Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
21-27 Adar II, 5765 Traktaat Berachot 31-37 Nr. 83

De belangrijkste onderwerpen van de Daf HaJomi

Traktaat Berachot Daf 31a

Het breken van een beker ter herinnering aan de Verwoesting

De Gemara vertelt, dat toen Mar, de zoon van Rawina een feest gaf ter gelegenheid van het huwelijk van zijn zoon, hij zag hoe de Rabbijnen uitgelaten vrolijk waren. Daarop bracht hij een kostbare  beker, die vier­hon­derd zoez waard was en brak die in hun bijzijn. Dat maakte hen bedroefd.

Rav Asji nam een wit-glazen beker en brak die op het huwelijksfeest van zijn zoon en iedereen was bedroefd.

Rabbi Jochanan heeft gezegd in naam van Rabbi Sjimon ben Jochai: „Het is een mens verboden om zijn mond in deze wereld te vullen met gelach, want er staat geschreven [Psalmen 126:2]: ‘Dan zal onze mond gevuld zijn  met gelach en onze tong zal zingen.’ Wanneer zal het gepast zijn om te zingen? Dan, dat wil zeggen, tegen de tijd dat de volken zullen zeggen: ‘Hasjem heeft grote dingen met hen gedaan’” [d.w.z. als de ballingschap voorbij is, maar zolang die nog niet voorbij is, lacht men niet].

Voorbereiding tot de tefilla

De Rabbijnen leerden in een Baraita: Met moet niet beginnen  Sjemonee Esree te dawwenen middenin een rechtzaak, noch tijdens een verhitte discussie over een halacha, maar nadat men een duidelijke halachische uitspraak geleerd heeft, waarover geen discussie is, zodat men tijdens zijn tefilla niet afgeleid wordt doordat men aan de discussies moet denken.

Zo ook moet men niet dawwenen als men bedroefd is, niet uit luiheid, noch te midden van gelach, noch te midden van loos gepraat, noch te midden van lichtzinnigheid, maar met de opgewektheid ten gevolge van een mitswa die men gedaan heeft.

Afscheid

Men moet geen afscheid nemen van een vriend, zegt de Gemara, na afloop van een loos gesprek, noch te midden van gelach of lichtzinnigheid, maar na een halachische discussie [zodat men nog eens aan die inte­ressante discussie terugdenkt]. Dit blijkt, zegt de Gemara uit het gedrag van de Profeten, die hun woorden altijd besloten met woorden  van lof of troost. [Maharats Chajot schrijft dat uit het vervolg van de Gemara blijkt dat dit niet alleen geldt voor halachische discussies, maar ook voor discussies over Aggada.]

De Gemara leert verder over het gedrag bij de tefilla, dat Rabbi Akiwa zijn tefilla gewoon was in te korten als hij in een minjan dawwende, om de mensen niet te lang op hem te laten wachten.

Ramen in de synagoge

De bron van de Halacha dat men ramen moet maken in een synagoge, komt van een gebeurtenis met Daniël.

In het begin van zijn regering verbood Koning Darius dat men tot andere goden zou bidden dan tot zijn eigen afgoden. Daniël ging echter door met tot G-d te bidden, zoals hij voorheen gewend was en dat deed hij op een verborgen zolderkamer, met ramen, waardoor de hemel te zien was, en die gericht waren op Jeruzalem. Daar dawwende hij driemaal per dag. Daarvan leren wij dat men moet dawwenen in een huis of gebouw met ramen, zodat hij de hemel kan zien, hetgeen hem helpt zich op zijn tefilla te concentreren.

Wij leren vervolgens van Daniël [Daniël 6:1] dat men driemaal per dag dawwent, en wel met zijn gezicht gericht naar Jeruzalem.

Tefillat Channa

Rav Chamnoena zei: Hoeveel belangrijke halachot kan men leren van Channa?

[Channa, de moeder van de Profeet Sjmoeël, was onvruchtbaar en voelde zich daarom bitter gestemd. Zij ging met haar echtgenoot naar het Misjkan, dat toen in Sjilo stond, om daar Hasjem te smeken dat Hij haar een kind zou schenken. Bij een zo´n gelegenheid zag Eli, de Cohen Gadol haar en de volgende conversatie ontspon zich (I Sjmoeël 1:12-17):

Het gebeurde dat toen zij voortging met te bidden tot Hasjem, Eli zag hoe haar mond bewoog. Channa sprak in haar hart – alleen haar lippen bewogen, maar haar stem was niet te horen. Daardoor dacht Eli dat zij dronken was. Eli zei tegen haar: „Hoelang zal jij dronken zijn? Verwijder je van de wijn.” Channa antwoordde en zei: „Nee, mijn heer, ik ben een vrouw met een bedroefde ziel, ik heb noch wijn noch enige andere sterke drank gedronken, maar ik heb mijn ziel uitge­gooid voor Hasjem. Beschouw uw dienstmaagd niet als iets minderwaardigs, want het is ten gevolge van veel verdriet en boosheid dat ik tot nu toe gesproken heb.” Daarop zei Eli: „Ga in vrede en moge de G-d van Israël je verzoek inwilligen.”

