Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 20 Ijar 5765

Traktaat Sjabbat 24-26

Nr. 89

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 313 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

ăó ëă/ŕ ŕéáňéŕ ěäĺ îäĺ ěäćëéř

Het noemen van een dag tijdens de tefilla die geen verband houdt met de dag

Sjabbat Chol HaMo’eed is gekenmerkt door twee speciale vormen van heiligheid – die van Sjabbat en die van het Feest. Daarom noemt het Sjemonee Esree-gebed beide. Niettemin is de geaccepteerde halacha zoals de Rama schrijft (O.Ch. 490:9): „We noemen Pesach niet in de berachot van de haftara, noch in het midden van de beracha, noch aan het einde.” Hoewel één van de na-berachot van de haftara gewijd is aan de heiligheid van de dag, wordt daarin alleen Sjabbat genoemd en het feest wordt niet genoemd.

De Gaon van Wilna zt”l citeert onze Gemara als de bron van deze halacha. In onze Gemara citeert Rav Gidel in naam van Rav dat wanneer Rosj Chodesj op Sjabbat valt, de beracha na de haftara alleen Sjabbat moet noemen en niet Rosj Chodesj, want: „Als het geen Sjabbat was geweest, zouden wij niet uit de Profeten [de haftara] lezen op Rosj Chodesj,” redeneert hij. Daar Rosj Chodesj niet een van de redenen is waarom we haftara lezen, hoeft Rosj Chodesj ook niet in de beracha genoemd te worden.

Hierop gebaseerd kunnen we begrijpen waarom hetzelfde geldt voor Sjabbat Chol HaMo’eed. Op de werkdagen van Chol HaMo’eed wordt geen haftara gelezen en als het dus geen Sjabbat was, zou er geen haftara gelezen worden. Daarom is er geen reden  om Pesach te noemen in de na-beracha van de haftara. Dit in tegenstelling tot de Sjemonee Esree van moesaf, waarin beide genoemd worden. In de moesaf van de werkdagen op Chol HaMo’eed wordt de feestdag genoemd en in de moesaf van Sjabbat wordt Sjabbat genoemd. Dus moeten ze allebei genoemd worden als beide dagen samenvallen.

Het is echter merkwaardig dat het Sefer Haminhagiem door Maha”ri Tirna (blz. 135, geciteerd door de Rama in Darkei Mosjé, Hilchot Soekot 663:2) onderscheid maakt tussen Chol HaMo’eed Pesach en Chol HaMo’eed Soekot. Het bovenstaande geldt voor Sjabbat Chol HaMo’eed Pesach, schrijft hij, maar op Sjabbat Chol HaMo’eed Soekot moeten we de na-beracha van de haftara wel besluiten met „Baroech Atta Hasjem… Die de Sjabbat, Israël en de feesten geheiligd heeft.” Wat kan de reden van dit verschil zijn? DeGaon van Wilna (Ma’asee Rav 226) verwerpt zijn mening en schrijft dat voor Soekot  hetzelfde geldt als voor Pesach, wat dit betreft.

Echter de Aroech Hasjoelchan (490:5) en de Rama (Darchei Mosjé ibid.) leggen uit dat Soekot anders is dan Pesach, omdat op Pesach iedere dag dezelfde korbanot gebracht werden in het Beit HaMikdasj. Er valt niets bijzonders op te merken aan iedere dag Chol HaMo’eed Pesach. Echter, op iedere dag van Soekot werd een uniek aantal korbanot gebracht, iedere dag één stier minder dan de vorige dag. Daarom geldt dat ook vandaag, nu wij geen Beit HaMikdasj meer hebben, iedere dag erkend wordt als iets dat uniek heilig is en dat rechtvaardigt dat in de na-beracha van de haftara  op Sjabbat Chol HaMo’eed Soekot de feestdag wel genoemd wordt, ondanks het feit dat we de haftara lezen omdat het Sjabbat is en niet ook omdat het Chol Hamo’eed is (zie Misjna Beroera 490:16).

ăó ëä/á  ĺřĺçő ôđéĺ éăéĺ ĺřâěéĺ

Hoe moet men zich wassen op Erev Sjabbat?

De Toer schrijft (O.Ch. 260) dat iedere Jood op Erev Sjabbat de mitswa heeft om zijn hele lichaam te wassen, ter ere van Sjabbat. Wanneer iemand niet in staat is dat te doen, moet hij op zijn minst zijn gezicht, handen en voeten was­sen.

Onze Gemara citeert de gewoonte van Rabbi Jehoeda bar Ilai, die gewend was zijn gezicht, handen en voeten met warm water te wassen, om zich vervolgens in een talliet te wikkelen om zo de komst van de Sjabbat af te wachten. De Gemara vertelt daarbij dat hij zo heilig was, dat hij op een engel leek.

