Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

26 Nisan 5765

Traktaat Berachot 45-55 Nr. 85

Berachot 45b

Mogen vrouwen samen een „zimoen” maken?

Door Kollel Iyun HaDaf, Jerusalem

meningen

De Gemara haalt een Baraita aan, die zegt dat vrouwen een zimoen mogen maken wanneer zij Birkat Hamazon samen zeggen. Hoe is de halacha in deze zaak?

a.   Tosafot (beginwoorden.: Sja’anie Hatam) schrijft dat vrouwen geen verplichting hebben om een zimoen te maken, als zij samen eten, maar zij mogen wel een zimoen maken als zij dat willen. Het gevolg is, dat de algemene gewoonte tegenwoordig is, dat vrouwen geen zimoen maken. Dit blijkt ook de mening van Rasji te zijn (b.w. d’Ika De’ot).

De Semag voegt daaraan toe dat wanneer vrouwen samen met mannen eten, zij verplicht zijn deel te nemen aan de zimoen, zelfs volgens Tosafot. Het is alleen facultatief voor vrouwen om een zimoen te maken, wanneer drie of meer vrouwen samen eten zonder mannen.

b.   De Rosj (7:4) is het om verschillende redenen niet met Tosafot eens. Ten eerste leert de Gemara in Arachien (3a) dat vrouwen een zimoen maken. Dat is daar gebaseerd op een Baraita, die zegt: „HaKol chajawien bezimoen,” hetgeen inhoudt dat vrouwen verplicht zijn. Ten tweede, daar vrouwen verplicht zij Birkat Hamazon te zeggen (hetzij mid’Oraita of mid’Rabbanan; zie Berachot 20b), waarom zouden zij dan niet ook verplicht zijn zimoen te bensjen? Ten derde komt de Gemara tot de conclusie dat vrouwen aparte ‘persoonlijkheden zijn’ (Ika De’ot); dat wil zeggen, dat iedere vrouw voor wat betreft de zimoen, als een man beschouwd wordt. Dit houdt in dat drie vrouwen de verplichting hebben om zimoen te bensjen, net zoals drie mannen. Tosafot schrijft inderdaad dat één van de Risjoniem zijn dochters vroeg om erop toe te zien dat zij Birkat haMazon met een zimoen zouden zeggen wanneer zij samen, zonder mannen gegeten hadden.

Halacha

De sjoelchan aroech (O.Ch. 199:7) beslist overeenkomstig Tosafot, die zegt dat wanneer vrouwen samen eten (zonder drie mannen), dan mogen zij kiezen of zij zimoen willen maken of niet. Maar wanneer zij samen met een groep mannen eten, zijn zij verplicht deel te nemen aan de zimoen.

De Bi’oer halacha (b.w. Nasjiem) haalt de Gaon van Wilna aan, die beslist volgens de Rosj en die zegt dat vrouwen verplicht zijn zimoen te maken, zelfs als zij alleen met andere vrouwen samen eten. Hij concludeert echter dat de geaccepteerde praktijk voor vrouwen is om geen zimoen te maken, zoals Tosafot zegt.

 

Berachot 47b

De Tiende Man

Door Rav Mendel Weinbach, dekaan Jesjiwat Ohr Sameach, Jeruzalem

Voor minjan heeft men tien man nodig. Met dit klassieke probleem werd zelfs de grote Geleerde Rabbi Eliëzer geconfronteerd, toen hij in de synagoge kwam en daar geen tien man aantrof, zodat men geen Kedoesja zou kunnen zeggen. Want alleen tien godsdienstig meerderjarige mannen (van 13 jaar of ouder) mogen in het openbaar gezamelijk G-ds naam heiligen. Daar hij geen mogelijkheid zag om ergens een tiende man vandaan te halen [zit u ook wel eens met dat probleem?] bevrijdde Rabbi Eliëzer zijn Kena’anitische slaaf en maakte hem zo geschikt om mee te worden geteld voor het minjan – het vereiste quorum van tien. Hoewel het normaliter verboden is om zo’n slaaf te bevrijden, woog het belang van de mitswa in dit geval op tegen het verbod.