Channa sprak in haar hart  – Hiervan leren wij dat men zijn tefilla met zijn hart moet zeggen.

alleen haar lippen bewogenHiervan leren wij dat degene die dawwent, de woorden met zijn lippen moet uitspreken.

Maar haar stem was niet te horen Hiervan leren wij dat het verboden in zijn stem tijdens de tefilla te verheffen.

Daardoor dacht Eli dat zij dronken was. Eli zei tegen haar: „Hoelang zal jij dronken zijn? Verwijder je van de wijn Hiervan leren wij dat een dronkaard niet mag dawwenen.

Eli zei tegen haar: „Hoelang zal jij dronken zijn? – Hiervan leren wij dat wie iets onbehoorlijks bij zijn naaste ziet, hem daarover moet vermanen.

Daarop zei Eli: „Ga in vrede en moge de G-d van Israël je verzoek inwilligen . Hiervan leren wij dat wie zijn naaste van iets lelijks verdenkt, wat die niet gedaan heeft, dat hij dan vrede met hem sluit en hem moet zegen.

ô ô ô

Daf 32b

DE CHASSIED DIE ZIJN GEBED NIET ONDERBRAK

Op een dag ging een vrome Jood op weg voor een lange reis. Na verloop van tijd zag de man dat het tijd was voor de tefilla, maar er was in de omgeving geen synagoge, er waren helemaal geen huizen daar. Alleen overal velden rondom. Maar de man wilde zijn tefilla niet uitstellen, dus ging hij in het veld staan, ter zijde van de weg, en begon te dawwenen.

Toen hij bij de Sjemonee Esree was aangekomen [dat men staande moet zeggen en zachtjes, en waarbij het verboden is in het midden te onderbreken of te praten], kwam er op de weg een be­lang­rijke Romeinse hoge officier langs rijden.

Toen de officier langs kwam, zag hij de Joodse man in het veld staan dawwenen, zonder hem te groeten. Hij keek zelfs niet naar de officier. De officier riep daarom naar de man „Sjalom”, maar hij kreeg geen antwoord. Toen werd de officier heel kwaad, maar hij onderbrak de man toch niet maar wachtte tot hij zijn tefilla beëindigd had. Maar nauwelijks was de Joodse man klaar of de officier schreeuwde tegen hem:

„Idioot! Staat er niet in jullie Tora geschreven (Dewariem 4:9): ‘Maar pas op en waak goed over jezelf,’ en verder staat er geschreven (ibid. 15): ‘En jullie moeten heel goed op jezelf passen.’ Zie jij dan niet wie hier op de weg langs komt?! Hoe durf je mij niet te groeten? Als ik jou met mijn zwaard had gedood, wie had jou dan gered?”.

„Alstublieft, wacht nog even!” verzocht de Joodse Chassied (dat is iemand die Hasjem liefheeft). Misschien kan ik u uitleggen wat er gebeurd is, en dan zult u niet meer boos op mij zijn. Vertelt u mij nu, meneer de officier, heeft u ooit voor een Koning van vlees en bloed gestaan in eigen persoon?”

„Natuurlijk!” antwoordde hem de officier, „zelfs vele malen heb ik voor de koning gestaan”.

Daarop vroeg de Chassied: „Als op dat moment iemand voorbij zou komen, bijvoorbeeld een andere hoge officier, en die zou u groeten, zou u hem dan zijn groet beantwoordden, terwijl u met de koning in gesprek bent?”

„Chas wachalila!” antwoordde de officier geschrokken, „dat is verboden!”

„En wat zou er met u gebeuren als u het toch deed?” vroeg de Jood weer.

De officier antwoordde: „Dan wordt mijn hoofd afgehakt met het zwaard”.

„Ziet u wel”, antwoordde de Chassied, „ik stond zojuist tijdens het gebed voor de Grote Koning, de Koning der Koningen de Heilige, geloofd zij Hij. Hoe had ik dan kunnen onderbreken om u te groeten?”

