Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg P.O.B. 3220 Netanya - Israël E-mail: zwigold@netvision.net.il

17 Ijar 5765

Traktaat Sjabbat 2-19 Nr. 87

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 310 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

/

Het verschil tussen het bakken van brood en het planten van zaden

Tussen de regels van onze Gemara kan de basis gevonden worden voor een fascinerende discussie tussen de Acharoniem, waarvan de conclusie nogal verbazingwekkend is. De Gemara vertelt ons dat als iemand deeg in de oven plaatst op Sjabbat, en het deeg wordt dan op Sjabbat gebakken, hij de melacha van ofee [bakken] overtreedt. Wanneer hij dat met opzet deed, is hij de doodstraf schuldig. Wanneer hij dat onopzettelijk deed is hij een chataat [zondoffer] schuldig als verzoening. Wanneer het deeg echter uit de over verwijderd werd, voordat het gebakken werd, is hij vrijgesteld van deze straffen, omdat de melacha niet compleet is. Wij zien daaraan dat het niet voldoende is om het deeg alleen maar in de oven te plaatsten, om de melechet ofee te overtreden, maar het deeg moet daadwerkelijk gebakken zijn.

Twee aspecten van bakken: Nadat wij de twee factoren, die samen de melechet ofee vormen, van elkaar hebben geïsoleerd, de handeling van het plaatsen van het deeg in de oven en het resultaat dat het daadwerkelijk gebakken is, moeten wij ons afvragen welke van de twee het integrale verbod van het bakken op Sjabbat vormt. Wij kunnen dit tamelijk eenvoudig beoordelen. Wanneer iemand laat in de middag op Sjabbat deeg in de over plaatst, vlak voor het einde van Sjabbat, zodat het resultaat nog niet klaar is voordat Sjabbat is afgelopen, wordt zo iemand dan beschouwd als iemand die de melechet ofee heeft overtreden, en in aanmerking komt voor de bijpassende straf? Om deze vraag te beantwoorden, moeten vele punten in overweging genomen worden, waarvan sommige geleerd kunnen worden van onze soegia.

Eén van de negenendertig verboden melachot is zorea [zaaien en planten]. Het is verboden een zaadje in de grond te planten op Sjabbat. Maar wanneer wij de aard van deze melacha nader beschouwen, zien wij dat zelfs als de handeling van het planten van het zaadje in de grond op Sjabbat plaatsvindt, het resultaat van die handeling, namelijk het wortelschieten van het zaadje niet diezelfde dag plaatsvindt (zie Rosj Hasjana 10b; Pesachiem 55a). Hieraan zien wij, dat het resultaat van de melacha niet hoeft plaats te vinden op Sjabbat, ten einde stafbaar te zijn voor de handeling.

De Rasjasj vergelijkt de twee melachot van bakken en planten met elkaar en leidt daar twee fascinerende conclusies uit af. Iemand die op Sjabbat een zaadje in de grond plant, overtreedt de melacha van zorea, hoewel het resultaat pas na Sjabbat te zien is. Hetzelfde geldt voor iemand die deeg in de oven plaatst. Ook hij overtreedt de melacha van ofee, ondanks dat het bakproces pas na Sjabbat voltooid is. Zo ook als iemand deeg in de oven plaatst en het daaruit verwijdert, voordat het gebakken is, die overtreedt geen ofee en ook iemand die een zaadje in de grond plaatst en dat verwijdert voordat het wortel geschoten heeft, overtreedt geen zorea.

De Minchat Chinoech (mitswa 298, noot 14) citeert de redenering van de Rasjasj en verwerpt die door onderscheid te maken tussen de twee melachot. Het woord ofee bakken houdt in dat iemand het deeg gebakken heeft tot brood, terwijl het woord zorea zaaien niets anders betekent dan het in de grond plaatsen van het zaadje.  De voltooiing van de ontwikkeling van het zaadje, doordat het wortel schiet en uitspruit, zijn geen essentiëel onderdeel van de melacha.