De grote Geleerde Rabbijn Zwi Asjkenazi, de auteur van de Responsa Chacham Zwi, (die leefde in de achttiende eeuw en die van 1712-1714 Rabbijn van Amsterdam was) gebruikte dit incident om een halachisch probleem op te lossen: „Kan een mens, geschapen met behulp van mystieke krachten, meetellen als tiende man voor een minjan?” (Responsa  nr. 83).

(Als bewijs dat dit niet uitsluitend een theoretische vraag was, haalt hij een traditie aan, volgens welke zijn grootvader, Rabbi Eliahoe van Chelm, zo een mens gemaakt zou hebben. Het feit dat hij nalaat om de beroemde golem te noemen, die door Rabbijn Jehoeda Loewe, de Maharal van Praag geschapen zou zijn en die iets meer dan een eeuw daarvoor geleefd had, roept twijfel op aangaande de betrouwbaarheid van deze legende!)

Rabbijn Asjkenazi komt tot de conclusie dat zo een door een mens gemaakte man niet kan meetellen voor een minjan en zijn conclusie is gebaseerd op een incident dat genoemd wordt in Sanhedrin 65b. De Geleerde Rawa schiep een mens door middel van de mystieke combinatie van de letters van de G-ddelijke Naam en hij zond zijn schepping naar Rabbi Zera. Toen deze zag dat dit schepsel niet kon spreken, beval hij het terug te keren tot de stof waaruit het was ontstaan. Als een dergelijk schepsel in staat was geweest om een waardevolle bijdrage te leveren aan de dienst door een minjan vol te maken, dan zou Rabbi Zera de vernietiging daarvan niet hebben bevolen. Misschien is de voorkeur van Rabbi Eliëzer om het verbod op de bevrijding van slaven te overtreden, ten einde een minjan te complementeren, in plaats van een nieuw ‘mens’ te scheppen – waartoe hij zeker in staat was – eveneens een aanwijzing dat een dergelijk schepsel niet kan meetellen voor een minjan.

 

Berachot 48b

De oorsprong van de Sjabbat zemira Tsoer mi-sjelo achalnoe”.

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 308 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Een van de beest bekende Sjabbat zemirot die gezongen wordt is Tsoer mi-sjelo achalnoe. Het wordt over de hele wereld gezongen, zowel in Sefardische als in Asjkenazische gemeenten. De juiste tijd van de oorsprong, zowel als van de auteur ervan, zijn onbekend. De oudste manuscripten waarin het voorkomt, dateren van zeshonderd jaar geleden. Maar velen geloven dat het veel ouder is dan dat.

Wanneer wij de vier coupletten van Tsoer mi-sjelo nader bekijken, zien wij dat zij een nauwe overeenkomst vertonen met de berachot van Birkat Hamazon:

Het eerste couplet: „Tsoer mi-sjelo achalnoe, baroech emoenai – de Rots van Wie wij hebben gegeten, zegen Hem, mijn getrouwe,” komt overeen met de zimoen, waarin wij degenen die samen gegeten hebben, uitnodigen om gezamelijk Hasjem de loven voor het eten waarmee Hij ons gevoed heeft en om gezamelijk de Birkat Hamazon uit te spreken.

Het tweede couplet: „Hazan et olamo… achalnoe et lachmo – Hij voedt Zijn hele wereld… wij hebben Zijn brood gegeten.” komt overeen met de eerste beracha: „Hazan et hakol – Die alles voedt.

Het derde couplet: „Besjier wekol toda, newareech Elokeinoe al erets chemda towa sjehinchiel laäwoteinoe – Met zang en geluid van dank, laat ons G-d prijzen voor het begeerlijke en goede land dat Hij aan onze voorouders als een erfenis gegeven heeft.” Dit correspondeert met de tweede beracha: „‘Al haärets we-‘al hamazon – voor het land en voor de voeding.”