Onmiddellijk was de officier te­vreden gesteld, gaf de Chassied geen straf, en gaf hem gelegenheid om in vrede zijn weg te vervolgen.

RISICO EN GEVAAR

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 305 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

De hierboven door de Romein aangehaalde pasoek (Dewariem 4:15) is wel bekend als het gebod om onszelf niet in gevaar te brengen.

In de context van de Tora is de eenvoudige verklaring van deze pasoek een verbod tegen afgoderij. In de hele Talmoed vinden wij het nergens toegepast voor de mitswa om onze gezondheid te bewaken, behalve waar de Romeinse officier het in deze betekenis hier gebruikte. De Romeinse officier haalde ook vers 4:9 aan, als een waarschuwing om op onze veiligheid te letten, hoewel het geschreven is als een waarschuwing voor het Joodse volk om Tora niet te vergeten.

Daar deze nieuwe interpretatie van het vers niet werd gegeven door een Talmoed geleerde, schrijft de Minchat Chinoech (mitswa 546) dat het geen geldige bron is voor het gebod om onze gezondheid in acht te nemen.

Is het verbod om je leven in gevaar te brengen mide Oraita of mide Rabbanan? Sommige poskiem verwerpen de interpretatie van de Romein, die in onze Gemara wordt aangehaald, volkomen. Zij beschouwen het verbod op het in gevaar brengen van je leven als een verbod van de Rabbijnen, zonder bron in de Tora. Anderen vinden een alternatieve bron in Gemara (Sjewoe’ot 36a), waar staat dat iemand die zichzelf vervloekt, het vers „Pas goed op jezelf” overtreedt. Dit kan alle soorten zelf-destructief gedrag omvatten.

De Chikrei Lev  (J.D. 101) legt uit dat de eenvoudige betekenis van de pasoek een waarschuwing is tegen het vergeten van Tora. Echter, daar het opzettelijk vergeten van Tora strafbaar is met de dood (Pirkei Awot 3:8), kan deze pasoek worden opgevat als een waarschuwing tegen gevaarlijk handelen. Op basis hiervan schrijft de Rambam: „Het is een gebod om alles dat het leven in gevaar kan brengen, te verwijderen of het te vermijden, en zich er tegen te beschermen met de grootste zorgvuldigheid, zoals het vers zegt: ‘Maar pas op en waak goed over jezelf.’ (Hilchot Rotseach Oesjenirat Hanefesj 11:4)

Wie zijn leven in gevaar brengt, negeert de wil van zijn Schepper: In de afdeling Chosjen Misjpat van de Sjoelchan Aroech worden de wetten voor schade aan eigendommen en aan personen behandeld. In de conclusie van zijn commentaar op deze halachot, schrijft de Be’eer Hagola (427): „Het lijkt mij, dat Tora ons waarschuwt om onszelf te beschermen tegen schade, om de volgende reden. In Zijn grote goedheid heeft Hasjem de wereld geschapen zodat dat tot voordeel zou zijn voor Zijn schepselen, opdat zij Zijn grootheid zouden erkennen en Hem dienen door middel van de Tora en de mitswot, zoals de pasoek zegt (Jesjajahoe 43:7): ‘Alles dat bij Mijn naam genoemd is, heb Ik voor Mijn eer geschapen.’ Daarbij zou Hij in staat zijn om Zijn schepselen te belonen voor hun goede daden. Iemand die zijn eigen gezondheid in gevaar brengt, minacht de wil van de Schepper.  Hij toont geen behoefte te hebben om te leven en Hasjem te dienen, noch om Zijn beloning in ontvangst te nemen. Er bestaat geen schandaliger heidendom dan dit.”

Wie zijn leven in gevaar brengt, doet een avera, zelfs al lijdt hij daarbij geen schade: Het is belangrijk om op te merken dat iemand die zijn leven en gezondheid in gevaar brengt, een avera doet, zelfs al lijdt hij daarbij geen schade. Het blote feit dat hij zijn leven in gevaar brengt, is verboden. Daarom beslist de Sjeem Arjee dat het Beit Din iemand zou moeten geselen als hij een gammele brug overgaat, zelfs al stort die niet onder hem in elkaar (zie Darchei Tesjoewa 116:7;  Asjemirat Hagoef Wehanefesj, blz. 39 en datzelfde blijkt ook uit andere poskiem die daar geciteerd worden).

Rav Mosjé Feinstein (Responsa Ch.M. II:76) maakt onderscheid tussen een handeling die schadelijk kan zijn, en een die hoogst waarschijnlijk schadelijk zal zijn. Het verbod om zich aan een mogelijk gevaar bloot te stellen, is volgens hem mide Rabbanan, terwijl het verbod om zich aan een waarschijnlijk gevaar bloot te stellen mide Oraita  is (zie voor verdere meningen Sjemirat Hagoef Wehanefesj, Mawo hfd. 1).

