Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
5 Nisan 5765 Traktaat Berachot 38-44 Nr. 84

Berachot Daf 38b

Wat zeggen we tegen brood?

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Welke beracha zegt men voordat men brood eet?

Natuurlijk weet iedereen dat het antwoord op die vraag is „HaMotsie lechem min haärets” [Hij die het brood voortbracht uit de aarde].

Maar niet alle Geleerden waren het eens over het eerste woord in deze zin. Volgens één mening zou men „motsie” moeten zeggen, omdat dat de verleden tijd aangeeft, terwijl „hamotsie” de toekomde tijd aangeeft. Daar het brood dat je op het punt staat om te eten al uit de aarde is voortgebracht, lijkt de verleden tijd toepasselijker. Men is het erover eens dat „motsie” verleden tijd is maar er is verschil van mening of „hamotsie” dat ook is.

Het lijkt er daarom op dat het veiligste wat men kan doen, is „motsie” te zeggen, hetgeen volgens iedereen acceptabel is. Niettemin beslist de Gemara dat we „hamotsie” zeggen moeten, hetgeen slechts volgens één mening juist is.

Tosafot legt uit waarom dat de keuze is, op basis van de Jeruzalemse Talmoed: het woord dat aan „motsie” of hamotsie” voorafgaat is „ha’olam”. Wanneer we daar het woord „motsie” op zouden laten volgen, dan zouden we een woord hebben dat eindigt op een „m”, gevolgd door een woord dat begint met een „m” en dan lopen we het risico dat die twee woorden samen versmelten tot één woord „ha’olamotsie”.

Men zou zich nu natuurlijk kunnen afvragen of wij niet voor datzelfde probleem staan met de twee woorden die na „hamotsie” komen, namelijk „lechem” en min”? Dat is waar, zegt Tosafot, maar onze Geleerden wilden niet knoeien met de zin „lechem min ha:arets,” hetgeen een zinsdeel uit Tehilliem (104:4) is. Dat vers bevat tien woorden, merkt Tosafot op en geeft ons zo een hint dat wij onze tien vingers van beide onze handen op het brood moeten leggen wanneer wij de beracha „Hamotsie” maken.

 

Berachot Daf 39a

De beracha voor groentesoep

Door Rav Mordecai Kornfeld, Rosj Kolel Iyun HaDaf, Har Nof, Jeruzalem

De Gemara stelt dat de beracha voor Mei Sjelakot, het wat waarin groente werd gekookt, „Borei perie haädama” is.

Hij kunnen wij dit in overeenstemming brengen met wat er op de vorige daf (38a) staat over honing die uit dadels komt, namelijk dat men daarover „Sjèhakol” zegt, omdat het slechts een afscheidingsvloeistof is en niet een deel van de vrucht zelf? Wanneer wordt vruchtensap als een afscheiding van vloeistof beschouwd en wanneer is het een deel van de vrucht zelf?

a. De ROSJ (6:18) schrijft dat wanneer groente gekookt wordt, de smaak ervan in het water gaat. Daarom is de beracha voor water, waarin groente is gekookt „Borei perie ha-adama.” Vocht dat vanzelf uit een vrucht komt, heeft niet de smaak van de vrucht (want het werd nimmer gekookt met de vrucht) en daarom is de beracha daarvoor „Sjèhakol.” De Rosj voegt daaraan toe dat als men de vrucht kookt, men misschien „Borei perie ha’eets” moet zeggen voor het water (wij zullen hieronder bespreken wat de twijfel van de Rosj is).

b. De RASJBA schrijft dat de normale manier  om groenten te bereiden, is ze te koken. Daarom zegt men „Borei perie haädama” voor het water waarin de groente gekookt werd. Daar vruchten (zoals dadels) in het algemeen niet gekookt worden, zegt men „Sjèhakol” over het water waarin het gekookt werd.

De RAMBAM (Hilchot Berachot 8:4) is het eens met de Rasjba maar voegt daar een voorwaarde aan toe. Niet alleen moet de groente er een zijn die gewoonlijk in water gekookt wordt, maar het water moet ook een drank zijn, de mensen gewoon zijn te drinken.

