Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

10 Ijar 5765

Traktaat Sjabbat Nr. 86

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol.  310 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Een overzicht van Traktaat Sjabbat

Sjabbat is het eerste traktaat van Seder Mo’eed, en niet zonder reden; Sjabbat is de meest voorkomende van alle bijzondere dagen, en de straf op overtreding ervan is de zwaarste van allen. Overtreding van de voorschriften van Sjabbat wordt gestraft men steniging – de zwaarste straf die door het Beit Din werd uitgesproken, terwijl zelfs Jom Kippoer alleen door de Hemelse Rechtbank met kareet gestraft wordt, terwijl het verbod om op andere Jamiem Toviem te werken alleen maar een lo ta’asee (een verbod) is, waarvan overtreding met geseling gestraft wordt. Voorts kan geen enkel ander traktaat vergeleken worden met de omvang van traktaat Sjabbat voor wat betreft de enorme hoe­veel­heid halachot die daarin voorkomen. Om al deze redenen werd Sjabbat vooraan geplaatst in de order Mo’eed.

Voor het grootste deel gaat dit traktaat over de details van hilchot Sjabbat, zowel mid’oraita als mid’rabbanan. In hun discussies van deze halachot wijken onze Geleerden af naar verwante en minder of in het geheel niet verwante onderwerpen die in de hele Tora voorkomen, zoals de Talmoed zo vaak doet.

Het eerste hoofdstuk gaat over de melechet hotsaä, het verbod op het dragen op openbaar terrein en het uitbren­gen van het ene domein naar het andere. Ook worden de vier domeinen uitgebreid besproken. De diverse misjnajot behandelen verschillende Rabbijnse verboden, die werden ingesteld om de mensen te beschermen tegen ongewilde overtreding van Sjabbat. Bijvoorbeeld, een kleermaker mag vlak voor Sjabbat niet uitgaan met een naald in zijn kleren gestoken, om te voorkomen dat hij het ook nog bij zich zal dragen wanneer Sjabbat ingaat. Het hoofdstuk behandelt dan de achttien gezerot (verordeningen), die werden ingesteld door de leerlingen van Beit Hillel en Beit Sjammai op een gemeenschappelijke vergadering, en het sluit af met activiteiten die men al dan niet mag beginnen op erev Sjabbat [de dag voor Sjabbat, d.i. vrijdag], uit bezorgdheid dat men er onopzettelijk mee door­gaat als Sjabbat reeds is inge­gaan.

Het tweede hoofdstuk gaat over de mitswa van het aansteken van de Sjabbat-lichten. In dat verband behandelt de Gemara dan ook gelijk de lichten van de Chanoeka menora, en het hoofdstuk sluit af met een bespreking van bein hasjemasjot.

De derde en vierde hoofdstukken gaan over de bereiding van voedsel en hoe men die op een vuur of door isolatie warm kan houden voor de Sjabbat. De Gemara bespreekt ook de melacha van koken en geeft een aantal richtlijnen voor moektsa.

Het vijfde hoofdstuk concentreert zich op de mitswa dat men zijn dier moet laten rusten op Sjabbat. Het bespreekt welke voorwerpen als een last voor het dier beschouwd moeten worden en die daarom niet op het dier gelegd mogen worden om daarmee te lopen over openbaar terrein. De verplichting van vermaning wordt ook genoemd.

Het zesde hoofdstuk gaat over kleding en sieraden die al dan niet op Sjabbat op straat gedragen mogen worden, wegens vrees dat de drager ze buiten zal uit- of afdoen en ze in zijn hand zal verder dragen. Hier komen verschil­lende problemen van taharot te sprake.

Het zevende hoofdstuk, Klal Gadol” genoemd, noemt de negenendertig melachot op die op Sjabbat verboden zijn en behandelt de omstandigheden waaronder iemand verplicht wordt een chataat [zondoffer] te brengen voor onopzet­telijke overtreding, hetzij één korban, twee of meer. Het hoofdstuk besluit met een discussie over de minimale afme­ting die voor verschillende voorwerpen vereist is, om tot een chataat te worden verplicht, wanneer men ze over openbaar terrein vervoert.

Het achtste hoofdstuk gaat verder met deze discussie.