Het zeggen van een beracha om zich te beschermen tegen gevaar: Een van de redenen waarom wij onze vin­gers wassen na de maaltijd, is om het zout van Sodom, dat misschien aan de vingers is blijven plakken, af te spoelen. Van dit zout is bekend dat het gevaarlijk is voor de ogen en daarom moeten wij het afwassen van onze vingers, voor­dat wij daar perongeluk mee in onze ogen wrijven en die beschadigen. De Tora gebiedt ons onze gezondheid in acht te nemen en met dit majiem acheroniem vervullen wij deze mitswa. Niettemin beslist de Rambam (Hilchot Berachot 6.2) dat wij geen beracha zeggen voor majiem acheroniem. Wij beschouwen niet iedere handeling waarbij wij gevaar vermijden als de uitvoering van een mitswa ase (een gebod om iets te doen), waarvoor een beracha gezegd moet worden.

Er bestaat bijvoorbeeld behalve het algemene verbod om zich in gevaar te brengen, een specifieke mitswa om een hek te bouwen rondom een dak. Daarvoor zeggen wij de beracha: „Baroech Atta Hasjem… dat Die ons geheiligd heeft met Zijn mitswot en ons geboden heeft een omheining te maken.” Maar wanneer men een omheining rondom een put maakt, om te voorkomen dat iemand daar invalt, dan voert men de algemene mitswa uit om schade te voorkomen. Daarom zegt men dan geen beracha (Chajei Adam15:24). (Het onderscheid tussen het maken van een omheining rond iemands dak en rondom zijn put wordt in detail besproken in Meorot HaDaf HaJomi, Bawa Kama 51a.)

Berachot Daf 33a

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 305 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Wanneer wordt een beracha als een beracha lewatela  (nutteloze beracha) beschouwd?

Wanneer Reoeween een beracha zegt voor een appel die hij van plan is te eten, maar de appel valt nog voordat hij de eerste hap genomen heeft in het zand, zodat hij nu oneetbaar geworden is, was dat dan een beracha lewatela?

Wat maakt het uit of wij de beracha een beracha lewatela noemen? Wanneer Reoeween en Sjim’on allebei een appel willen eten, en Reoeween zegt daarvoor een beracha, dan mag Sjim’on normaliter daar Amein op antwoor­den en zijn appel opeten, zonder zelf de beracha te zeggen Maar als Reoeweens beracha nutteloos was, mag Sjim’on daar niet op vertrouwen en mag hij zijn appel niet eten, zonder daar zelf een beracha voor te zeggen.

Be­schouwen wij het bovengenoemde geval een beracha lewatela? Toen de beracha gezegd werd, was hij legitiem. Pas daarna liet Reoeween zijn appel vallen waardoor de beracha zijn kracht verloor. Misschien dat daarom een beracha die terecht gezegd werd, niet retroactief een beracha lewatela wordt. In dat geval mag Sjim’on vertrouwen op de beracha van Reoeween en zijn appel eten. Dit probleem is het onderwerp van discussie van latere poskiem.

De Mageen Awraham (209:5 en 213:7) beslist dat Sjim’on zich mag verlaten op de beracha van Reoeween. Daar Reoeween de beracha terecht gezegd heeft en de appel alleen maar per ongeluk liet vallen, is de beracha nog steeds geldig voor Sjim’on. Zo beslist ook de Misjna Beroera (213:15).

De Chazon Iesj past onze discussie over een retroactieve nietigheid van een beracha toe op een kiddoesjien die geen effect had. Als een man aan een vrouw een ring geeft voor kiddoesjien en wanneer de juiste berachot gezegd worden onder de choepa, en door bepaalde omstandigheden wordt de Kiddoesjien retroactief geannuleerd, wor­den de bera­chot nu retroactief berachot lewatala? De Chazon Iesj beslist (E.H. 63:23) dat zij niet berachot lewatala worden, geba­seerd op de volgende veronderstelling: „Eigenlijk zou een mens de hele dag Hasjem moeten loven, maar… onze Geleerden hebben daar grenzen aan gesteld en bepaald wanneer men een beracha mag zeggen, gebaseerd op die omstandigheden, waarin een mens zich meer Hasjems goedheid realiseert. Wanneer zich zo’n situatie voordoet, mag men een beracha zeggen en de beracha wordt dan niet ongeldig als de omstandig­heden later veranderen.”