Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

25 Ijar 5765

Traktaat Sjabbat 27-33 Nr. 90

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 314 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 28b Van wat in je mond is toegestaan                      ăó ëç/á îď äîĺúř áôéę

Mogen niet-kosjere dieren gebruikt worden voor mitswot?

In Traktaat Rosj Hasjana is de Ran (eind van blad 6a in de Rif) in twijfel of een sjofar, gemaakt van een niet-Kosjer dier, gebruikt mag worden. Dit artikel zal be­spreken waarom en hoe hij op die vraag kwam.

Onze Gemara zegt, dat tefillien alleen gemaakt mogen worden van een kosjer dier. Hier­onder vallen de perkamenten, de leren huisjes en riemen, en de haren en pezen die ge­bruikt worden om een en ander dicht te naaien. Alles moet af­kom­stig zijn van een kosjer dier, zoals de pasoek zegt: „Zodat de Tora van Hasjem in je mond zal zijn.” Onze geleer­den begrijpen hieruit, dat tefillien ge­maakt moeten zijn van een dier dat gegeten mag wor­den.

De vraag die opkomt is of dit voorschrift alleen geldt voor tefillien, of dat het voor alle mitswot van Tora geldt. Mogen voorwerpen, die voor andere mitswot gebruikt worden, gemaakt worden van niet-kosjere dieren? Aan de ene kant kan men zeggen, dat de pasoek het alleen over tefillien heeft. Aan de andere kant geldt, dat de Gemara het heeft over de vraag of deze regel geldt voor de bouw van het Misjkan. Als het geldt voor het Misjkan, moet het dan niet ook voor andere mitswot gelden? Sommige Acheroniem begrijpen dat de Mageen Awraham (O.Ch. 586:3) onze Gemara inderdaad zo uitlegt, dat het geldt voor alle mitswot. Alle voorwerpen moeten van kosjere dieren gemaakt zijn.

De Maharitz Chajot (21b) protesteert fel tegen deze conclusie. Hebben we niet nog onlangs kik-olie opgenoemd onder de voor de Sjabbat-lamp verboden olieën, omdat die olie niet mooi brandt, en waarvan de Rosj zegt dat het de kaät (pelikaan?) is! De Tora deelt de kaät duidelijk in bij de niet-kosjere vogels (Wajjikra 11:18). Waarom verbiedt de Gemara dan kik-olie omdat die slecht brandt? Het wordt geproduceerd van niet-kosjer vet en zou moeten verboden worden, ongeacht hoe het brandt.

Rav Sjmoeël Segal zt”l (de zoon van de Noda BeJehoeda en genoemd in de Noda BeJehoeda II, O.Ch. 3) maakt ook bezwaar tegen de conclusie van de Mageen Awraham. Hij citeert een lange lijst van halachot om de beslissing te ontzenuwen. Bijvoor­beeld: in traktaat Soeka (23a) zegt de Gemara dat men een olifant mag vastbin­den en hem als soeka-wand mag gebruiken. De olifant is een niet-kosjer dier, maar het mag toch gebruikt worden als mate­riaal voor een soeka. We zien dus, dat niet aan alle mitswot dezelfde beperkingen zijn opgelegd als aan tefillien.

Wat is dan het verschil tussen tefillien en sjofar, tsietsiet, Chanoeka-kaarsen, enz.? Wel­ke mitswot mogen worden uitgevoerd met materiaal, afkomstig van niet-kosjere die­ren en welke niet? Een aantal verklaringen werd gesuggereerd, waaronder de volgende:

Tasjmiesj mitswa” vs. „Tasjmiesj kedoesja”: Tefillien zijn tasjmisjei kedoe­sja (heilige artikelen), terwijl een sjofar een tasjmiesj mitswa is (een voorwerp voor een mitswa). Daar tefillien parasjiot van de Tora bevatten, zijn zij zelf heilig, zelfs al zijn ze nimmer gebruikt voor een mitswa. Daarom mag geen enkel onder­­deel daarvan afkomstig zijn van een niet-kosjer dier. Een sjofar is echter niet in­trinsiek kosjer. Het wordt alleen gebruikt voor een mitswa. Daarom mag een sjofar gemaakt worden van een niet-kosjer dier (Maharitz Chajot, ibid. De Mageen Awraham kan ook zodanig worden uitgelegd, dat hij het alleen heeft over tasjmisjei kedoesja, zoals tefillien).