Het onderscheid dat de Minchat Chinoech maakt wordt geïlustreerd door de aard van deze twee melachot. De melacha van ofee hangt af van menselijke interventie. De mens bereidt het deeg, plaatst het in de oven, controleert de hitte van het vuur en de nabijheid van het deeg tot het vuur, en zo heeft hij invloed op het resultaat van de melacha. Zo is het niet met zorea. Nadat men het zaadje eenmaal in de grond gestopt heeft, is de betrokkenheid van de mens daarmee beëindigd, en heft hij zijn ogen op tot Hasjem, Die de winden laat waaien en de regen laat neerdalen, waardoor de ontwikkeling van het zaadje voltooid wordt. Daarom is alleen de handeling van het planten inbegrepen in de melacha, maar niet het resultaat.

Door precies iedere melacha te definiëren, zien wij dat de redenering van de Rasjasj niet noodzakelijk juist is. De Minchat Chinoech komt dan ook tot een conclusie die lijnrecht staat op die van de Rasjasj: wanneer iemand op Sjabbat een zaadje plant en dat later verwijdert, voordat het wortel geschoten heeft, die heeft niettemin Sjabbat ontheiligd. De handeling van het planten van een zaadje in de grond is de melacha, niet het resultaat. (Dit in tegenstelling tot bakken, waar iemand die het deeg uit de oven haalt, voordat het gebakkken is, is vrijgesteld). Voorts geldt, dat als iemand vlak voor het einde van Sjabbat deeg in de over plaatst en het bakt na Sjabbat, dan is hij vrijgesteld. In dit geval zijn zowel de handeling als het resultaat factoren die essentiëel zijn voor de melacha.

De Afikei Jam (II, 4:3) citeert uit onze Gemara een bewijs dat zo afdoende is, dat men zich verbluft afvraagt hoe de Rasjasj tot zijn conclusie is gekomen. De Gemara zegt dat iemand alleen verplicht is om een korban chataat te brengen, wanneer hij de hele melacha besjogeeg doet, d.w.z. wanner hij niet wist dat hij een overtreding van Sjabbat beging. Dus als hij het deeg in de oven deed en vergat dat het Sjabbat was, en zich dan vervolgens zijn fout realiseert voordat het deeg gebakken is,  dan is hij vrijgesteld van het brengen van een korban. Hoewel het begin van de melacha onopzettelijk gedaan werd, was hij aan het eind geen sjogeeg.

Wanneer wij deze halacha nader bekijken, zien wij dat het resultaat van het broodbakken inderdaad een integraal deel uitmaakt van de melacha, zoals de Minchat Chinoech dat opvatte. Wanneer alleen het plaatsen van het deeg in de oven de melacha vormt, maar niet het rsultaat van het bakken (zoals de Rasjasj begreep), dan is het irrelevant of de overtreder zich bewust was dat het Sjabbat was op het moment dat het reusltaat plaatsvond (zie Eglei Tal, zorea 8; Twesjoewot Avnei Nezer Och. 58; Tesjoewot Chelkat Jaakov O.Cjh. 10; Misjkenot Jaakov 116).

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 311 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

/

Een onderzoek naar de basisprincipes van hotsaä

In de afgelopen dappiem van de Gemara hebben wij de discussie over melechet hotsaä gevolgd. Teneinde de onderliggende principes van deze melacha te onderzoeken, zullen wij eerst een kort overzicht geven van de wetten ervan.

Definities

a. Hotsaä: overbrengen van het ene gebied naar het andere. Het is verboden om een voorwerp van zijn plaats in het ene gebied te verwijderen (akira), het over te brengen naar een ander gebied (hotsaä) en het daar tot rust te brengen (hanacha). Dit geldt zowel voor het overbrengen van resjoet harabbiem (publiek gebied) naar resjoet hajachied (privé gebied), als vice versa.

b. Haävara: het dragen over vier amot in resjoet harabbiem. Het is verboden om een voorwerp van zijn plaats in resjoet harabbiem te verwijderen, het over vier of meer amot in resjoet harabbiem te dragen en het tot rust te brengen.