(De Misjna Beroera wijst erop dat de twijfel van de Rosj was, of men de voorwaarde van de Rasjba moest accepteren, dat het voedsel van een soort is dat normaliter gekookt wordt. Hoewel hij meent dat het kookproces de smaak van het voedsel overbrengt op het water, zou het kunnen zijn dat, het water alleen dezelfde beracha kan krijgen als het voedsel, wanneer het voedsel normaliter in water gekookt wordt.)

c. De TALMIDEI RABBEINOE JONA leggen uit dat als het voedsel in water gekookt is en het water wordt normaliter bij de maaltijd gebruikt, dat dan het water als een deel van de maaltijd beschouwd wordt, waarover men „haädama” zegt.

d. De RE’A, RITWA en MEÏRI schrijven dat de Gemara het niet heeft over welke beracha men zegt over het water; iedereen is het erover eens dat de beracha voor het water „Sjèhakol” is. Echter, de Gemara bediscusieerd of iemand die een beracha voor de groente zegt („haädama”) nog een aparte beracha moet zeggen  („Sjèhakol) voor het water. Daar de groente in het water gekookt is, hoeft hij niet „Sjèhakol voor het water te zeggen wanneer hij de groente er samen mee eet.

HALACHA

De Sjoelchan Aroech (O.Ch. 208:8, 10) citeert de meningen van de Rosj en de Rasjba en beslist dat ten gevolge van de twijfel, wij beiden volgen. Daarom zegt men, wanneer men vruchten in water kookt, en dat fruit wordt doorgaans niet gekookt gegeten, „Sjèhèkol” voor het water (volgens de Rasjba). Wanneer men een vruchtenboom plant met de specifieke bedoeling om vruchtensap te maken van de vruchten die aan de boom  zullen groeien, en hij perst  het sap uit de vruchten zonder het fruit eerst te koken (zoals men sinaasappelsap maakt van sinaasappelen die speciaal voor dat doel gekweekt worden), dan zegt men ook „Sjèhèkol” (eveneens wegens de twijfel die bestaat en daarmee volgen wij de Rosj). (Zie ook de Misjna Beroera 202:52.)

De Misjna Beroera voegt daar nog aan toe (205:9) dat wanneer men een beracha voor het fruit zelf zegt (dus Boree perie ha’eets), dan zegt men niet ook nog een beracha voor het sap van die vrucht, zoals de Rea en de Ritva zeggen. De Misjna Beroera (205:10) citeert ook de beslissing van de Tesjoewot HaRosj (4:15), dat als men iets kookt om het gekookte voedsel te eten, dat dan het water ondergeschikt is aan het voedsel en dat men dan dezelfde beracha zegt voor het water (wanneer men dat apart eet) als voor het voedsel. Wanneer men voedsel speciaal voor het water kookt, dan zegt men „Sjèhèkol” voor het water.

 

Berachot 41a

Eindeloos in een cirkel ronddraaien

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 306  van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

De Gemara bespreekt de volgorde van preferentie bij het zeggen van de berachot voor voedsel. Als iemand van plan is twee verschillende vruchten te eten, die ieder een andere beracha nodig hebben, dan zijn de meeste poskiem het erover eens, dat men eerst een beracha zegt over de vrucht waaraan men de voorkeur geeft om die te eten. Dus bijvoorbeeld, als iemand druiven en ananas wil eten, en hij geeft de voorkeur aan ananas, dan zegt hij eerst Boree perie ha-adama voor de ananas en daarna Boree perie ha’eets voor de druiven. Dit is zo, ondanks het feit dat druiven behoren tot de sjiv’at haminiem (de zeven soorten waarvoor Tora het Land Israël prijst), en de beracha Boree perie ha’eets meer bijzonder is dan Boree perie ha-adama. Niettemin heeft voedsel dat de voorkeur verdient voorrang (zie Sjoelchan Aroech O.Ch. 211:1, Misjna Beroera 9).

Echter, wanener iemand twee soorten vruchten eet, die dezlefde beracha nodig hebben, dan zegt hij eerst de beracha over de sjiv’at haminiem. Bijvoorbeeld, als hij druiven en een perzik wil eten, dan zegt hij eerst de beracha Boree perie ha’eets voor de druiven, hoewel hij de vorokeur geeft aan perziken (Sj.A., id.).