Men moet geen sjofar gebruiken van een niet-kosjer dier: Dus niet-kosjer materiaal mag gebruikt worden voor de uitvoering van mitswot. Bijvoorbeeld olie van niet-kosjer vet mag men gebruiken voor Chanoeka-lampen. Hieruit zou men kunnen afleiden dat ook de hoorn van een niet-kosjer dier gebruikt mag worden om de sjofar te blazen op Rosj Hasja­na. Echter, de Rama (Sjoelchan Aroech O.Ch. 586:1) schrijft dat men dat niet mag doen. Zijn bron voor deze beslissing is de Ran, die wij hierboven hebben aangehaald. De Ran legt uit, dat aangezien het geluid van de Sjofar de verdiensten van Israël bij Hasjem oproept, het te vergelijken is met de dienst in het Beit HaMikdasj.  Daarom mag alleen de hoorn van een kosjer dier gebruikt worden.

Nu kunnen wij terugkeren naar onze oorspronkelijke vraag: wat was de onzeker­heid van de Ran met betrekking tot sjofars van niet-kosjere dieren? De Gemara bediscusiëert of de tachasj, wiens huiden gebruikt werden voor de bouw van het Misjkan, een kosjer dier was, maar de Gemara komt niet tot een conclusie. De enige reden om hoornen van een niet-kosjer dier te gebruiken is de gelijkenis tussen een sjofar en de dienst in het Misjkan. Wanneer zelfs voor het Misjkan niet-kosjere dieren gebruikt mochten worden, dan mag een sjofar zeker ook gemaakt worden van een niet-kosjer dier. Daarom is het gebruik van een niet-kosjer Sjofar op Rosj Hasjana afhankelijk van de vraag of er niet-kosjere dieren­huiden voor het Misjkan gebruikt werden. (zie Bioer HaGra en Machatsiet Hasjekel).

Daf 31b – Op bevel van Hasjem legerden zij zich                             ăó ěŕ/á ňě ôé ä' éçđĺ

Een storm van discussies over paraplu’s

De Poskiem hebben uitgebreid gedebateerd over de vraag of de destijds nieuwe uitvinding van de paraplu of parasol gebruikt mag worden op Sjabbat. De kern van hun debat is of het openen van een paraplu vergelijkbaar is met het opzet­ten van een ohel (dak-constructie) ter bescherming tegen de regen of de zon.

In de praktijk is het verbod tegen het  gebruik van de paraplu algemeen bij de Joodse gemeenschappen geaccepteerd. Zoals de Chafeets Chaïm zt”l schrijft: „Wie zijn ziel wil beschermen, zal daar geen gebruik van maken” (Bioer Halacha 315, beg.w. tefach). Echter, toen de Chatam Sofer voor de eerste keer geïnformeerd werd dat een grote poseek het openen van een paraplu op Sjabbat als een issoer de’Oraita beschouwde [een Tora-ver­bod], verwees hij naar onze soegia als bewijs van het tegendeel (Tesjoewot O.Ch. § 72).

Zoals algemeen bekend is, zijn de 39 melachot gedefinieerd en gekarakteriseerd overeenkomstig de activiteiten die nodig waren voor de bouw van het Misjkan. Er werden gordijnen genaaid voor het Misjkan, en dus is het verboden om op Sjabbat te naaien. Rammen werden geslacht om hun huid te gebruiken als dakbedekking voor het Misjkan, dus is het verboden om te slachten op Sjabbat. Het Misjkan werd gebouwd, dus is het verboden om te bouwen op Sjabbat. De bijzonderheden van iedere melacha worden ook gedefinieerd door ze te verge­lijken met hun basiswerk voor het Misjkan.