Het vierde couplet: „Rachem bechasdecha al amcha Tsoereinoe… ben David avdecha jawo wejigaleinoe – Heb in Uw goedheid genade met Uw volk, O, onze Rots… moge de zoon van David, Uw dienaar, komen en ons verlossen.” Dit komt overeen met de derde beracha van de Birkat Hamazon: „Rachem na Hasjem Elokeinoe ‘al Jisraël amècha … Heb erbarmen Hasjem, onze G-d, voor Israël, Uw volk.”

Het begin van het vijfde couplet: „Jibanee hamikdasj ‘ier Tsion… Bouw Uw Heiligdom in Zion” correspondeert met het eind van de derde beracha: „Bonee Jeroesjalajim – Die Jeruzalem herbouwt.”

Het einde van het vijfrde couplet: „HaRachaman hanikdasj, jitborach wejit’alè ‘al kos jajin malee – De Barmhartige, Die geheiligd is, moge Hij gezegend en verheven zijn, over een volle beker wijn,” correspondeert met de beracha over de beker wijn die men zegt als de Birkat Hamazon over een beker wijn wordt uitgesproken.

Misschien werd Tsoer mi-sjelo geschreven door een Tanna: Eén deel van de Birkat Hamazon, dat opvallend afwezig is in Tsoer mi-sjelo is de vierde beracha, Hatov wehametiev. In tegenstelling tot de eerste drie berachot van Birkat Hamazon, die mid’Oraita [door Tora voorgeschreven] zijn, werd deze vierde beracha ingesteld in Javne, na de Choerban [Verwoesting], in de tijd van de latere Tannaïem. Het feit dat Tsoer mi-sjelo geen melding van deze beracha maakt, leidde de Matee Jehoeda (blz. 18) ertoe te veronderstellen dat het misschien geschreven was door één van de vroegere Tannaïem, die leefde voordat Hatov wehametiev werd geïntroduceerd.

Tsoer mi-sjelo inplaats van Birkat Hamazon: Zoals wij gezien hebben, raakt Tsoer mi-sjelo aan de hoofd-thema’s van Birkat Hamazon. Rav Asjer van Sjarsjov, een leerling van Rav Chaim uit Volochin z”l was gewend om deze zemira niet te zingen (Keter Rosj, ot 94). Sommigen speculeren dat Rav Chaim vreesde dat door Tsoer mi-sjelo te zingen, hij al de verplichting van Tora om een beracha over de mazon te zeggen, al vervuld had. Daar hij er de voor­keur aan gaf om de verplichting van Tora uit te voeren met de berachot die door onze Geleerden daartoe waren ingesteld, zong hij geen Tsoer mi-sjelo. (Zie Siddoer Isjei Jisraël, blz. 244).

Hebben mitswot speciale intentie nodig? Er is een bekende discussie in de Gemara en bij de latere poskiem, of een mitswa, die niet met de juiste intentie [kawana] gedaan werd, geldig is of niet. Als bijvoorbeeld iemand op Rosj Hasjana op een sjofar blaast, om de horen of het geluid, dat eruit komt, wel mooi genoeg is, heeft hij dan aan de verplichting voldaan om op Rosj Hasjana op de sjofar te blazen? Daar deze vraag niet is opgelost, is de algemeen geaccepteerde regeling dat men streng moet zijn en beide meningen moet volgen. Die persoon moet op Rosj Hasjana nogmaals blazen, nu met de juiste intentie (voor het geval dat hij zijn plicht niet vervuld heeft) maar hij mag er geen beracha voor zeggen (voor het geval dat hij wel reeds zijn plicht gedaan heeft). [Zie de Sjoelcha Aroech O.Ch. 60:4 en Rabbi Akiwa Eiger daar, die de Prie Megadiem aanhaalt].