Het negende hoofdstuk gaat voor het grootste deel helemaal niet over Sjabbat, maar behandelt diverse halachot die geleerd worden uit bijvelverzen door middel van een asmachta. Eén van de behandelde onderwerpen is de welbekende verhandeling over Kabbalat HaTora. Het hoofdstuk eindigt dan met het onderwerp van de vereiste afmeting voor het dragen over openbaar terrein op Sjabbat.

Hoofdstuk tien behandelt in hoofdzaak de melacha van dragen; speciaal de manier waarop men draagt. Gewoon dragen is verboden mid’oraita, terwijl op een ongewone manier dragen, kil’achar jad (lett. ‘met de achterkant van de hand’) verboden is mid’rabbanan. De Gemara gaat dan verder met de basisprincipes van kil’achar jad en melacha sjèëina tsricha le-goef (een melacha die niet gedaan wordt voor zijn normale doel).

Het elfde hoofdstuk behandelt de halachot van het gooien of passeren van het ene domein naar het andere. Ook wordt hier het verbod op het dragen over vier amot over openbaar terrein op Sjabbat behandelt en verschillende wetten die geleerd worden van de manier waarop de Levieten de balken van het Misjkan droegen.

De rest van het traktaat zullen wij, Be’ezrat Hasjem [met G-ds hulp] bespreken wanneer wij halverwege gekomen zijn.

Het leren van Traktaat Sjabbat tijdens de Sjabbat-maaltijden

Er bestaat een wijdverspreide gewoonte in vele gemeenschappen om iedere Sjabbat het hele traktaat Misjna Sjabbat te leren: acht hoofdstukken bij iedere maaltijd. In sommige siddoeriem staan de Misjnajot Sjabbat samen met de zemirot afgedrukt.

Wij willen hier besluiten met een citaat van de Chafeets Chaïm uit zijn inleiding tot het derde deel van de Misjna Beroera, waarin de halachot van Sjabbat behandeld worden: „De auteur van Oeriem WeToemiem (Rav Jonatan Eibeschitz zt”l) schrijft in zijn werk Ja’arot Dwasj, dat het uitgesproken onmogelijk is voor iemand om overtreding van de wetten van Sjabbat te vermijden, tenzij hij al de relevante halachot uitgebreid en nauwkerig leert.”

Sjabbat Kodesj

Traktaat Sjabbat behandelt de halachot die verband houden met het vierde Gebod: „Gedenk de Sjabbat-dag om die te heiligen. Want zes dagen zul je werken en al je arbeid verrichten, maar de zevende dag is Sjabbat voor Hasjem, je G-d. Doe dan geen enkel werk, jij, je zoon, je dochter, je dienstknecht en je dienstmeid, je dier en je proseliet die bij jou binnen je poorten woont. Want in zes dagen schiep Hasjem de Hemelen en de aarde en de zee en al wat zich daarin bevindt, en op de zevende dag rustte Hij. Daarom zegende Hasjem de zevende dag en heiligde die” (Sjemot 20:7-10). Bovendien waarschuwt Tora ons nog twaalf keer tegen overtreding van de Sjabbat-voorschriften. De verplichting om Sjabbat te houden bestaat uit mitswot asei (geboden) en mitswot lo ta’asei (verboden).

Mitswot asei: In de passoek „Gedenk de Sjabbat-dag om die te heiligen,” gebiedt Tora ons om aan de Sjabbat te denken en om die te onderscheiden van de andere dagen van de week. Dat doen wij door het begin van de Sjab­bat met een kiddoesj in te wijden en door de Sjabbat af te sluiten met havdala. Verder hebben de profeten ons gezegd dat wij de Sjabbat moeten kenmerken met oneg (plezier) en kawod (eer), zoals de passoek zegt: „Wanneer je de Sjabbat een genoegen noemt en een heilige dag ter ere van Hasjem, en haar heiligt…” (Jesjajahoe 58:13). Talrijke halachot, waaronder die voor de voorbereiding van Sjabbat, Sjabbat-lichten en Sjabbat-maaltijden vinden allen hun oor­sprong in de mitswot van oneg en kawod Sjabbat, zoals in deze passoek genoemd. (Zei Rambam, hilchot Sjabbat, hfd. 30.)