Stel het volgende hypothetische geval. Iemand zit thuis en krijgt honger. Hij stopt een een stuk voedsel in zijn mond en gaat zijn huis uit naar resjoet harabbiem, kauwend op het voedsel. Na een paar stappen gelopen te hebben, slikt hij het voedsel in. De misjna in traktaat Kritot (13b) zegt expliciet in naam van Rebbi Meïr, dat zo iemand verplicht is een korban te brengen, omdat hij de melacha van hotsaä heeft overtreden, welke, zoals wij zojuist geformuleerd hebben, is opgebouwd uit drie factoren: akira, hotsaä en hanacha. Met het oppakken van het voedsel deed hij akira, bij het mee naar buiten nemen in zijn mond deed hij hotsaä en toen hij het inslikte kwam het tot rust in zijn maag, en daarmee deed hij hanacha. Daar hij het inslikte terwijl hij zich op resjoet harabbiem bevond, wordt dit beschouwd als hanacha in resjoet harabbiem.

Alle drie deze handelingen zijn essentiëel voor de melacha. Wanneer één daarvan ontbreekt, heeft men de melacha niet uitgevoerd. Wij moeten echter nog onderzoeken welke van deze drie de meest fundamentele melacha is, en welke is alleen maar een noodzakelijke voorwaarde. Dat wil zeggen, misschien is het dragen van het ene gebied naar het andere de essentie van melechet hotsaä, terwijl akira en hanacha alleen maar noodzakelijke voorwaarden zijn, zonder welke de melacha niet vervuld kan worden. Of misschien is de akira en de hanacha het ontwortelen van een voorwerp van de ene plaats en het tot rust brengen op een andere plaats de werkelijke melacha, terwijl het dragen alleen maar een noodzakelijke voorwaarde is voor de melacha.

De Avnei Nezer ztl  (Tesjoewot O.Ch. 245) is één van de vele Acheroniem die aan dit onderwerp aandacht besteedt. Ten einde het vraagstuk op te lossen, citeert hij het geval van de Jood die voedsel in zijn mond mee naar buiten neemt. Zoals wij weten, beweert Rabbi Sjimon (93b) dat melacha sjèeina tsricha legoefa (een melacha die niet wordt uitgevoerd voor zijn eigen doel) vrijgesteld is van straf. Nauwkeuriger gezegd: iemand die een handeling verricht die identiek is aan een melacha, maar met een andere bedoeling, is vrijgesteld. Het klassieke voorbeeld hiervan is iemand die een gat graaft, maar dat niet doet omdat hij dat gat nodig heeft (want dat zou de melacha van choresj zijn), maar omdat hij het zand nodig heeft. Hoewel beide handelingen in praktijk hetzelfde zijn, zijn de bedoelingen van die persoon bepalend of hij een melacha overtreedt of niet. In ons geval hebben we het over iemand die voedsel oppakte en dat inslikte (akira en hanacha), allebei handelingen met een directe bedoeling, want zij waren nodig om het voedsel op te eten. Echter, hij had het niet mee naar buiten hoeven te nemen om het op te kunnen eten. (Zie Tosafot op daf 94a, beg.w. Rebbi Sjimon). Wanneer wij akira en hanacha als de melacha definiëren, dan heeft deze persoon een melacha hatsricha legoefa gedaan, maar wanneer het naar buiten brengen naar resjoet harabbiem de melacha definiëert, dan zou het een melacha sjèeina tsricha legoefa (een melacha die niet op zichzelf nodig is) zijn en volgens Rebbi Sjimon zou hij dan zijn vrijgesteld.

De Jeroesjalmi (hfd. 7, halacha 2) zegt dat Rabbi Meïr (de Tanna van de misjna in Kritot) het eens is met Rabbi Sjimon, dat een melacha sjèeina tsricha legoefa is vrijgestel. Maar onze eter is niet vrijgesteld maar is strafbaar, omdat hij twee handelingen verrichtte die nodig waren om te eten, namelijk de akira en de hanacha en die verboden waren.

