Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
16-20 Adar II, 5765 Traktaat Berachot 27-30 Nr. 82

De belangrijkste onderwerpen van de Daf HaJomi

(Door Zwi Goldberg)

Berachot Daf 27a

Het eind van de tijd voor tefillat sjacharit

Op de vorige daf kwamen wij een machloket tegen over de vraag tot hoe laat men sjacharit mag dawwenen.

De Geleerden zeggen dat de tijd daarvoor is tot het midden van de dag. Rabbi Jehoeda is het daar niet mee eens, volgens hem mag men het slechts zeggen tot eenderde van de dag. De bron van dit meningsverschil ligt bij een eerder meningsverschil over de tijd waarbinnen men het korban tamied – het dagelijks offer – van de ochtend mag brengen. Dat werd geboden om ’s ochtend te brengen. Volgens de Geleerden duurt de ochtend tot het midden van de dag, volgens Rabbi Jehoeda is de ochtend alleen het eerste derde deel van de dag. Dit meningsverschil leidt tot het meningsverschil over de tijd voor de tefillat sjacharit, immers, de tefillat sjacharit werd ingesteld ter compensatie van het korban tamied van de ochtend. De halacha werd vastgesteld overeenkomstig de mening van Rabbi Jehoeda.

De laatste tijd voor tefillat mincha en ‘arawiet

Volgens de Geleerden is de tijd voor tefillat mincha tot skiat hachama – de ondergang van de zon – maar Rabbi Jehoeda is van mening dat de tijd voor mincha 1¼ uur voor zonsondergang eindigt. Dat tijdstip wordt plag hamincha genoemd [de helft van de tijd voor het middaggebed]. Volgens Tora-wet mag men het korban tamied voor de middag brengen vanaf een half uur na het midden van de dag. Dat wordt mincha gedola genoemd omdat dan de tijd voor mincha nog groot is, namelijk tot de avond. Om de mensen in de tijd van de Tempel de gelegenheid te geven nog vrijwillige offers te brengen in de middag, en omdat nadat het mincha-offer gebracht was, men geen vrijwillige offers meer mocht brengen, werd de tijd van het korban hatamied naar een later tijdstip op de middag verschoven, namelijk naar de laatste 2½ uur van de dag. Dit wordt de mincha ketana – kleine mincha tijd – genoemd. De helft van deze 2½ uur is de helft van mincha ketana, en dat is de 1¼ uur van plag hamincha.

Dit meningsverschil brengt een ander meningsverschil met zich mee, over de begintijd voor tefillat ‘arawiet. Volgens Rabbi Jehoeda mag men ‘arawiet dawwenen vanaf plag hamincha. Volgens de Rabbijnen mag men dat pas dawwenen vanaf het uitkomen van de sterren.

De halacha is in dit geval niet vastgesteld, noch volgens Rabbi Jehoeda, noch volgens de Rabbijnen en ieder mag doen volgens zijn plaatselijke minhag en zo beslist ook de Sjoelchan Aroech (233:1), onder voorwaarde dat men altijd consquent volgens een van beide systemen gaat en alleen bij uitzondering en in geval van nood wisselt.

Drie halachot die wij leren van een gebeurtenis

Eens gebeurde het dat Rav op vrijdagmiddag ma’ariv van Sjabbat dawwende, terwijl R. Jermia bar Abba achter hem stond te dawwenen. Toen Rav klaar was, was R. Jeremia nog niet klaar met dawwenen en Rav wachtte met achteruit lopen tot R. Jeremia klaar was. Hiervan leren wij drie halachot:

1. Het is ook toegestaan om de tefillat Sjabbat  te vervroegen en dat te dawwenen voordat de duister intreedt, op voorwaarde dat men voor zichzelf de Sjabbat geaccepteerd heeft. Het wordt namelijk als een eer voor Sjabbat beschouwd om daaraan iets van de werkdag aan toe te voegen, dat wil zeggen door iets eerder met Sjabbat te beginnen en er iets later mee op te houden.

2. Een leerling mag achter zijn leraar staan dawwenen, maar niet vóór hem, noch naast hem, want dat lijkt alsof hij zich gelijk stelt met zijn leraar. Maar Rav Jehoeda heeft gezegd dat men niet achter zijn leraar mag staan dawwenen. Tosafot zegt, dat is omdat het dan lijkt dat, als hij in de Sjemonee Esree buigt, hij voor zijn leraar buigt.