In de Jeroesjalmi debateren de Amoraïem over de vraag of de bouw van iets tijdelijks ook beschouwd wordt als een overtreding van het verbod op melachet bonee. Mag men op Sjabbat iets bouwen, waarvan het de bedoeling is dat het weer wordt afgebroken? Aan de ene kant was het Misjkan een tijdelijk bouw­werk. Wanneer Bnei Jisraël zich legerde, zetten zij alle onderdelen in elkaar. Wanneer zij op reis gingen, haalden zij alles weer uit elkaar. Daar melechet bonee geleerd wordt van het Misjkan, zou tijdelijke bouw verboden moeten zijn op Sjabbat.

Aan de andere kant is er een reden om tijdelijke bouw vrij te stellen, namelijk, omdat de beperkte levensduur ervan aantoont dat het onbelangrijk is. De tijde­lijke aard van het Misjkan was echter geenszins een teken van onbelangrijkheid. Zij zetten het in elkaar en haalden het weer uit elkaar op bevel van Hasjem Zelfs als het Misjkan maar voor korte tijd stond, maakte het gebod van Hasjem het net zo belangrijk als een permanent bouw­werk. Daarom beslsit Rabbi José dat ande­re tijdelijke bouwwerken niet belangrijk zijn en de bouw ervan op Sjabbat geen overtreding is van melechet bonee.

De paraplu is ook een tijdelijke structuur. En daarom staat het in het centrum van de belangstelling van dit debat in de Jeroesjalmi. Hoewel de Jeroesjalmi dit probleem niet oploste, laat de Chatam Sofer zien hoe onze soegia wel tot een duidelijke conclusie komt. Soteer – afbreken of uit elkaar halen – is één van de 39 melachot, maar alleen als het een niet destructief karakter heeft, maar ge­daan wordt om opnieuw op te bouwen. Wan­neer afbraak een noodzakelijke voorwaarde is om iets op te bouwen, dan wordt het beschouwd als een crea­tie­ve handeling, zoals bouwen en dan is het een verboden mela­cha. Onze Gemara bediscussieert of afbreken om ergens anders op te bouwen ook een melacha is. Misschien is er in een dergelijk geval geen verband tussen het afbreken en op­bouwen. De Gemara suggereert een bewijs van het Misjkan: het Misjkan werd uit elkaar gehaald om ergens anders weer op te bouwen. Dus afbreken met als doel ergens anders opbouwen, zou als een creatieve melacha beschouwd moe­ten worden.

De Gemara verwerpt echter deze redenering en wijst erop dat het Misjkan werd in en uit elkaar gehaald op bevel van Hasjem en daarom was de afbraak van belang. Maar dat kan men niet vergelijken met de afbraak van andere, wereldse bouwwerken, om die later ergens anders weer op te bouwen.

Wij zien dus, dat de Gemara Rabbi José’s redenering accepteert, dat het gebod van Hasjem om het Misjkan in en uit elkaar te zetten er het belang aan geeft. Afbreken op Sjabbat om iets ergens anders weer op te zetten is vrijgesteld, ook al werd dit gedaan in het Misjkan

Tijdelijke bouw zou dus ook moeten worden vrijgesteld.

VAN DE REDACTIE

Dit is mijn buskaartje

Hij liep als ieder ander naar de beit hamidrasj in de vroege avond na het werk. Hij droeg een keurig net pak met een ak­te­­tas in de ene hand en een Gemara in de andere. De magied sji’oer groette de nieuw deel­nemer warm en vroeg hem naar zijn naam en adres waar hij van­daan kwam en wenste hem een goede start en een goed einde van vele mesechtot. „We leren daf…”

Na de sji’oer merkte de magied sji’oer dat de nieuweling een buskaartje als bladwijzer in zijn Gemara legde.

„Neem deze boekenlegger van Meorot HaDaf HaJomi, die is makkelijker en gaat langer mee.”

„Nee, dank u voor het aanbod, maar ik prefereer dit buskaartje. Wilt u weten waarom? U heeft het recht om het te weten, want u leert mij, dus u moet weten hoe het komt dat ik hier ben.