Hieruit concludeert de Avnei Nezer, dat de essentiële definitie van hotsaä de akira en de hanacha is, terwijl het overbrengen van het ene gebied naar het andere alleen een noodzakelijke voorwaarde is. Daarom is het voldoende dat degene die eet, het voedsel oppakt en neerlegt, om een melacha hatsricha lagoefa te doen.

HaGaon Rav Jona Merzbach ztl, één van de Rosjei Jesjiwa van Kol Tora, legde uit wat de redenering achter deze conclusie is (Alei Jona blz. 236). De basis voor iedere melacha is dat het een voorwerp in zekere mate verandert. In het geval van de melechet hotsaä wordt het voorwerp bij het vervoer veranderd, doordat het van een toestand van rust in een toestand van beweging wordt gebracht en daarna opnieuw van een toestand van beweging wordt gebracht in een toestand van rust. De overbrenging zelf van het ene gebied naar het andere is geen nieuwe handeling in die zin dat het een verandering van het voorwerp teweeg brengt. Hoewel dat duidelijk een noodzakelijk vereiste is voor de uitvoering van de melacha, is het er niet de essentie van.

/

Waarom worden synagogen tegenwoordig niet als wolkenkrabbers gebouwd?

In onze Gemara leren wij dat een stad, waarvan de huizen hoger zijn dan zijn sjoel, bestemd is om verwoest te worden. Gebaseerd hierop, beslist de Sjoelchan Aroech (O.Ch. 150:2): Men bouwt een sjoel alleen op de hoogste plaats van de stad Hij moet hoger zijn dan ieder ander gebouw in de stad. De Sjoelchan Aroech voegt nog een tweede voorwaarde toe aan de bouw van de synagoge, gebaseerd op de Tosefta (Megilla 3:14), namelijk dat de sjoel niet alleen hoger moet zijn dan alle andere gebouwen, maar dat hij ook op de hoogste plaats gebouwd moet worden.

De Misjna Beroera (150:4) geef als commentaar: Sommige gemeenten houden zich niet aan deze halacha. De Acharoniem rechtvaardigen deze gewoonte, en leggen uit dat wij thans niet meer in staat zijn een sjoel te bouwen die het hoogste gebouw van de stad is, omdat vele niet Joodse huizen (mogelijk bedoelen zij de gebouwen waar zij hun godsdienst in beleiden) onvermijdelijk hoger zijn. Niettemin is het juist om lechatchila zich zo goed als het kan aan deze halacha te houden, want de Gemara waarschuwt voor zware straffen voor de overtreding hiervan.

Hoewel deze rechtvaardiging kan hebben gegolden in de tijd van de Misjna Beroera, geldt hij vandaag de dag niet meer in Israël en ook niet meer in vele Joodse gemeenschappen in de rest van de wereld, waar er geen niet-Joodse huizen zijn. Welke andere rechtvaardiging is er te vinden?

Een gebouw dat verbouwd werd tot sjoel: De Zichron Jehoeda (door Rav Y. Greenwald ztl, Tesjoewot I, 59) schrijft dat wanneer een gebouw oorspronkelijk gebouwd was voor wereldse doeleinden en later werd veranderd in een sjoel, wij soepel mogen zijn en het mogen toestaan dat andere gebouwen hoger zijn. Dit vermindert onder die omstandigheden niet de eer van de sjoel.

Verschillen in hoogte van het land: Rav Jaakov Emden (Mor Oeketsia O.Ch. ibid.) schrijft, dat als een sjoel wel het hoogste gebouw is, maar dat ten gevolge van verschillen in de hoogte van het land de omringende gebouwen hoger reiken, dat niet minachtend is voor de sjoel. Hoewel de Tosefta het wel noemt, gelden de ernstige consequenties die de Gemara noemt, er niet voor. Daarom is het toegestaan om een sjoel op een lagere plaats te bouwen, wanneer dat voor de bezoekers makkelijker is om hem te bereiken.

