Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg P.O.B. 3220 Netanya - Israël E-mail: zwigold@netvision.net.il

Lag Be'Omer 5765

Traktaat Sjabbat 20-26 Nr. 88

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 313 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

/

Wanneer men niet voldoende kaarsen heeft om er iedere avond een extra aan te steken

Deze week bespreken de paginas van de Daf HaJomi Chanoeka en zijn mitswot. Na uitgebreid te hebebn besproken welke olie en welke pitten acceptabel zijn voor de Sjabbat-olielamp, richt de Gemara zich op de olie en pitten die gebruikt mogen worden voor de Chanoeka-lamp en behandelt nog enkele andere mitswot die met deze feestdag verband houden.

Strikt gesproken vervult men de mitswa van het aansteken van de Chanoeka-lichten door iedere avond slechts één kaars (of één olielamp) aan te steken. Volgens Beit Hillel, wiens mening geaccepteerd is, voert men de mitswa mehadrin min hamehadrin (het allermooist) uit door iedere avond een kaars toe te voegen. Dus de eerste avond steekt men één kaars aan, de tweede avond twee kaarsen, enz.

Wat moet men doen als men op de derde avond maar twee kaarsen heeft? Het is niet altijd mogelijk om de mitswa mehadrin min hamehadrin te vervullen. De poskiem bediscusiëren wat iemand moet doen wanneer hij op de derde avond van Chanoeka slechts twee kaarsen heeft. Moet hij de mitswa zo goed als hij kan mehadrin min hamehadrin vervullen en twee van de vereiste drie kaarsen aansteken? Of moet hij, nu hij niet in staat is het vereiste kaarsen aan te steken, er slechts één aansteken?

Het aansteken van twee kaarsen vermindt het wonder: De poskiem, met inbebrip van de Chajei Adam (154:25), de Ktav Sofer (O.Ch. 135), de Aroech HaSjoelchan (671:10), de Kaf HaChaïm (671:10) en de Misjna Beroera (671:5), zijn het met elkaar eens, dat men in dat geval maar één kaars moet aansteken. De Ktav Sofer (ibid) legt uit dat het aansteken van twee kaarsen in plaats van drie het wonder lijkt te verkleinen. Door iedere avond een kaars extra aan te sgteken, geven wij het toenemende wonder van de olie aan die avond na avond in de menora brandde. Wanneer wij slechts twee kaarsen aansteken op de derde avond, lijkt het erop dat het wonder slechts twee dagen groot was in plaats van drie. Maar wanneer men slechts één kaars aansteekt, zoals het minimum vereiste is, dan geven wiji het aantal dagen inhet geheel niet aan, maar alleen het wonder op zichzelf.

HaGaon Rav Josef Dov van Brisk ztl , de Beit Halev, legde uit dat dit afhangt van de redenering achter Beit Hillels mehadrin min hamehadrin, zoals in onze soegia besproken wordt. Sommigen verklaren dat een extra kaars wordt aangestoken voor iedere wonder-dag die voorbijging (keneged jamiem hajotsiem). Anderen verklaren dat men moet vermeerderen in heiligheid en niet verminderen. De kwestie die voor ons ligt lijkt afhankelijk te zien van de meningen in dat debat. Wanneer wij kaarsen toevoegen om het aantal avonden dat voorbij is gegaan, aan te geven, dan werkt het aansteken van twee, in plaats van drie kaarsen, averechts.  We moeten dan tevreden zijn met één kaars, overeenkomstig het basisvereiste. Maar wanener wij kaarsen toevoegen om te vermeerderen in heiligheid en niet te verminderen, dan moeten wij dit principe naar onze beste klunnen vervullen, door op de derde nacht drie kaarsen aante steken, indien mogelijk, maar toch misntens twee, om niet in heiligheid omlaag te gaan.

Rav Eliëzer Menachem Mann Shach ztl (Avi Ezri, Hilchot Chanoeka 4:1) haalt de verklaring van de Beit Halevi aan en is het er niet mee eens. Hij beweert dat beide meningen in de Gemara er heel goed mee kunnen instemmen dat men de twee beschikbare kaarsen op de derde avond aansteekt. De Beit Halevi baseert zioch op de veronder-stelling dat keneged jamiem hajotsiem om het aantal voorbijgegane dagen aan te geven betrekking heeft op de duur van het wonder tot op dat moment. Echter, dit is niet noodzakelijk het geval. Misschien geeft ieder extra licht nog een dag aan, waarop het wonder gebeurde, maar misschien niet de huidige dag van het wonder. Het aan-steken van twee kaarsen is zeker een grotere hidoer dan één kaars, van zij geven een groter wonder aan. We moeten daarom de grootheid van het wonder naar onze beste kunnen weergeven.