3. Dat men niet voor iemand, die staat te dawwenen, langs loopt, want dat stoort de concentratie en de Chajei Adam schrijft dat als men voor iemand langs loopt die staat de dawwenen, dat men dan tussen degene die dawwent en de Sjechina die daar staat, door loopt (Misjna Beroera 102:15). In overeenstemming met deze verklaring zegt Rabbeinoe Jona dat het de leraar stoort als hij na beëindiging van zijn Sjemonee Esree niet drie stappen achteruit kan doen, omdat zijn leerling daar nog staat te dawwenen en dat dit (ook) de reden is dat een leerling niet achter zijn leraar gaat staan dawwenen.

Kabbalat Sjabbat bij vergissing

Als iemand bij vergissing denkt dat het al nacht is, bijvoorbeeld omdat het erg bewolkt is, en ten gevolge daarvan heeft hij al Sjabbat op zich genomen en heeft hij ‘arawiet gedawwend, en daarna wijken de wolken en komt de zon te voorschijn, zodat het hem duidelijk wordt dat hij ‘arawiet gedawwend heeft terwijl het nog volop dag was, dan mag hij nog werk verrichten tot Sjabbat, want alles wat hij bij vergissing gedaan heeft, is gebeurd en wanneer het echt Sjabbat wordt, dawwent hij opnieuw. Echter, wanneer de hele gemeenschap zich vergist heeft, maakt men het hen niet moeilijk en hoeven zij niet opnieuw te dawwenen.

Wie op Sjabbat ma’ariv gedawwend heeft vóór motsaei Sjabbat

In geval van grote nood is het toegestaan om na plag hamincha op Sjabbat ma’ariv te dawwenen voor motsaei Sjabbat, volgens Rabbi Jehoeda. En volgens R. Jehoeda mag men dan zelfs havdala maken over een beker wijn (maar niet over vuur!) als men na Sjabbat onmiddellijk weg moet naar een plaats waar geen wijn is. Echter latere generaties doen dit niet meer, omdat dit tot verwarring leidt, omdat dit makkelijk tot een overtreding van Sjabbat kan leiden, en de Misjna Beroera (293:9) schrijft dat het nu verboden is zo te doen.

Berachot 27b

Eerbied voor zijn Rabbi

Een Baraita leert dat R. Jehoeda gezegd heeft dat men zijn leraar niet mag groeten met alleen maar Sjalom aleichem maar dat men moet zeggen: Sjalom aleichem Rabbi. En wanneer iemand Tora onderwijst, wat hij niet van zijn leraar geleerd heeft, dan moet hij erbij vermelden van wie hij het wel geleerd heeft, zodat, als hij een fout maakt, men dat die aan zijn Rabbi toeschrijft.

Wie op vrijdagmiddag na plag hamincha voor Sjabbat ma’ariv gedawwend heeft en daarmee Sjabbat op zich genomen heeft, die mag ook kiddoesj maken en zijn Sjabbat-maaltijd opeten terwijl het nog dag is, want daarmee heeft hij de Sjabbat verlengd. En zo is de halacha.

De verplichting van tefillat ma’ariv

De Gemara vermeldt vervolgens een machloket tussen de Tannaïem Rabban Gamliël, die zegt dat de tefillat ma’ariv verplicht is en R. Jehosjoea, die zegt dat het vrijwillig is en zo is de halacha, hoewel de Joden altijd ma’ariv gedawwend hebben en dit als een verplichting op zich genomen hebben. Er is echter een rest van dit meningsverschil te vinden in het feit dat de chazan het avondgebed niet herhaalt en dat vrouwen het niet hoeven te zeggen (M.B. 237:1).