Het is voor een sjoel voldoende als hij hoger is dan de huizen: De Gerer Rebbe ztl, de auteur van de Sefat Emet, schijft in zijn commentaar op ons traktaat dat het niet nodig is dat alle sjoels in een stad hoger zijn dan de huizen; het is voldoende als één sjoel hoger is.

Hier moet worden opgemerkt dat er een fundamenteel meningsveschil bestaat tussen de Risjoniem over de vraag hoe men het verbod van de Gemara, om hogere huizen dan de sjoel te bouwen, moeten interpreteren:

Het gebruik van de daken: De Meïri zegt dat de beperking alleen geldt wanneer hoge huizen gebouwd worden voor de eer en glorie, want dan mag men ze niet hoger maken dan de sjoel. Maar wanneer zij hoog gebouwd worden voor praktische doeleinden, om zo beter gebruik te maken van de ruimte, dan is het toegestaan als het gebouw hoger is dan de sjoel. Volgens deze mening is het toegestaan om een flatgebouw met vele verdiepingen te bouwen, dat hoger is dan de sjoel. Echter de Kaf HaChaim (n. 21) citeert poskiem die deze mening niet delen.

De Mordechai (ot 228) citeert de mening van de Smag, die lijnrecht tegenover die van de Meïri staat. Hij schrijft dat alleen in de tijd dat de daken voor praktische doeleinden gebruikt werden, het verboden was om een dak te bouwen dat hoger reikte dan de sjoel. Maar wanneer het dak niet gebruikt wordt, hoeft de sjoel daar niet bovenuit te komen.

Mag men op vrijdagavond bij het licht van een waskaars lezen?

De gewoonte om op Sjabbat bij electrisch licht te lezen is tegenwoordig zo algemeen gebruikelijk, dat het schokkend zou zijn om te suggereren dat het misschien verboden is. Maar degenen die de Daf HaJomi volgen, zullen zich snel realiseren dat deze vraag zich makkelijk opdringt als we de Misjna lezen: Men mag niet lezen bij lamplicht. Wij moeten ons afvragen of deze Misjna geldt voor waskaarsen, voor petroleumlampen en ten slotte voor electrisch licht.

Wanneer de Gemara het heeft over lampen, bedoelt het daar in het algemeen geen kaarsen mee zoals wij die nu gebruiken. Men bedoelt dan een klein bakje met olie, waaruit aan de zijkant een pit steekt. Dat was de soort lamp die men het meest algemeen gebruikte in de tijd van de Talmoed. Onze geleerden waren bang dat wanneer de olie in zon lamp bijna op was, de lezer wellicht de lamp schuin zou houden, zodat de laatste druppels olie zich rondom de pit zouden verzamelen en zo nog enkele minuten licht zouden produceren. Door dat op Sjabbat te doen, overtrad men de melacha van mavier (aansteken). Daarom verboden zij om te lezen of om andere activiteiten te verrichten  waarvoor lamplicht nodig is.

Generaties later vroeg de Hagahot Asjeri (27, aangehaald door de Beit Joseef, O.Ch. 275) zich af, of dit verbod ook gold voor de waskaarsen, die in zijn tijd gebruikt werden. Er is geen enkele reden voor bezorgdheid dat men de kaars schuin zal houden om meer licht te krijgen, zoals men bij een olielamp zou doen, want dat heeft geen effect op een waskaars. De Beit Joseef beslist niettemin dat het rabbinale verbod ook geldt voor waskaarsen. Hoewel men de waskaars niet schuin zal houden, opdat hij beter zal branden, zal men misschien wel de kaars willen snuiten.