Sjemirat Sjabbat: De verschillende verboden op het werken op Sjabbat hebben niet allen hetzelfde karakter. Som­mige zijn melachot die geleerd worden van de activiteiten die uitgevoerd werden bij de bouw van het Misjkan. Som­mige zijn overtredingen van de verplichting om te rusten op Sjabbat. Sommige zijn mid’oraita, andere werden door de Rabbijnen ingesteld ingevolge een Tora-gebod. In andere gevallen zagen de Rabbijnen de noodzaak om een verbod in te stellen om de mensen te beschermen tegen een overtreding van een issoer d’oraita (een Bijbels verbod).

De negenendertig melachot: Een av-melacha is één van de negenendertig hoofdtypes van „werk”, zoals ze in het zevende hoofdstuk van ons traktaat worden opgesomd. Iedere av (vader) heeft toledot („nakomelingen”, afgeleiden), die ook mid’oraita op Sjabbat verboden zijn. Zij staan gelijk met hun av. Dit zal be’ezrat Hasjem verder besproken worden bij de relevante Gemarot.

Het verbod op het doen van melacha op Sjabbat is niet afhankelijk van de hoeveelheid inspanning die daarmee gemoeid is. Sommige melachot worden makkelijk gedaan, en desalniettemin is iemand die dat met opzet, en na waarschuwing, toch doet, de dood door steniging schuldig. Het basisprincipe van melechet Sjabbat is ‘creatieve activiteit.’ Wanneer iemand iets verbetert of repareert, dan „creëert” hij iets nieuws dat daarvoor nog niet bestond (met uitzondering van hotsaä – zie volgend artikel). Onze Geleerden, hun aandenken zij ons tot zegen, hebben negenender­tig primaire activiteiten afgeleid van de bouw van het Misjkan. Het hele lichaam van Sjabbat is op deze melachot gebaseerd

Rusten en anderen laten rusten: Zoals iemand geboden wordt om zich te onthouden van de melachot van Sjabbat, zo is hem ook opgedragen zijn dieren, zijn kinderen en zijn Kena’anitische slaven te laten rusten, hoewel hun werk geen melacha is.

De verbod van sjewoet (rusten): De Tora gebiedt ons om van de Sjabbat een rustdag te maken: „Sjabbaton Sjabbat kodesj” (Sjemot 16:23), en „Op de zevende dag zul je rusten (tisjbot)” (ib. 23:12). Sommige Risjoniem (Ramban, Wajjikra 23:24; Ritwa, Rosj Hasjana 32b; zie Rambam, Hil. Sjabbat 21:1 en Maggid Misjna en Lechem Misjna ) vatten dit op als dat Sjabbat en Jom Tov rustdagen zijn, waarop het verboden is inspannende arbeid te verrichten (tircha). De Tora heeft het aan de Geleerden overgelaten om vast te stellen welke activiteiten in deze categorie thuishoren en daarom verboden zijn. De Ritwa (ibid) voegt daaraan toe dat in dit gebod een algemene Tora-verplichting is inbegrepen, om onderscheid te maken tussen Sjabbat-activiteiten en die van door de week. De issoeriem d’rabbanan (Rabbijnse verboden) voor Sjabbat worden daarom sjewoet genoemd, omdat zij gebaseerd zijn op de passoek die ons gebiedt op Sjabbat te rusten.