Rabban Gamliël afgezet als Nasi

De hiervoor aangehaalde machloket tussen Rabban Gamliël en R. Jehosjoea, leidde tot een befaamd incident. Een baraita vertelt dat een bepaalde student aan R. Jehosjoea vroeg of ma’ariv verplicht of vrijwillig is en hij antwoordde: vrijwillig. Daarop vroeg de student hetzelfde aan Rabban Gamliël en die antwoordde: ver­plicht. De student reageerde met: R. Jehosjoea zegt dat het vrijwillig is. Rabban Gamliël zei hem de vraag te herhalen in het leerhuis, waar iedereen bij zou zijn. Dat deed de student en Rabban Gamliël antwoordde opnieuw: verplicht. Daarop vroeg hij aan de daar verzamelde Rabbijnen: Is er hier iemand die daar anders over denkt?” Rabbi Jehosjoea antwoordde: „Nee.” Daarop beval Rabban Gamliël R. Jehosjoea op te staan en eiste een verklaring. Rabbi Jehosjoea gaf toe anders gepaskend te hebben. Rabban Gamliël ging daarop zit­ten, vervolgde zijn sjioer en liet R. Jehosjoea staan. Dit leidde tot een opstand tegen Rabban Gamliël. En daar dit niet de eerste keer was dat Rabban Gamliël R. Jehosjoea beschaamd gemaakt had, werd besloten Rabban Gamliël af te zetten als Nasi.

Daarop werd R. Elazar ben Azarja aangesteld als Nasi. Hij was een tiende generatie nakomeling van Ezra. Hij besloot zijn vrouw om raad te vragen. Hij was toen 18 jaar oud en hij leek daardoor volgens zijn vrouw te jong voor zo’n vooraanstaande functie, hoewel hij zeer wijs was. Die nacht werden zijn haren wit. Het is deze gebeurtenis, waarnaar in de Hagada van Pesach verwezen wordt, toen R. Elazar ben Azarja zei: „Ik ben als iemand van zeventig jaar oud.”

Rav Jonatan Eibeschitz vraag in Ja’arot Devasj (aangehaald in Magarats Chajot) waarom R. Elazar zijn vrouw moest raadplegen. Ten slotte, wanneer de Geleerden van het Sanhedrin hem gekozen hadden tot Nasi, dan had hij toch alle raad gehad, die hij nodig had?

Hij antwoordt dat de Gemara in Ketoewot 61b zegt dat een man die werkt als een ezeldrijver (wiens huwe­lijks­verplich­ting ten opzichte van zijn vrouw eenmaal per week is) en die kameeldrijver wil worden (wiens huwelijksver­plichting eenmaal per maand is, omdat hij grotere afstanden aflegt en dus langer van huis is), toestemming van zijn vrouw moet vragen. Zijn carriere verandering brengt voor haar mee dat zij minder gemeenschap zal hebben en daar moet zij haar toestemming voor geven.

De Gemara zegt daar dat een Talmied Chacham ook eenmaal per week deze huwelijksverplichting heeft, maar een Nasi slechts eenmaal per maand. Daarom moest R. Elazar ben Azarja toestemming vragen aan zijn vrouw!

(Misschien kunnen wij hieruit leren, dat ook vandaag nog een man toestemming aan zijn vrouw moet vragen, wanneer hij een functie of baan wil aannemen, die meer van zijn krachten zal vergen en die zijn huwelijks­leven kan aantasten.)

Berachot Daf 28a

Het dispuut tussen Rabban Gamliël en Rabbi Jehosjoea

Op onze daf wordt het vervolg van de ruzie met Rabban Gamliël vertelt.

Die dag, dat Rabban Gamliël werd afgezet als Nasi en Rabbi Elazar ben Azarja als Nasi werd aangesteld, werden honderden studenten tot de studiehal toegelaten, die tot dan toe niet door Rabban Gamliël waren toegelaten, omdat hij dacht dat zij daartoe niet waardig genoeg waren. Het bleken echter zulke goede studenten te zijn dat alle problemen die tot nu toe onopgelost waren, die dag werden opgelost. En overal waar in de Misjna of in een Baraita staat „op die dag,” wordt die dag bedoeld dat Rabban Gamliël werd afgezet als Nasi en Rabbi Elazar ben Azarja werd aangesteld als Nasi.