Wanneer mitswot speciale intentie nodig hebben, dan heeft men met het zingen van Tsoer mi-sjelo zijn plicht van de beracha na de maaltijd niet voldaan, want het was niet onze bedoeling om dat te doen. Maar omdat wij streng moeten zijn en gehoor moeten geven aan beide meningen, moeten we er rekening mee houden dat we met Tsoer mi-sjelo wel onze verplichting vervuld hebben, ondanks dat dat niet onze bedoeling was. Daarom zong Rav Chaim  van Volotchin het niet.

Niettemin is het de algemene gewoonte van alle Joodse gemeenschappen over de hele wereld om het wel te zingen. Er zijn vele verschillen tussen Tsoer mi-sjelo en de algemeen geaccpeteerde woorden van de Birkat Hamazon. Ten eerste is daar de Rabbijnse verplichting om de standaard formule voor berachot te gebruiken: Baroech Atta… Melech… , waaraan Tsoer mi-sjelo zeker niet voldoet. Zelfs al zou men met Tsoer mi-sjelo aan zijn Bijbelse verplichting van een beracha na de maaltijd hebben voldaan, dan heeft men daarmee nog niet voldaan aan de Rabbijnse verplichting. Verder zegt de Gemara dat de Birkat Hamazon melding moet maken van de Brit mila, de Tora, het koninkrijk van David en „erets chemda towa oerechawa” – het begeerlijke, goede en ruime land,” en dat is allemaal afwezig in Tsoer mi-sjelo. Volgens sommige Risjoniem moeten deze dingen zelfs mid’Oraita vermeld worden. Maar zelfs als dat alleen maar mid’Rabbanan is, toont het weglaten daarvan duidelijk aan dat wij niet de bedoeling hebben om met Tsoer mi-sjelo de naberacha na de maaltijd te zeggen. Zelfs als een mitswa geen nadrukkelijke intentie nodig heeft, de nadrukkelijke bedoeling om er geen mitswa mee te doen, doet de mitswa teniet. Om al deze redenen veronderstellen wij dat Tsoer mi-sjelo niet de plaats in neemt van de Birkat Hamazon, en dat het dus gezongen mag worden.

Tot slot een belangrijke opmerking van Joseef Omets, dat Tsoer mi-sjelo bedoeld was om te worden gezongen na Birkat Hamazon. Daarmee zijn alle bezwaren opgelost.

ô ô ô

Berachot 50a

Wijd open

Door Rav Mendel Weinbach, dekaan Jesjiwat Ohr Sameach, Jeruzalem

„Gezegend is Hij van Wie wij gegeten hebben en Die ons onderhoudt met Zijn goedheid.”

Met deze inleiding tot de Birkat Hamazon, die wij zeggen na een maaltijd, waaraan minstens drie mannen samen hebben gegeten, drukken wij onze erkentelijkheid uit voor de onbegrensde goedheid van de Schepper. Tevens weer­spiegelt het het begrip dat een Tora-geleerde heeft van de aard van de beracha. Als iemand in plaats daarvan zegt: „Die ons onderhoudt van Zijn goedheid”, wordt een lomperd genoemd, want hij beperkt zijn lof voor de Schepper tot het minimum dat nodig is voor overleving.

Terwijl het nodig is om in zulke brede bewoordingen te spreken als het gaat om de Schepper te prijzen, is het iets anders als men iets van Hem wil vragen. Wanneer het verzoek is voor materiële bezittingen, moet men dat in de meest bescheiden manier vragen, zoals Koning David dat deed, die bad: „Moge het huishouden van Uw dienaar gezegend voor altijd worden van Uw zegeningen” (II Sjmoeël 7:29). Rasji verklaart dat wij ons moeten gedragen als een bedelaar.

Maar als het gaat om een verzoek voor succes bij Tora-studie, dan nodigt David HaMelech ons in naam van Hasjem uit: „Open wijd je mond en Ik zal hem vullen” (Tehilliem 81:11).