De Rambam (zie Hilchot Sjabbat 21:1, en 24:1) deelt de issoeriem derabbanan in verschillende categorieën in. Sommige activiteiten werden verboden omdat de Geleerden voelden dat zij sterk leken op melachot d’oraita. Andere werden verboden, omdat overwogen werd dat wanneer iemand werd toegestaan het toch te doen, hij daardoor makkelijk tot een overtreding van een issoer d’oraita zou komen. Sommige activiteiten werden verboden, ondanks dat zij geen inspanning vereisen, terwijl overtreding ervan ook niet makkelijk tot een overtreding van een Tora-verbod zou kunnen leiden. Zij werden echter verboden omdat zij de eer van Sjabbat aantasten en de passoek spoort ons aan: „Wanneer je je voeten ervan weerhoudt (om naar verboden plaatsen te lopen) op Sjabbat, en om je verlangens na te lopen op Mijn heilige dag… en die eer aan doet door je niet met je zakelijke aangelegenheden bezig te houden of daarover te praten…” (Jesjajahoe 58:13). Van deze passoek leren wij dat het verboden is om zijn zaken te regelen of daarover te praten op Sjabbat. (Het is de moeite waard om op te merken dat de redenen achter bepaalde Rabbijnse verboden het onderwerp van discussie is van de Risjoniem. Sommige activiteiten worden door de Rambam ingedeeld in de categorie van activiteiten die makkelijk tot overtreding van een melacha leiden, terwijl andere Risjoniem ze indelen in de categorie van inspannende arbeid.)

Onze geleerden stelden ook het bod in op het verplaatsen van voorwerpen die niet gebruikt worden op Sjabbat. Dit verbod staat bekend onder de naam moektse. (Zie Rambam, Hil. Sjabbat 24; inleiding tot de misjna Beroera tot 308).

Hotsaä (uitbrengen)

De eerste misjna in traktaat Sjabbat en de daaropvolgende dapiem van de Gemara bespreken de melacha van hotsaä, het overbrengen van resjoet harabbiem (openbaar terrein) naar resjoet jachied (privéterrein), en vice versa. De melacha van hotsaä wordt als laatste genoemd in de lijst van 39 melachot (73a). Waarom koos Rabbi Jehoeda Hanasi dan om het traktaat met dit onderwerp te beginnen? Vele Risjoniem hebben met dit raadsel geworsteld, te beginnen met Ritwa (aangehaald door Tosafot op onze daf) en te eindigen met de Maharal van Praag en de Gaon van Wilna.

Traktaat Sjabbat werd ingedeeld overeenkomstig iemands activiteiten: Sommige Risjoniem leggen uit dat traktaat Sjabbat werd ingedeeld overeenkomstig de volgorde  van iemands activiteiten, van erev Sjabbat tot het einde van Sjabbat. In de derde misjna staat: „Een kleermaker mag op erev Sjabbat niet uitgaan met zijn naald, om te voorkomen dat hij die per ongeluk op Sjabbat zal dragen” (1b). Volgende misjnajot bespreken de mitswa van het aansteken van de lichten voor Sjabbat, de voorbereiding en het warmhouden van voedsel op erev Sjabbat, enzovoort. Het zou onjuist zijn om te zeggen dat een kleermaker niet met zijn naald naar buiten mag gaan op erev Sjabbat, zonder dat eerst de nodige achtergrondinformatie is gegeven, namelijk dat er zo’n melacha bestaat als hotsaä. Daarom begint ons traktaat met hotsaä, als een introductie tot deze misjna (Rabbeinoe Tam, geciteerd in Tosafot).

Rambam geeft een andere verklaring (in zijn commentaar op de Misjnajot) en legt uit dat hotsaä de meest gangbare melacha is, en dat die het meest waarschijnlijk zal worden overtreden, omdat het alleen maar een melacha is die gedaan kan worden zonder een specifiek voorwerp. Voorts leert de misjna ons, dat hotsaä een melacha is, ook al lijkt dat niet zo te zijn (zie het vorige artikel). Daarom koos Rabbi Jehoeda Hanasi  dit onderwerp uit om het traktaat mee te beginnen, om er de nadruk op te leggen en de mensen attent te maken op het gevaar.

De Meïri suggereert een andere verklaring. Hotsaä wordt uitgebreider besproken dan elke andere melacha. In feite zijn de meeste onderwerpen van het traktaat ermee verbonden: de verschillende domeinen van Sjabbat, de minimum afmeting, het verbod op het verplaatsen van moektse en vele andere aanverwante onderwerpen. Daarom werd hotsaä eerst besproken.