/

De verwijdering van overtollige inkt van een Sefer Tora, opdat het sneller droogt

De Rosj (Tesjoewot 3:15) werd eens geconsulteerd over een sofer (schrijver) die de nodige correcties op de letters van een Sefer Tora maakte. Nadat hij zijn werk beëindigd had, wilde hij het sefer oprollen, maar moest daarmee wachten, totdat de inkt was opgedroogd. Om het droogproces te versnellen, gebruikte hij zijn ganzepen om een dun laagje overtollige inkt van de letters te verwijderen. De resterende inkt droogde dan sneller en zodoende was hij in staat om de Tora op te rollen.

De Rosj werd gevraagd of de Sofer juist gehandeld had. Onze soegia noemt het verbod tegen hachechisja mitswa het verzwakken van de mitswa. Misschien valt het verwijderen van inkt van de heilige letters van een Sefer Tora onder dit verbod.

Rav en Sjmoeël verschillen van mening of men een chanoeka-lamp mag aansteken aan een andere chanoeka-lamp. Rav verbiedt het, Sjmoeël staat het toe. Rav Ada bar Ahava verklaart Ravs standpunt, namelijk dat als men het licht van een chanoeka-lamp gebruikt om een andere lamp aan te steken, het erop lijkt alsof men zijn licht verzwakt en van zijn olie iets wegneemt, en men mag op geen enkele manier een voorwerp verzwakken, dat voor een mitswa gebruikt wordt. De Gemara verwerpt Rav Adas intepretatie van Rav en concludeert dat Rav het aansteken van de ene chanoeka-lamp aan de andere chanoeka-lamp als een bizoei mitswa een minachting van een mitswa beschouwt, ondanks het feit dat men er een andere Chanoeka-lamp mee aansteekt [de Gemara legt uit dat dit verbod alleen geldt wanneer men met het vuur van de Chanoeka-lamp een lucifer (of iets dergelijks) aansteekt en die lucifer gebruikt om de andere Chanoeka-lamp mee aan te steken. Maar wanneer men de tweede chanoekia rechtstreeks aansteekt aan de eerste chanoekia, is het geen minachtende handeling en is het toegestaan].

De Sjach (J.D. 274, Nekoedei Hakesef op Taz n. 4) legt uit dat hoewel de Gemara de hachechisja mitswa verwerpt als reden waarom Rav het verbiedt om de ene kaars aan de andere kaars aan te steken, de eerste kaars op geen enkele manier verzwakt wordt. Maar het is verboden om een mitswa-voorwerp te verzwakken, zelfs voor een andere mitswa.

In het geval van de sofer die inkt verwijderde van de letters van een Sefer Tora, lijkt het erop dat hij twee principes overtreden heeft: bizoei mitswa en hachechisja mitswa. Toch stond de Rosj het hem toe het te doen, en hij verklaart waarom dit niet onder een van beide verboden valt.

Hachechisja mitswa geldt alleen wanneer men de mitswa vermindert. Bijvoorbeeld wanneer men olie uit de chanoeka-lamp haalt, zodat deze sneller is opgebrand. Echter door een dun laagje overbodige inkt te verwijderen van de letters, wordt de mitswa van het Sefer Tora op geen enkele mate verminderd, want de letters blijven intact.

Het is ook geen bizoei mitswa, want de inkt werd niet verwijderd om voor een profaan doel te worden gebruikt. Het wordt daarom niet als beschamend voor het Sefer Tora beschouwd.

De Taz (ibid. n. 4) is het niet eens met de beslissing van de Rosj en hij werpt een aantal vragen op. Hij schrijft onder andere dat Rav het verbiedt om een chanoeka-lamp indirect aan te steken aan een andere Chanoeka-lamp, en hij beschouwt dat als bizoei mitswa, ondanks dat de lucifer gebruikt wordt voor een gewijd doel. Hij zou dus zeker verbieden om gewijde inkt te verwijderen van Sefer Tora-letters, als de inkt helemaal niet gebruikt wordt! Om de Rosj te verdedigen en zijn eigen probleem op te lossen, concludeert de Taz dat de Rosj het alleen toestond om de inkt met een ganzepen van de Tora-letters te verwijderen. Als dezelfde inkt die verwijderd wordt van de ene letter, gebruikt wordt voor een andere letter, is dat geen ontheiliging van de inkt.