Gebaseerd op deze beide regels, ontstaat het volgende probleem. Wat moet men doen als iemand perziken, ananas en druiven wil eten? Zijn meest favoriete vrucht is perzik, dan komt ananas en van druiven houdt hij het minst. Wanneer hij overweegt om eerst een beracha voor de perzik te maken, dan maken wij bezwaar en zeggen dat de druiven voorgaan, want die vereisen dezelfde beracha als de perzik, maar zijn één van de sjiv’at haminiem. Wanneer hij overweegt om eerst een beracha voor de druiven te zeggen, dan maken wij ook bezwaar  en zullen wij zeggen dat de ananas eerst komt, want die vindt hij lekkerder en daarvoor zegt men een andere beracha. Wanneer hij vervolgens overweegt om dan eerst een beracha voor de ananas te zeggen, dan maken wij opnieuw bezwaar, en dan zeggen wij hem dat de perzik voorgaat, want daar geeft hij de voorkeur aan boven de ananas en het vereist een andere beracha.

Deze persoon blijft zo eindeloos in een kringetje ronddraaien: welke vrucht hij ook in zijn hand neemt, hij moet eerst een andere vrucht nemen… en hij heeft zo´n trek in fruit. De Teipler Gaon heeft de volgende oplossing voorgesteld. De beracha voor de druiven moet eerst gezegd worden. Als iemand bezwaar maakt en zegt dat de ananas voorgaat, omdat hij die prefereert, dan antwoorden wij hem dat de beracha voor druiven – Boree perie ha’eets – ook een beracha is voor zijn eerste keus, de perzik. De halacha dat de lekkerste vrucht voorgaat is in principe dat de beracha voor de geprefereerde vrucht voorgaat (als hij een perzik en een appel had willen eten, die beide Boree perie ha’eets nodig hebben, dan zou hij inderdaad de beracha over de geprefereerde vrucht moeten zeggen). In ons geval heeft de beracha Boree perie ha’eets zowel het voordeel van de sjiv’at haminiem (want hij dekt de druiven) en het voordeel van de geprefereerde vrucht (want hij geldt ook voor de perzik).

De Steipler legde er wel de nadruk op dat deze oplossing een punt is voor nadere overweging en dat men daar niet noodzakelijk op hoeft te vertrouwen in de praktijk. (Sefer Zichron Chai 2:9. Zie ook WeZot HaBeracha, Bi’oer Halacha 47).

 

ô ô ô

Berachot 42a

Twee psoekiem als bewijs

Door Rabbi Moishe Kimelman

De Gemara vertelt: Abbajé zei: „Onmiddellijk na Tora-geleerden komt een zegen[1].  Dat blijkt uit wat er staat geschreven [Bereisjiet 30:27]: ‘En Hasjem heeft mij dank zij jou gezegend’[2]. Of als je wilt [kan het uit het volgende vers (Bereisjiet 39:5) worden afgeleid]: ‘En Hasjem zegende het Egyptische huis, wegens Joseef,’ ”[3].

Een aantal mefarsjiem [bijbel-commentatoren] verbazen zich over het feit dat Abbajé het nodig vond om twee verschil­lende psoekiem als bewijs voor zijn stelling aan te voeren. Waarom vond Abbajé de eerste passoek, die bovendien eerder in Tora voorkomt, niet overtuigend genoeg?

Ben Iesj Chai suggereert een aantal antwoorden.

Zijn eerste antwoord, in zijn sefer Ben Jehojada, is dat de passoek die gaat over Ja’akov en Lawan, geen geldig bewijs is, omdat Ja’akov de schoonzoon van Lawan was. De verhouding tussen een schoonzoon en een schoon­vader, zelfs al zijn die twee zo verschillend als Ja’akov en Lawan, is nauwer dan die tussen mensen die geen enkele familieband hebben. De zegen die Lawan ervoer dankzij Ja’akov kan daarom niet als bewijs van een algemene regel beschouwd worden, dat de nabijheid van een talmied chacham een zegen brengt. Joseef was natuurlijk in geen enkel opzicht gerelateerd aan Potifar en de tweede passoek is daarom een beter bewijs van het effect dat een talmied chacham heeft op iemands huis.