De Gaon van Wilna, de Pnei Jehosjoea en andere Acheroniem geven een ander argument, namelijk dat hotsaä eenvoudig als eerste gekozen werd omdat het de enige melacha is die expliciet in Tora genoemd wordt, in de parasja van het manna (Sjemot 16:29): „Ieder persoon blijft op zijn plaats. Niemand zal zijn plaats op de zevende dag verlaten.” Veel Risjoniem interpreteren dit als een verbod op het uitbrengen naar risjoet harabbiem. De melacha van hotsaä was ook het eerste gebod dat wij kregen in verband met Sjabbat (zie chidoesjei halachot op traktaat Sjabbat, e.a.)

De Maharats Chajoet schrijft een uitgebreide en diepzinnige verklaring over de vraag waarom de misjna begint met de „bedelaar en de huiseigenaar”. Een latere misjna vertelt dat Chananja ben Chizkia be Goron in zijn bovenkamer een unieke vergadering van de grootste Geleerdn van zijn generatie ontving, de leerlingen van Beit Sjammai en Beit Hillel. Tijdens deze bijeenkomst stemden de Geleerden over achttien nieuwe Rabbijnse verordeningen. De Gemara (14b-15a, zie Rasjba die het anders verklaart dan Rasji) voegt daaraan toe dat er in feite zesendertig nieuwe verordeningen werden voorgesteld en besproken, maar dat slechts achttien daarvan door een meerderheid van stemmen werden geaccepteerd. De overige achttien bleven het onderwerp van discussie, omdat de Geleerden daarover niet tot overeenstemming konden komen

Echter, de Talmoed Jeroesjalmi (1:4, en dat is ook de verklaring van de Rasjba op de Bavli) zegt dat er daar in feite vieren­vijftig halachot besproken werden. Over achttien verboden bestond overeenstemming en die werden zonder dis­cussie onmiddellijk geaccpeteerd. Over achttien andere verboden werd gediscusiëerd en die werden (de volgende dag) geaccepteerd met een meerderheid van stemmen en de overige achttien werden niet geaccepteerd en bleven het onderwerp van discussie. De Rambam (in zijn commentaar op de misjna) accepteert deze weergave van de geschiedenis en noemt alle vierenvijftig halachot op en verdeelt ze in drie categorieën. De eerste achttien zijn de verboden die unaniem werden aangenomen. Dat zijn de halachot die in de eerste drie misjnajot van ons traktaat worden ge­noemd. De vierde misjna begint dan met te stellen: „En deze behoren tot de halachot die bediscussiëerd werden in de bovenkamer van Chanaja ben Chizkia ben Garon,” alsof het wil zeggen dat deze misjna gaat over de halachot die daar besproken en geaccepteerd werden bij een meerderheid van stemmen. Rebbi Jehoeda Hanasi verkoos het traktaat te beginnen met de misjna van „de arme man en de huiseigenaar,” omdat de acht gevallen van patoer awal assoer behoorden tot de achttien halachot die unaniem geaccepteerd werden.

Hiermee kunnen wij een andere verbazingwekkende waarneming verklaren, namelijk de volgorde van onze misjna­jot. De tweede misjna bespreekt de halachot die kennelijk geen verband houden met hilchot Sjabbat: „Iemand mag niet bij een kapper zitten vlak voor mincha, als hij nog niet gedawwend heeft. Noch mag hij een badhuis bin­nen­gaan of een leerlooierij, noch mag hij eten of een rechtzaak behandelen. Wanneer hij één van deze dingen al be­gonnen is, hoeft hij niet te stoppen. Men moet stoppen om Sjema (te zeggen) maar men hoeft niet te stoppen voor tefilla” (9b). Deze halachot zijn irrelvant voor hilchot Sjababt, maar wij kunnen begrijpen waarom zij hier werden ge­plaatst, volgens Rambam: ook deze behoorden tot de halachot die unaniem werden geaccepteerd in de boven­kamer van Chanaja ben Chizkia ben Garon en daarom worden zij hier in ons hoofdstuk samen met de andere halachot genoemd, die wel relevant zijn voor ons traktaat.

Maharats Chajoet komt tot de conclusie dat het hele eerste hoofdstuk van traktaat Sjabbat „niet gerangschikt is rondom de meest voorkomende halachot of volgens de meest ernstige halachot, maar eenvoudig een opsomming is van de halachot die in de bovenkamer van Chananja ben Chizkia besproken werden.” En Hij besluit: „En dit is de ware verklaring!”