De Sjach (n. 5 en Nekoedot HaKesef, ibid.) verdedigt de eenvoudige interpretatie van de beslissing van de Rosj, dat men inkt mag verwijderen, zelfs als die inkt niet gebruikt wordt om een andere letter te schrijven. Het gebruik van inkt van een Sefer Tora voor andere, hetzij wereldse of heilige doeleinden doeleinden, zou bizoei mitswa zijn. Maar in dit geval verwijderde de sofer de inkt in het geheel niet om er iets anders mee te doen, maar hij verwijderde het ten behoeve van diezelfde letters waarvan hij het verwijderde, opdat zij sneller zouden drogen en niet zouden vlekken Daarom wordt het niet als bizoei mitswa beschouwd.

/

Kan een Rosj Chodesj tefilla zonder jaalee wejawo beschouwd worden als tefilla?

Onze soegia is de bron voor een van de meest bekende wetten in hilchot tefilla. Wanneer iemand jaalee wejawo vergeet te zeggen in de Sjemonee Esree van Rosj Chodesj of Chol Hamoeed, dan moet hij de Sjemonee Esree herhalen (Sjoelchan Aroech O.Ch. 422:1).Wanneer hij jaalee wejawo vergeten is te zeggen en hij merkt zijn fout voordat hij met modiem begonnen is, dan moet hij onmiddellijk jaalee wejawo zeggen. Wanneer hij zich de fout realiseert ergens tussen het begin van modiem en het einde van de Sjemonee Esree, dan moet hij het vanaf Retsee herha-len. Wanneer hij gewend is om smeekgebeden te zeggen aan het einde van de Sjemonee Esree, zoals Elokei netsor, dan wordt dat als een deel van de Sjemonee Esree beschouwd, en hij hoeft dan nog steeds alleen maar te herhalen vanaf Retsee. Maar wanneer hij zijn fout pas merkt nadat hij de hele Sjemonee Esree beëindigd heeft, dan moet hij die vanaf het begin opnieuw zeggen.

Dubbele vergeetachtigheid: In dit artikel willen wij de aandacht vestigen op een interessant geval van een dubbel vergeetachtig persoon, die zijn dawwenen op Rosj Chodesj geëindigd had en zich realiseerde dat hij Jaalee wejawo vergeten was. Hij herhaalde de Sjemonee Esree vanaf het begin en nadat hij dat beëindigd had, reali-seerde hij zich dat hij moried hagesjem gezegd had, in plaats van moried hatal, een vergissing die iemand normaliter vereist om de Sjemonee Esree over te zeggen. Wat moet deze man doen? Moet hij de Sjemonee Esree voor de derde keer zeggen?

De basis voor deze vraag is een onderzoek naar de wijze waarop onze Geleerden keken naar een tefilla zonder jaalee wejawo (of iedere andere invoeging, waarvan de weglating vereist dat men de Sjemonee Esree zou moeten herhalen). Beschouwen wij het alsof hij in het geheel niet gedawwend  heeft? Of beschouwen wij het alsof hij wel gedawwend heeft, maar daar de noodzakelijke toevoeging eraan ontbrak, moet hij de hele Sjemonee Esree herhalen, om het ontbrekende er alsnog in te voegen.

Wanneer wij het beschouwen alsof hij niet gedawwend heeft, dan was de eerste tefilla in het geheel geen tefilla, want er miste jaalee wejawo aan, en de tweede tefilla was ook geen tefilla, want hij verwarde moried hagesjem met moried hatal, dus moet hij voor de derde keer dawwenen. Maar als we iedere tefilla beschouwen als een kosjere tefilla, ondanks de weglatingen, dan vult de ene tefilla aan wat er aan de andere ontbreekt en dan hoeft hij niet voor een derde keer te dawwenen.

De leidende poskiem door alle generaties heen hebben over dit probleem gediscusiëerd. Velen hebben beslist dat hij niet opnieuw hoeft te dawwenen (Gur Arjé Jehoeda O.Ch. 17; Mekor Chaim 108; Birkat Habajit 17:29), terwijl anderen zeggen dat de beide tefillot volledig ongeldig zijn en dat hij inderdaad voor een derde maal moet dawwenen (Meté Efraïm 582:21; Magen Giboriem 104, Elef Hamagen n. 9; Likutei Tzvi 10 et.al.).