Ook Rabban Gamliël keerde terug naar het leerhuis. Een Amonitische student, die bekeert was tot het Joden­dom, vroeg of hij tot de Gemeente Israël mocht toetreden [d.w.z. of hij met een Joodse vrouw mocht trouw­en. In Dewariem staat: „Een Amoniet en een Moabiet zullen niet tot de Gemeente van Hasjem toetreden.” Rabban Gamliël verbood hem, maar Rabbi Jehosjoea stond het hem toe. Want, zo redeneerde hij, Sancheriv heeft alle volken door elkaar gemengd en wie in Moav of Amon woont is waarschijnlijk geeen Moabiet of Amoniet en mag dus tot de Gemeente Israël toetreden, want zoals de Joodse stammen, die door Sancheriv verstrooid werden, nog niet zijn teruggekomen, zo ook zijn de Moabieten en Amonieten nog niet terugge­komen. En de Geleerden waren het met Rabbi Jehosjoea eens.

Daarop verzoende Rabban Gamliël zich met Rabbi Jehosjoea en daarop verzocht Rabbi Jehosjoea de Rabbij­nen van het Sanhedrin om Rabban Gamliël weer in zijn functie van Nasi te herstellen. Want Rabban Gamliël was een afstammeling van het Huis van Koning David, en Rabbi Elazar ben Azarja niet. Echter, dat zou be­tekenen dat Rabbi Elazar ben Azarja gedegradeerd zou worden en dat vond men niet passend. Besloten werd daaom dat Rabban Gamliël en Rabbi Elazar ben Azarja om de beurt als Nasi zouden fungeren, de een gedu­ren­de drie weken [andere teksten lezen twee weken] en Rabbi Elazar één week.

De tijd voor tefillat Moesaf

Er  wordt een machloket besproken tussen Rabbi Jehoeda en de overige Rabbijnen. Rabbi Jehoeda zegt dat wie laat is voor moesaf,  eerst moesaf moet dawwenen en daarna mincha, maar de Rabbijnen zeggen: hij moet eerst mincha dawwenen en daarna moesaf, want mincha wordt vaker gedawwend [en er is een algeme­ne regel dat de mitswa die het meest frequent voorkomt, voorgaat.

De halacha is volgens de Geleerden, namelijk dat men de hele dag moesaf mag dawwenen, maar, zo hebben zij gezegd, wie het uit luiigheid uitstelt tot na het zevende uur van de dag, die wordt een misdadiger genoemd.

ô ô ô

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 305 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Berachot Daf 28b

Sjmoeël Hakatan (Samuël de Klein)

De Geleerden van de Grote Vergadering (Ansjei Knesset HaGadol) stelden achttien berachot samen als het stan­daard­­­gebed dat door alle komende generaties driemaal daags gezegd zou worden. Vele jaren daarna hadden de Joden veel te leiden van een of andere heidense secte, die uit hun midden was ontstaan, en die de getrouwe Joden verraadden aan de Romeinse autoriteiten, die toen over het land heersten, en die ongekend lijden voor ons volk ten gevolge had. De Geleerden zagen toen dat het nodig was om nog een extra beracha in te voegen, waarin gevraagd werd om deze verraders te vernietigen. Rabban Gamliël, de leider van de Geleerden, informeerde bij zijn collega’s: „Is er iemand onder ons die een beracha kan samenstellen tegen de heidenen?” Sjmoeël HaKatan stelde daarop de negentiende beracha voor het dagelijkse standaardgebed samen: „We-lamalsjeniem al tehi tikwa – Moge er geen hoop zijn voor de lasteraars.”

Vanaf dat moment bestond het Sjemonee Esree - gebed, dat letterlijk ‘achttien’ betekent, uit negentien berachot. De naam Sjemonee Esree bleef echter gehandhaafd, want dat was de naam waaronder het gebed bekend was geworden en zo heet het tot op de huidige dag.

Waarom was alleen Sjmoeël HaKatan waardig om een extra beracha samen te stellen? De titel ‘HaKatan’ duidt op zijin buitengewone bescheidenheid. Verder vertelt de Jeruzalemse Talmoed (eind traktaat Sota) dat het geestelijke niveau dat hij bereikt had, slechts weinig lager was dan dat van de Profeet Sjmoeël. Toen hij overleed, werd een G-ddelijke stem uit de Hemel gehoord, die verklaarde dat Sjmoeël HaKatan het verdiend had, dat de Sjechina (de G-ddelijke aanwezigheid) op hem rustte, maar dat zijn generatie dat niet verdiende (Sanhedrin 11a).