Hij geeft nog een ander antwoord en zegt dat de zegen die Lawan ervoer, hieruit bestond dat zijn schapen en geiten zich enorm uitbreidden in aantal. Maar de Gemara [in Choelien 84b] zegt dat kleinvee zich altijd sterk uitbreidt en daardoor zijn eigenaars altijd rijk maakt. Er is dus geen enkel bewijs dat de welvaart die Lawan ervoer, het gevolg was van de zegen dankzij Ja’akov. Potifar daarentegen werd gezegend met welvaart op ieder gebied en daarom is deze passoek een beter bewijs.

In zijn boek Benajahoe noemt de Ben Iesj Chai nog twee andere problemen met het bewijs van Lawans welstand.

Ten eerste had Ja’akov veertien jaar in het huis van Lawan doorgebracht voordat Lawan deze woorden zei. Het is een beetje moeilijk om te bewijzen dat een zegen onmiddellijk volgt als men een talmied chacham in huis haalt, wanneer de rijkdom die hij vergaard had, pas in de loop van de veertien jaren verkregen werd, nadat Ja’akov zijn intrede in Lawans huis in Charan gedaan had. Daarom noemt Abbajé de tweede passoek, waar gezegd wordt  dat „sedert de tijd dat hij [Potifar] hem [Joseef] over zijn huis had aangesteld en over alles wat hij bezat, Hasjem het huis van de Egyptenaar gezegend had.”

Ten slotte, schrijft de Ben Iesj Chai, dat Abbajé een storende fout ontdekte in de eerste passoek, omdat het Lawan zelf was die de passoek uitsprak. Lawan was een notoire leugenaar en hij trachtte hier Ja’akov over te halen om in Charan te blijven. Mogelijk overdreef hij zijn rijkdom schromelijk, om Ja’akov te overtuigen te blijven. Maar de passoek die zegt dat het huis van Potifar gezegend was dankzij de verdienste van Joseef, werd daarentegen door Hasjem gezegd, en dat is daarom een sterk bewijs.

Noten

[1] D.w.z. wanneer men bevriend raakt met een Tora-geleerde en hem thuis uitnodigt, dan brengt dat onmiddellijk een zegen op het huis.

[2] Dit zijn de woorden van Lawan tegen Ja’akov, wanneer hij hem probeert te overtuigen bij hem te blijven en niet naar huis terug te keren.

[3] dat wil zeggen, dat Hasjem het huis van Potifar zegende wegens de verdienste van Joseef

 

 

ô    ô  ô

Berachot 43b

Het vijfde zintuig

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Wat is de bron in Tenach voor het voorschrift dat men een beracha moet zeggen wanneer men geniet van een aangename geur?

„Laat iedere ziel Hasjem prijzen,” zegt Koning David (Tehilliem 150:6). Van welk genoegen geniet alleen de ziel en niet het lichaam? Dat is beslist het plezier dat men heeft wanneer men een aangename geur ruikt.

De Maharsja merkt op dat dieren, net als mensen, vijf zintuigen hebben, met inbegrip van de reuk, ondanks dat zij geen ziel hebben. Hij veronderstelt echter dat dieren, die alleen levenskracht hebben en geen ziel, niet echt genieten kunnen van een aangename lucht die zij ruiken en dat dit genoegen alleen voor de ziel in een mens gereserveerd is.

Door de grote chasidische denkers is een interessante opmerking gemaakt over de reuk. Toen Adam en Chawa aten van de verboden vrucht van de Boom van de Kennis, waren daarbij bijna al hun zintuigen betrokken. Zij hoorden de verleidende woorden van de slang, zij zagen de schoonheid van de vrucht, zij raakten hem aan en proefden hem. Al deze zintuigen werden aangetast door de drang naar materialisme. Alleen de reukzin was niet betrokken bij deze zonde en daarom bleef hij ongerept en zuiver genoeg opdat de zuivere ziel ervan kan genieten.

ô  ô  ô