Dit is een krachtige stimulans voor iedere Jood die zich bezighoudt met Tora-studie – van de full-time jesjiwa-student tot de zakenman of werknemer met slechts beperkte tijd voor studie – om Hasjem te vragen om ongelimiteerde assistentie voor de verkrijging van de meest ambitieuze doelstellingen bij het leren.

Berachot 53a

„Prosit! Gezondheid! – Labrioet!

Dit zijn de traditionele zegeningen die men iemand toewenst die geniest heeft, in het Nederlands of in het Hebreeuws. Maar in de tijd van de Talmoed was de uitdrukking hiervoor: „marpei”, hetgeen ongeveer hetzelfde betekent en waarmee men de niezer een goede gezondheid toewenst.

Wat moet je doen als je buurman in het Beit midrasj – de studiezaal – niest, terwijl jij Tora zit te leren. Moet je dan je studie onderbreken en hem een goede gezondheid toewensen?

In de Beit Hamidrasj van Rabban Gamliël, zo wordt ons verteld, wenste men de niezer geen marpei, om de Tora-studie niet te onderbreken. Op basis hiervan zegt de Sjoelchan Aroech (O.Ch. 246:17) dat ook wij onze Tora-studie niet moeten onderbreken om iemand een goede gezondheid toe te wensen.

Gold dit alleen voor de vroegere generaties, die nimmer hun hoofden ophieven uit hun boeken, om iets te zeggen dat geen verband hield met Tora, of is dat ook nog van toepassing in onze tijd, waar wij onze Tora-studie onderbreken voor minder belangrijke zaken. De Priesja meent dat wij om die reden de niezer gezondheid mogen toewensen.

De Toerei Zahav echter is het hier niet mee eens. Hij citeert iets, wat volgens hem de basis is voor het onderscheid tussen verschillende perioden. In het tweede hoofdstuk van dit traktaat (daf 16a) hebben we geleerd dat een chattan  [een bruidegom] is vrijgesteld van het zeggen van Sjema’ op zijn huwelijksnacht, omdat hij zo geconcentreerd is op de uitvoering van zijn huwelijksdaad, dat hem dit verhindert zich naar behoren te concentreren op de mitswa van Sjema’. De Sjoelchan Aroech (O.Ch.70:3) zegt echter, dat deze vrijstelling voor chattaniem niet meer van toepassing is, omdat nu niemand zich meer werkelijk zo intensief concentreert op het zeggen van Sjema’.

Als deze halacha het uitgangspunt is dat de Priesja hanteert voor zijn antwoord, dan is dat een hoogst twijfelachtige uitbreiding van de halacha, meent de Taz. Door rekening te houden met het universele lage niveau van concentratie, komen wij tot het positieve resultaat dat een chattan ook Sjema’ zegt. Maar met welk recht, zo vraagt hij, mogen wij dit lagere niveau als argument gebruiken om minder Tora te studeren door het goed te vinden dat men een niezer gezondheid toewenst? Dat zal een negatief effect hebben op de mensen in het Beit Hamidrasj en hen aanmoedigen om hun studie te onderbreken voor allerlei ijdele praatjes.

Desondanks noemt de Aroech haSjoelchan (246:33) alleen de soepele mening van de Priesja.

Berachot 54a

Het verschil tussen een koning en een graf

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 308 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Onze Gemara behandelt de berachot die men zegt als men een natuurverschijnsel ziet, zoals de bliksem, bijzondere  mensen of een plaats van een wonder. De Sjoelcha Aroech bepaalt dat de berachot voor het zien van ongewone dingen niet meer dan eenmaal in de dertig dagen gezegd mag worden (O.Ch. 224:13). Dus als iemand een koning ziet, zegt hij de passende beracha, maar als hij de koning binnen dertig dagen weer ziet, zegt hij die beracha niet nog eens.

Geldt dit alleen voor een tweede ontmoeting met dezelfde koning? Als iemand binnen dertig dagen twee ver­schil­lende koningen ziet, moet hij dan de tweede keer een beracha zeggen of niet?