De geheimen van de Schepping en de mysteries van de Hemelse wereld liggen verborgen in het Sjemonee Esree-gebed. De unieke eigenschappen van Sjmoeël HaKatan waren nodig voor de samenstelling van deze negentiende beracha. De Geleerden van de Grote Vergadering die de oorspronkelijke achttien berachot van de Sjemonee Esree hadden samengesteld, deden dat met Roeach HaKodesj (G-ddelijke inspiratie). Tot dat gezel­schap behoorden mensen als Chaggai, Zecharja en Malachi, de laatste Profeten. Rav Chaïm van Volozhin  zts”l schrijft (Nefesj HaChaïm 2:10) dat zij in de Sjemonee Esree de grootste esoterische geheimen van Tora verborgen hadden, met inbegrip van de geheimen van de Schepping en de mysteries van de Hemelse wereld (Pirkei haMerkawa). Zij kozen de specifieke woorden uit, omdat zij zagen en begrepen hoe het licht van iedere individuele wereld een vitale tikkoen teweeg bracht. Daarom was alleen Sjmoeël HaKatan in staat en waardig om er een negentiende beracha aan toe te voegen (Chidoesjei HaGriz).

Sjmoeël I en Sjmoeël II: Rabbi Jechiël Heilpern, de Rav van Minsk zts”l schrijft in zijn boek over de chronologie Seder HaDorot, dat Sjmoeël HaKatan geleefd heeft voor de verwoesting van het Beit HaMikdasj, in het tijdperk van de vroege Tannaïem. Hij stelde de negentiende beracha samen op verzoek van Rabban Gamliël haZakeen – de Oude. De Gemara (Sanhedrin 11a) vertelt ons dat voordat Sjmoeël HaKatan stierf, hij profeteerde over het toekomstige martelaarschap van Rabban Sjimon ben Gamliël en Rebbi Jisjmaël Kohen Gadol, die beiden wreed doodgemarteld werden door de Romeinen, voordat het Beit Hamikdasj verwoest werd.

Onze Gemara vertelt ons dat het Rabban Gamliël uit Javne was die Sjmoeël HaKatan verzocht de beracha samen te stellen. Dit geeft een probleem, want Rabban Gamliël de Oude zat het Sanhedrin voor in Jeruzalem, terwijl zijn nakomeling en opvolger, die ook Rabban Gamliël heette, het Sanhedrin in Javne voorzat na de verwoesting. Volgens Rav Heilpern zouden wij moeten veronderstellen dat Rabban Gamliël de Oude in die tijd in Javne was.

Rav Ja’akov Emden daarentegen schrijft (in Hagahot Ja’avets, Sanh. 11a) dat bij nader onderzoek van de verschil­lende verklaringen over Sjmoeël HaKatan in de Talmoed en zijn collega’s, het duidelijk is dat er twee geleerden waren die bekend stonden onder de naam Sjmoeël HaKatan. De ene Sjmoeël HaKatan leefde voor de Ver­woes­ting van de Tempel, en voorzag de marteldood van Rabban Sjimon ben Gamliël en Rebbi Jisjmaël. Een andere Sjmoeël HaKatan leefde na de Verwoesting van het Beit HaMikdasj, toen het Sanhedrin al naar Javne verhuisd was. Hij stelde de beracha We-lamalsjiniem samen op verzoek van Rabban Gamliël, de kleinzoon van Rabban Gamliël de Oude.

De belangrijkste onderwerpen van de Daf HaJomi

(Door Zwi Goldberg)

Berachot Daf 28b

Een beracha voor succes met het leren

De Misjna vertelt dat Rabbi Nechoenja ben Hakana en kort gebed zei, voordat hij het Beit Hamidrasj [leerhuis] binnenging en ook als hij dat verliet. Zij vroegen hem: „Wat zijn dat voor gebeden?” Hij antwoordde hen: „Wanneer ik naar binnen ga, vraag ik dat er geen fouten door mij gemaakt zullen worden, en wanneer ik er uitga, dank ik voor mijn deel.

Wat zegt hij precies bij zijn binnengaan?

De Gemara vertelt wat Rabbi Nechoenja precies zegt als hij naar binnengaat: „Moge het Uw wil zijn, Hasjem, mijn G-d, dat er door mij geen fouten gemaakt worden en dat ik niet struikel in zake een halacha, zodat ik er de oorzaak van ben dat mijn collega’s zich over mij verheugen [dat wil zeggen: dat zij mij uitlachen, waarmee zij een overtreding begaan en daar ben ik dan de oorzaak van]. En moge het niet zijn dat ik iets dat onrein is, rein verklaar, of iets dat rein is, onrein verklaar en dat mijn collega’s geen fouten maken in de halacha, zodat ik mij over hen zou verheugen.”

