstuk zonder tsietsiet. Maar tot onze grote verbazing lezen wij in ‘Awoda Zara 65b dat de Geleerden het toestonden dat een overledene begraven wordt in een doodskleed dat sja’atnez bevat! Wat is dan het verschil tussen tsietsiet en sja’atnez? Tosafot gaat op deze vraag in (‘Awoda Zara s.v. Awal).

De Maharal gaat verder en legt uit dat alleen het niet in acht nemen van een gebod om iets te doen, zoals tsietsiet, dat het gebod zelf met zich meedraagt, een schande is voor de overledene, die geen geestlijke vooruitgang meer kan maken. Aan de andere kant wordt het niet gehoorzamen van een verbod om iets te doen niet beschouwd als iets beschamends voor de overledene want de mitswa draagt geen positieve inhoud in zichzelf en verheft iemands geestelijke niveau niet en daarom wordt de overledene in het geheel niet beschaamd wanneer men hem wikkelt in een kledingstuk dat sja’atnez bevat.

Waarom verplichten vrouwen zich niet tot het in acht nemen van bepaalde verboden?

Volgens dit principe verklaart de Maharal ook waarom vrouwen, die zijn vrijgesteld van bepaalde verboden, zoals „…je zult de haren aan de hoeken van je hoofd niet verwijderen,” zich niet ertoe verplichten om deze mitswot na te komen, terwijl zij wel de neiging hebben om mitswot om iets te doen, uit te voeren, zoals loelav en soeka, maar die afhankelijk zijn van tijd en die zij daarom niet verplicht zijn om te doen. Wanneer zij een gebod doen, waarvan zij zijn vrijgesteld, verdienen zij de geestelijke beloning van de mitswa, maar, zoals gezegd, een verbod draagt geen geestelijke verheffing met zich mee en het geldt alleen voor iemand wie het geboden is.

 ô ô ô

Onderwerpen van de daf van deze week

Daf 13: De naamsverandering van Awram in Awraham

            Keriat Sjema  in andere talen

            Concentratie op Keriat Sjema en de acceptatie van het juk van de Hemel

Daf 14: Iets proeven tijdens een vastendag

            Leren voordat men gaat slapen

            De volgorde van de paragrafen van Keriat Sjema

Daf 15: Voorbereidingen voor het gebed

            Keriat Sjema en berachot die luid en duidelijk uitgesproken worden

            Een minderjarige die de Megilla leest

Daf 16: Als iemand in de war raakt tijdens het lezen van Keriat Sjema

            Het verkorte gebed van werknemers

            Rouw voor slaven

Daf 17: Verschillende gebeden en Elokai netsor

            Uitspraken van de Amoraïem

            De verdenking van opschepperij van een bruidegom die Keriat Sjema zegt

Daf 18: Eerbewijs aan de overledene

            Een Chasied die de nacht van Rosj Hasjena doorbracht op een begraafplaats

            Zijn de overledenen op de hoogte van wat er in deze wereld gebeurt?

Daf 19: Zorgvuldig omgaan met de eer van een talmied chacham

            De verplichting van Keriat Sjema voor degenen die zich bezighouden met een overledene

              Menselijke waardigheid wanneer de halacha in acht genomen moet worden


 


[1] Dit heeft betrekking op de schaamte die de volken van de wereld ons veroorzaken in deze ballingschap, of de schaamte die wij ervaren voor onze zonden (Maharsja).

[2] Zie Siddoer met de Nederlandse vertaling van Dasberg, blz. 151.

[3] Zie Siddoer met de Nederlandse vertaling van Dasberg, blz. 7.

[4] Dat anderen niet het valse gerucht verspreiden dat Rebbi een mamzer is. In de Gemara Kiddoesjien 70b staat dat een Kohen die zich brutaal gedraagt, van onzuivere afstamming moet zijn, want brutaliteit is geen eigenschap van Kohaniem (Maharsja) en in het algemeen is brutaliteit geen Joodse eigenschap, dus iemand die zich brutaal gedraagt, wordt al makkelijk voor een ‘mamzer’ uitgescholden (een mamzer is een kind geboren uit een verboden huwelijk).

[5] Rabbijn Jehoeda Loeve, de Maharal van Praag (5286-1526-5369-1609).