De Poskiem geven twee redenen om de redenering van de Beit Joseef te verwerpen. Ten eerste beweert de Bach (ib.) dat wij niet het recht hebben om verboden te bedenken, die onze Geleerden niet uitgedacht hebben. Onze Geleerden hebben alleen lampen verboden waarvoor gevaar bestaat dat men ze schuin zou houden. Hoewel het gevaar dat men de pit zou willen knippen gerechtvaardigd kan zijn, hebben wij niet het recht om daarvoor het gebruik van de waskaars voor het lezen te verbieden. Voorts beweert de Taz dat onze Geleerden alleen bezorgd waren dat men de lamp schuin zou houden, waarbij men de melacha doraita  van havara (aansteken) zou overtreden. Zij waren er niet bezorgd voor dat men de pit zou afknippen, want zelfs al zou men dat doen, dan zou men daarmee alleen het rabbinale verbod  van kibboei (uitdoven) overtreden. [Midoraita is het uitdoven van vuur alleen verboden wanneer men de bedoeling heeft om daarmee houtskool te maken. Anders wordt het beschouwd als een melacha sjèeina tsricha lagoefa zie hierboven].

De Aroech HaSjoelchan (ib. 7) bestrijdt de bewering van de Taz, door uit te leggen dat het afknippen van de pit niet alleen kibboei is, maar ook havara, omdat het tot gevolg heeft dat de rest van de pit beter brandt. Daarom kan de bezorgdheid daarvoor heel goed vergeleken worden met die van onze Geleerden, dat men de lamp wellicht zal schuin houden. De Elia Rabba (ibid) voegt daaraan toe dat de bezorgdheid dat men misschien de lamp schuin zal houden, ook geldt voor de waskaars. Misschien wil men de kaars schuin houden, opdat de gesmolten was zich verzamelt rondom de pit, in plaats van langs de kaars omlaag te druipen.

De Misjna Beroera (274:4) staat het lezen bij het licht van de kaarsen, die in zijn tijd gebruikt werden, toe. De methode van kaarsenmaken was in die tijd al zover gevorderd, dat kaarsen een regelmatig en helder licht verspreidden en het was niet meer nodig de pit bij te knippen. Daarom gold het verbod van onze Geleerden daar niet meer voor.

De buitengewone zorgvuldigheid van de Chafeets Chaim ztl: Niettemin is het interessant om op te merken dat Rav Yashar in zijn werk Hechafeets Chaim Oefealav (I, blz. 207) ervan getuigt dat hoewel de Chafeets Chaim het aan anderen toestond om te lezen bij kaarslicht, hij steng voor zichzelf was. Hij werd eens gezien, toen hij diep geconcentreerd zat Tora te leren op vrijdagavond met zijn handen met een handdoek samengebonden, opdat hij niet de kaarsen per ongeluk schuin zou houden!

In het volgende nummer zal het lezen bij een petroleum lamp en bij electrisch licht behandeld worden.

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 312 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

/

Het lezen bij electrisch licht op Sjabbat

In het vorige artikel hebben we het verbod van onze Geleerden besproken op het lezen bij het licht van een olielamp. Zij waren bang dat men per ongeluk de lamp schuin zou houden om het licht ervan te verbeteren, waarbij men het Tora-verbod op havara (aansteken) zou overtreden.

Het gebruik van de petroleumlamp op Sjabbat: Bij de introductie van de petroleumlamp, ontstond de vraag of men daarbij op Sjabbat zou mogen lezen. De Misjna Beroera schrijft (Bioer Halacha 275:1): Ik heb mij altijd afgevraagd waarom het vandaag de algemene gewoonte is om hier soepel in te zijn. Het verbod van onze Geleerden zou ook hiervoor moeten gelden, omdat men ertoe kan komen de lamp bij te stellen, zoals men ook door de week doet. De pit van de petroleumlamp kan met behulp van een knop hoger of lager gesteld worden, en daarmee heeft men controle op de intensiteit van het licht. De Misjna Beroera aarzelde om de lamp toe te staan voor gebruik, en besluit dat men een stuk karton of iets dergelijks bij de knop moet zetten, waarop met grote letters staat geschreven: Vandaag is het Sjabbat. Niet aankomen! Onze Geleerden hebben iemand toegestaan bij kaarslicht te lezen, wanneer hij daar iemand als bewaker bij zou zetten. Dat teken zou dezelfde functie hebben.