Wat zegt men bij het verlaten van het Beit Hamidrasj?

„Ik dank U Hasjem, dat U heeft vastgesteld dat ik mag leren met mijn collega’s in het beit HaMidrasj en dat u niet voor mij bepaald heeft dat ik mijn tijd moet doorbrengen met ijdele praters. Want ik sta vroeg op en zij staan vroeg op. Ik sta vroeg op om woorden van Tora te leren en zij staan vroeg op om ijdele praatjes te spreken. Ik zwoeg en zij zwoegen. Ik zwoeg en krijg beloning, zij zwoegen en krijgen geen beloning [De Chafets Chaim verklaart dit als volgt: als bijvoorbeeld een kleermaker een opdracht krijgt om een kostuum te maken, dan wordt hij alleen betaald als hij het tot tevre­den­heid van de klant aflevert. Slaagt hij daar niet in, dan krijgt hij geen beloning. Maar wie Tora leert, en niet alles begrijpt wat er staat, krijgt toch beloning voor zijn inspanning!].

De nalatenschap van Rabbi Eliëzer

Toen Rabbi Eliëzer ernstig ziek was, kwamen zijn leerlingen hem bezoeken. Zij zeiden tegen hem: „Rabbeinoe, leer ons de weg van het leven, opdat wij daardoor de Komende Wereld mogen verdienen. Hij antwoordde hen: „Ga zorgvuldig om met de eer van je collega’s en plaats jullie kinderen tussen de knieën van Tora-geleerden; en wanneer je dawwent, weet dan voor wie je staat. Op rekening hiervan zul je de Komende Wereld verdienen.”

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 305 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Berachot Daf 30a

De Beracha van de Ge’oela laten grenzen aan de tefilla

De halacha leert ons dat wij de Sjemonee Esree onmiddellijk moeten beginnen na de beracha Ga’al Jisraël, zonder onderbreking, zelfs niet om op Kaddiesj of Kedoesja te antwoorden. Wat is daarvan de reden?

Onze Gemara vertelt dat Rav Asji ’s ochtend vroeg vóór het eerste ochtendlicht met zijn lessen begon en daar de hele ochtend mee doorging. Daardoor was hij niet in staat om op tijd de dawwenen. In die tijd was het gewoonte dat de Geleerde zijn sjioer zacht vertelde in het Hebreeuws en dat een toergeman het daarop luid vertaalde in de landstaal. Op het tijdstip dat Rav Asji Sjema moest zeggen, zei hij dat met de berachot en hij zei de tefilla daar gelijk achteraan, terwijl de toergeman zijn les vertaalde, maar Rav Asji bleef daarbij zitten, om de studenten niet te dwingen ook op te staan uit eerbied voor hem, als hij zou opstaan. Wanneer hij na zijn les later thuiskwam, daw­wende hij opnieuw, maar nu staande. De Rosj verklaart dat aangezien wanneer men zittend de Sjemonee Esree zegt, men zijn veplichting niet gedaan heeft (zie Sj.A. 94:9), Rav Asji thuis nogmaals Sjemonee Esree daw­wende.

Als hij niet zijn verplchting gedaan had, toen hij zittend Sjemonee Esree zei, waarom zei hij het dan? Dat deed hij om aan de verplichting te voldoen om de Ge’oela te verbinden met de tefilla. Maar als de verplichting om de Ge’oela te verbinden met de tefilla als doel heeft om de tefilla te verfraaien, wat heeft dat dan voor nut om de Sjemonee Esree te verfraaien wanneer die niet geldig is, omdat die zittend gezegd werd? De Rosj zegt dat daaruit blijkt dat het doel van de verbinding van Geoela met de tefilla niet is om de tefilla te verfraaien maar om de beracha Ge’oela  te verfraaien. Mogelijk bedoelt de Rosj, dat de verbinding er is om beide, zowel de Ge’oela en tefilla te verfraaien en Rav Asji slaagde er dan in ieder geval in om de beracha Ge’oela te verfraaien.