Hij zal zich waarschijnlijk ook de derde keer vergissen: De auteur van Jageel Jaakov (O.Ch. 422:23) geeft een ander argument. Zelfs als we zouden overwegen dat beide tefillot ongeldig zijn, moeten wij deze persoon opdragen niet voor een derde keer te dawwenen. Wanneer hij reeds tweemaal bij het dawwenen zich vergist heeft, is het waarschijnlijk dat hij zich ook bij de derde tefilla zal vergissen. Alleen wanneer hij er zeker van is, dat hij zich bij de derde keer zodanig kan concentreren, dat hij zeker is dat hij zich niet opnieuw zal vergissen, moet hij opnieuw dawwenen.

Hedendaagse poskiem (Lewoesj Mordechai tinjana, O.Ch. 422:12; Har Tzvi O.Ch. I, 54; Minchat Jitschak X, 40) stellen voor dat men in zon geval voor de derde maal moet dawwenen en daarbij een voorwaarde moet stellen, dat wanneer hij dat niet verplicht is, zijn tefilla beschouwd moet worden als een vrijwillige tefilla nedawa. Hiermee zijn al de hiervoor genoemde meningen bevredigd. Zij baseren zich bij deze beslissing op de volgende machloket van de Risjoniem:

Wanneer iemand vergeet jaalee wejawo te zeggen tijdens mincha van Rosj Chodesj, dan heeft hij zijn plicht niet gedaan. Wanneer hij zich deze fout realiseert voor zonsondergang, moet hij mincha herhalen. Wanneer hij het zich pas na nacht realiseert, wanneer Rosj Chodesj voorbij is, moet hij dan de  Sjemonee Esree van maariv tweemaal zeggen als tasjloem (compensatie) voor de gemiste mincha? Sommige Risjoniem zeggen dat hij een tefillat tasjloemien moet dawwenen,alsof hij in het geheel geen mincha gezegd heeft. Volgens anderen hoeft dat niet.

Deze machloket blijkt op dezelfde principes gebaseerd te zijn als die welke wij hierboven besproken hebben. Als de Sjemonee Esree van Rosj Chodesj zonder jaalee wejawo geen tefilla is, dan moet hij na maariv tefillat tasjloemien dawwenen (zonder jaalee wejawo) om goed te maken wat hij heeft weggelaten. Maar wanneer de Sjemonee Esree die hij gezegd heeft alleen maar een gebrekkige tefilla is, dat heeft het geen nut om een tefillat tasjloemiem te dawwenen na maariv, want hij kan dan geen jaalee wejawo meer zeggen, want Rosj Chodesj is voorbij (Har Tzvi ibid., Minchat Jitschak ib.). De Sjoelchan Aroech beslist hier dat men een tefillat tasjloemien moet dawwenen, en daarbij vooraf een voorwaarde moet stellen, dat wanneer men is vrijgesteld van deze tefilla, het een vrijwillige tefilla is. De hedendaagse poskiem passen deze regel ook toe op ons bovengenoemde geval, want de onderliggende principes zijn hetzelfde.

Telt hij mee voor een minjan? De Misjna Halachot (XI, 76) komt met een andere interessante vraag die schijnbaar afhangt van onze discussie. Wanneer iemand jaalee wejawo heeft weggelaten en opnieuw moet dawwenen, mag hij dan meetellen voor een later minjan? Wanneer we de eerste Sjemonee Esree als een volledig ongeldige tefilla beschouwen, dan heeft hij nu de volledige verplichting om te dawwenen en kan hij meegeteld worden voor een minjan, en hij is dan niets minder dat de overigen, die nog niet gedawwend hebben. Maar wanneer wij zijn Sjemo-nee Esree beschouwen als een geldige, zij het gebrekkige tefilla, en hij hoeft alleen maar over te dawwenen om jaalee wejawo te zeggen, misschien kan hij dan niet meetellen voor een minjan. De Misjna Halachot beslist dat zelfs als de eerste tefilla geldig was, dan mag hij meetellen voor minjan. Wat ook de oorzaak van zijn verplichting is, hij is verplicht opnieuw te dawwenen, zelfs al is dit zijn tweede mincha die dag.