Naar aanleiding van wat de Toer schrijft, kunnen wij ons afvragen waarom Rabbi Jehoeda bar Ilai ermee volstond om alleen zijn gezicht, handen en voeten te wassen? Waarom deed hij de mitswa niet volledig door zijn hele lichaam te wassen? Deze vraag werd door de eeuwen heen door verschillende geleerden gesteld en ieder gaf zijn eigen antwoord. De Ra’avan (§343) legt het heel praktisch uit: Rabbi Jehoeda bar Ilai had geen badhuis ter beschikking. Als hij wel een badhuis ter beschikking had gehad, zou hij zeker zijn hele lichaam hebben gewassen. Nu hij daartoe niet in staat was, stelde hij zich tevreden met het wassen van zijn gezicht, handen en voeten.

De Elia Rabba (260) citeert dit antwoord maar beoordeelt het als onwaarschijnlijk. Hij veronderstelt dat deze Gemara gebruikt moet worden als bewijs tegen de Toer, dat er geen mitswa bestaat om het hele lichaam te wassen op Erev Sjabbat. Hij haalt andere Risjoniem aan die het met hem lijken eens te zijn.

De Birkei Joseef (ibid) schrijft dat Rabbi Jehoeda bar Ilai wel degelijk ergens op vrijdag in een mikwe of in een rivier ging, om zich te reinigen. Maar vlak voor de komst van Sjabbat waste hij nogmaals zijn gezicht, handen en voeten met warm water. Maar iemand die niet in een mikwe gaat, moet bijvoorkeur zijn hele lichaam wassen ter ere van Koningin Sjabbat, zoals de Toer schrijft.

De Aroech Hasjoelchan (260:2) verklaart de gewoonte van Rabbi Jehoeda bar Ilai op basis van een Gemara elders, waar staat dat Rabbi Jehoeda bar Ilai leed aan chronische hoofdpijn. Dat was zo erg, dat hij zijn hoofd van Pesach tot Sjawoe’ot in verband wikkelde, om de pijn ten gevolge van de vier bekers wijn, die hij op de Sederavond gedron­ken had, te verlichten. Daar hij zulke erge hoofdpijn had, kon hij de hitte van het badhuis niet verdragen en was hij gedwongen genoegen te nemen met het wassen van alleen zijn gezicht, handen en voeten.

De Misjna Beroera (260, Béoer Halacha, s.v. mitswa) haalt onze Gemara aan als bewijs, dat zelfs iemand die zich zo ge­wijd heeft aan Tora-studie, die studie moet onderbreken om de hoofdzaak van de mitswa uit te voeren, namelijk het wassen van het gezicht, handen en voeten ter ere van Sjabbat, zoals R. Jehoeda bar Ilai deed. Maar hij hoeft zijn leren niet langer te onderbreken, om zijn hele lichaam te wassen. Hoewel de Misjna Beroera dat niet zo expli­ciet zegt, maakte hij waarschijnlijk dit onderscheid om antwoord te geven op de vraag tegen de Toer.

In het algemeen hoort iemand bij voorkeur zijn hele lichaam te wassen voor Sjabbat, zoals de Toer schrijft. R. Jehoeda bar Ilai waste alleen zijn gezicht, handen en voeten, omdat hij zijn Tora-studie niet langer wilde onderbreken dan strikt noodzakelijk was (Perot Teëna).

Uit: Insights into the Daily Daf door Rabbi Mordecai Kornfeld

Daf 26a

Welke olieën mogen gebruikt worden voor de Sjabbat-lamp?

De Baraita noemt een aantal meningen op betreffende welke materialen gebruikt mogen worden om de lamp voor Sjabbat mee aan te steken. Rabbi Tarfon zegt dat alleen olijfolie gebruikt mag worden. Rabbi Jochanan ben Noeri zegt dat men alle olieën mag gebruiken, behalve die welke de Chachamiem in de Misjna (op daf 20b) hebben verboden. Rabbi Sjim’on Sjezoeri zegt dat men de olie van Pakoe’ot (een soort pompoen) en nafta (dat gedistil­leerd wordt uit kolen of, teer) mag gebruiken.