Waarom herhalen wij de beracha de tweede keer binnen dertig dagen niet? Het antwoord op deze vraag hangt af van de vraag of de halacha bezwaar heeft tegen het zeggen van dezelfde beracha binnen dertig dagen of tegen het zeggen van een beracha bij het zien van hetzelfde fenomeen? Wanneer het bezwaar zich richt tegen het herhalen van dezelfde beracha, dan mag men bij het zien van een andere koning die beracha ook niet herhalen. Maar als het bezwaar gericht is tegen het zeggen van een beracha voor twee dezelfde veschijnselen, dan moet men ook voor de tweede koning de beracha zeggen. Dit laatste lijkt ook logisch want iedere koning manifesteert zijn majesteit op zijn eigen unieke manier. De algemeen geaccepteerde regel is dan ook dat zelfs al zou men honderd verschillende koningen op dezelfde dag zien, dan zegt men iedere keer een beracha voor hen. (Tesjoewot Rasdvaz, II, 3, aangehaald door de Magen Awraham en de Misjna Beroera 224:17).

De Gemara zegt dat als iemand een Joods graf ziet, dan moet hij zeggen: „Gezegend bent U, Hasjem… Die jou met rechtvaardigheid geschapen heeft…” Ook deze beracha wordt maar eenmaal in de dertig dagen gezegd. Hoe is de halacha als iemand een tweede graf ziet binnen dertig dagen? Zegt hij dan ook weer de beracha, net als bij die tweede koning?

Het verschil tussen een koning en een graf: De Misjna Beroera (ibid) bepaalt dat men de beracha moet herhalen. Hij haalt echter poskiem aan die een onderscheid maken tussen het zien van twee veschillende koningen en twee verschillende graven. Alle graven lijken op elkaar, en geven dezelfde indruk van verlies van leven, zoals de pas­soek zegt: „Want je bent stof, en tot stof zul je terugkeren” (Bereisjiet 3:19). De emoties die het tweede graf oproepen, zijn daarom dezelfde als die van het eerste graf en daarom hoeft men maar eenmaal de beracha te zeggen.

Verschillende koningen daarentegen, presenteren zich met verschillende protocols en met verschillend vertoon van eer. Iedere koning maakt een unieke indruk van zijn majesteit en daarom is iedere koning een aparte beracha waardig. (Zie Piskei Tesjoewot, ib. noot 11).

Iedere bliksemflits en iedere donderslag is uniek: De Raävad (Rif 43b) werd eens gevraagd waarom iemand, die een beracha gezegd had voor de bliksem, die beracha moet herhalen wanneer hij de volgende keer weer een bliksemflits ziet. Wat is het verschil met berachot voor het zien van andere verschijnselen, die men maar eens in de dertig dagen mag zeggen? Hij antwoordde dat iedere bliksemflits een uniek fenomeen is. Daarom kan men dat niet vergelijken met het zien van dezelfde koning voor de tweede keer.

Aan de andere kant, zolang als de wolken niet uiteen gedreven zijn, herhaalt men de beracha voor de donder of bliksem niet (Sj.A. 227:2, volgens de Talmoed Jeroesjalmie). Wij begrijpen dat de beracha die men zegt voor donder en bliksem voortkomen uit het ontzag dat wordt opgeroepen bij het zien van deze geweldige spektakels van G‑ds Schepping. Wanneer iemand de bliksem voor het eerst ziet, staat hij te trillen, vol ontzag voor het geweld. De tweede keer dat hij de bliksem ziet tijdens dezelfde storm, wordt hij daar niet meer zo door aangegrepen. Daarom hoeft hij de beracha maar eenmaal te zeggen tijdens dezelfde storm. Maar als de stormwolken zich verspreid hebben en de lucht is opgeklaard, dan is de indruk die de storm heeft achtergelaten, uitgewist. Wanneer de hemel dan weer dichttrekt en een nieuwe donderstorm uitbreekt, dan komt men weer opnieuw onder de indruk, en daarom moet men dan opnieuw de beracha maken.