Het ophangen van een bordje met Sjabbat Kodesj: De Bioer Halacha haalt de Misgeret Hasjoelchan aan, die schrijft dat sommige poskiem menen dat pertroleumlampen niet inbegrepen waren in het verbod van de Geleerden. De olielampen uit de tijd van de Talmoed brandden niet met een gestaag licht en het was nodig om ze voortdurend bij te stellen. Petroleumlampen geven daarentegen een standvastig licht gedurende de gehele tijd dat zij gebruikt worden. Zolang er brandstof in de lamp is, is er geen noodzaak om de pit bij te stellen en wanneer de brandstof op is, heeft het geen enkel nut om de pit hoger te draaien, want als er geen brandstof genoeg is, verbrandt de pit alleen maal. Het is daarom het beste, om nadat men de lamp eenmaal voor Sjabbat op de juiste hoogte heeft ingesteld, men een bordje ophangt met de woorden Sjabbat Kodesj. Maar wanneer men dat niet gedaan heeft, mag men vertrouwen op bovenstaande redenering en men hoeft geen waardevolle Tora-studietijd verloren te laten gaan.

Electrisch licht: Het is duidelijk dat de redenering achter het verbod van onze Geleerden op het lezen bij een olielamp op Sjabbat niet geldt voor electrisch licht. Zeker, het is mogelijk dat men ertoe zal komen om de lamp van de ene plaats naar de andere te verplaatsen, waarbij men het verbod van moektsa overtreedt. En het is mogelijk dat men na het lezen geneigd is de lamp uit te doen. Maar dit was nimmer de basis voor hun verbod. Hun vrees dat men de lamp schuin zou houden om het licht te verbeteren, bestaat hier niet en wij mogen hun verbod niet uitbreiden tot een essentiëel ander soort licht. Zoals we gezien hebben in de Bioer Halacha, geldt het verbod van onze Geleerden niet als wij geen reden hebben om te veronderstellen dat men het licht zal bijstellen.

Electrisch licht met een dimmer-schakkelaar: De ontwikkeling van de dimmer-schakkelaar, die het mogelijk maakt de sterkte van het licht te regelen, gaf weer aanleiding tot een oprakeling van de discussie. Sommigen beweerden dat de aanpassing van het licht met behulp van de schakelaar vergelijkbaar was met het schuin houden van de olielamp, om het licht te verbeteren. Dit argument werd door anderen bestreden: de Misjna Beroera staat het gebruik van een petroleum lamp toe, omdat het een gestaag licht geeft, hoewel men ook daar de sterkte van het licht mee kan regelen door de pit hoger of lager de draaien. Zo staan wij ook het gebruik van licht toe, dat met een dimmer-schakkelaar geregeld kan worden, welke vóór Sjabbat is ingesteld op de lichtsterkte die men wenst en men zal er niet toe komen dat te veranderen (zie Sjemirat Sjabbat Kehilchata 13:32).

Op te merken valt dat de Chazon Iesj alle bovenstaande redeneringen terzijde schoof en beweerde dat onze Geleerden verboden hebben bij ieder lamplicht te lezen met een lo ploeg: zij maakten geen onderscheid voor gevallen waar hun redenering niet van toepassing zou zijn. Dus, zoals wij in de Gemara lezen, is het verboden om bij lamplicht te lezen, ook al staat die lamp op een platform van vele verdiepingen hoog, en zal niemand daar naar boven klimmen om de lamp schuin te houden. Zo ook is het gesteld men petroleumlampen en electrisch licht: het verbod is nog steeds van toepassing. Aldus de Chazon Iesj.

De Misjna Beroera beschouwde de petroleumlamp kennelijk niet als een onderdeel van de lo ploeg. Onze Geleerden verklaarden hun verbod van toepassing op iedere neer, maar petroleumlampen en electrisch licht noemt men geen neer.  Zij zijn moderne uitvindingen om licht te produceren met behulp van andere middelen en waren nimmer inbegrepen in het verbod.