In welk opzicht is Rabbi Sjim’on Sjezoeri het niet eens met de vorige Tanna, Rabbi Jochanan ben Noeri? Hij kan niet bedoelen dat alleen deze twee materialen gebruikt mogen worden, want deze twee zijn inferieure olieën vergeleken met de andere olieën, zoals duidelijk blijkt uit de Misjna. Wanneer deze gebruikt mogen worden, dan mogen zeker de andere olieën gebruikt worden. Hij kan ook niet bedoelen dat zelfs deze twee materialen gebruikt mogen worden, want Rabbi Jochanan ben Noeri heeft al gezegd dat men elk materiaal mag gebruiken dat niet expliciet in de Misjna verboden werd en dus mogen deze twee worden gebruikt!

a. Tosafot in Choelien (75b, beg.w. Ana) en de Ritwa verklaren dat Rabbi Sjim’on Sjezoeri inderdaad bedoelt dat alleen deze twee materialen gebruikt mogen worden om de Sjabbat-lamp mee aan te steken. Dat betekent echter niet dat alle andere (betere) oliën verboden zijn. Echter, van alle inferieure olieën die Rabbi Jochanan toestaat, staat Rabbi Sjim’on Sjezoeri alleen deze twee toe.

b. Op onze daf geeft Tosafot (beg.w. Rabbi Sjim’on Sjezoeri) een andere lezing van de Gemara, volgens welke de tekst zou moeten luiden: „Rabbi Sjim’on Sjezoeri zegt dat wij de Sjabbat-lamp niet met Pakoe’ot-olie of nafta mogen aansteken.” Waar Rabbi Jochanan ben Noeri deze twee stoffen toestaat, verbiedt Rabbi Sjim’on Sjezoeri het (volgens deze tekst) omdat zij slecht ruiken, maar hij staat andere olieën toe. (Deze benadering is precies het tegenovergestelde van de vorige verklaring, die van Tosafot in Choelien en van de Ritwa.)

c. De Tosafot HaRosj zegt dat wanneer Rabbi Jochanan ben Noeri zegt dat men iedere olie mag gebruiken die niet in de Misjna genoemd wordt, dan bedoelt hij niet dat ook pakoe’ot-olie en nafta gebruikt mogen worden, ondanks dat deze twee niet genoemd worden in de Misjna. (Hoewel hij de gewoonte van de Capedociërs noemt, die met nafta aansteken, heeft hij het daar over zwarte nafta, hetgeen hij toestaat. Hij verbiedt alleen witte nafta. Rabbi Sjim’on Sjezoeri staat zelfs witte nafta toe.)

Hoe weten we dat Rabbi Jochanan ben Noeri de pakoe’ot-olie en nafta niet toestaat, terwijl hij zegt dat alle olieën die niet in de Misjna genoemd worden, zijn toegestaan? De Rosj verklaart dat als volgt: Nadat Rabbi Jochanan heeft gezegd dat men met alle olieën mag aansteken die niet in de Misjna expliciet verboden zijn, waarom voegt hij daaraan dan nog toe: „en men mag ook aansteken met vis-olie en met itran?” Als hij al gezegd heeft dat men met alle olieën, die niet in de Misjna genoemd werden, mag aansteken, dan hoeft hij deze twee niet meer te noemen, die zijn dan ook geoorloofd. Dus als Rabbi Jochanan ben Noeri zegt dat alle olieën geoorloofd zijn, dan bedoelt hij niet letterlijk alle olieën, maar alleen al die olieën die bij traditie zijn toegestaan (zoals die, welke hij expliciet noemt). Vis-olie en itran echter, mogen ook gebruikt worden, ondanks dat er geen traditie is die hen toestaat.

Daar Rabbi Jochanan ben Noeri niet alle olieën toestaat, is het mogelijk dat hij inderdaad het gebruik van pakoe’ot-olie en nafta verbiedt. En dan komt Rabbi Sjim’on Sjezoeri en die staat ze toe.

De Rasj miSjantz is het met deze verklaring niet eens, want hij meent dat uit de woorden van Rabbi Jochanan ben Noeri duidelijk blijkt dat hij alle olieën toestaat (ook de twee door Rabbi Sjim’on Sjezoeri genoemde).

In antwoord op de vraag van de Rasj miSjantz zouden wij misschien mogen suggereren dat wanneer Rabbi Jochanan ben Noeri „alle olieën” zegt, hij alleen die olieën bedoelt die men niet mag gebruiken omdat ze niet goed branden (en de Rabbanan waren bezorgd dat men dan de lamp zou schuin houden op Sjabbat). Misschien gaat hij er echter mee akkoord dat er andere olieën zijn die niet gebruikt mogen worden om andere redenen (zoals olieën die een slechte reuk verspreiden). Dat is de reden waarom hij apart opnoemt dat vis-olie en itran wel gebruikt mogen worden, ook al hebben die ook een slechte reuk. Maar misschien stemt hij ermee in, dat er andere olieën zijn die om een derde reden verboden zijn (zoals olie die aangenaam geurt, zoals witte nafta, in welk geval de Rabbanan bezorgd waren dat men wat van de olie uit de lamp zou nemen). Rabbi Sjim’on Sjezoeri bedoelt zelfs deze olieën toe te staan.