„Ik heb jarenlang geen openbaar vervoer gebruikt. Om bepaalde redenen heb ik een paar dagen geleden mijn gewoonte veran­derd. Ik moest een grote afstand afleggen en besloot de bus te pro­beren, zodat ik mij onderweg kon voorbe-reiden om mijn zaken­­vergadering. Ik stapte de bus in, gaf de buschauffeur een bank­biljet en terwijl ik al rondkeek naar een zit-plaats, vroeg hij: ‘Pensionair of gewoon?’

„Pensionair of gewoon? Ik voel­de me plotseling slap in de knieën. Ik ben 53. Dat is nog jong, niet waar?

„’Neem me niet kwalijk,’ vroeg ik, ‘een pensionair is iemand van 65 jaar of ouder, nietwaar?’

De buschauffeur knikte onge-dul-dig. ‘Nou, wat zal  het zijn?’

„’Gewoon, gewoon, niemand heeft mij ooit voor een pen­sio­nair aangezien.’”

„Ik ging zitten en mijn gedachten sloegen op hol. Ik ben nog vol energie, als een jonge man, dat weet iedereen die mij kent. Ik doe allles wat er gedaan moet worden vlug, vastberaden en nauwkeurig. Ben ik een pensio­nair? Ik? Wat voor soort verfijn­de manier van uitdrukken is dat om mij te vertellen dat ik mijn meeste jaren gehad heb?”

Die gedachten gaven hem geen rust. Hij realiseerde zich de oor­log op zijn hoofd tussen het zwar­te en witte haar. En hij wist heel goed wie die strijd zou win­nen. Zijn welverzorgde baard zou aan die strijd ook niet ont­snappen. Maar een pensio­nair?

Toen hij op zijn vergadering kwam, waren zijn gedachten el­ders. Gedachten over de ouder­dom waren nooit bij hem opge­komen. Nu kwamen zij zon­der uitnodiging. Een pensio­nair! De vergadering eindigde zon­der re­sultaat. Hij was niet ge­con­cen­treerd. Na de verga­dering vroeg een kennis: „Is er wat? Heb je hulp nodig?”

„Toen ik  thuis kwam, liep ik naar de boekenkast en keek naar mij Sjas, die ik 30 jaar geleden van mijn schoonvader had gekregen. Mijn levensge­schiedenis stond daar voor mij. Van enkele delen waren de ban­den danig versleten, de blad­zijden beduimeld en de kaften gerafeld. Daaruit had ik geleerd in de Jesjiwa. Maar de rest zag er nog uit als nieuw. Daar had ik sedertdien nauwe­lijks meer in gekeken. Met al mijn boeken wordt ik door mijn vrienden be­schouwd als een man van het boek. Soms, op speciale gele­gen­heden kon ik wel eens een goede dwar Tora geven. Maar echt leren?

„Ik realiseerde me dat ik geen kind meer was. De buschauffeur had zich vergist, ik was nog lang geen pensionair, maar ik was op een leeftijd gekomen dat men­sen zich kunnen vergissen. Wanneer had ik nog de kans om de Sjas te leren?

„Ik besloot: ‘Mijn dierbare Sjas: mijn vader, mijn grootvader, al mijn vorige generaties hebben jou geleerd. Zij hebben zich aan jou gewijd en soms hun leven voor jou gegeven.  Zoveel gojiem hebben jou verbrand, maar jij hebt het overleefd. Met einde­loos geduld heb je op mij ge­wacht. De tijd is gekomen voor je verlossing.’

„Hier ben ik, mijn beste magied sji’oer, op een permanente ba­sis. Ik vertrouw erop dat u mij langs het pad van de Talmoed leidt en mij alles uitlegt. Over zeven jaar kan ik mijn Sjas met andere ogen aankijken en zal ik een ander leven in mij voelen. Begrijpt u nu waarom ik dat bus­kaartje wil blijven gebruiken als boekenlegger?”

De magied sji’oer had de boe­ken­­legger van Meorot nog steeds in zijn hand. „Geef die aan je zoon om te gebruiken voor zijn nieuwe Sjas, die hij pas van zijn schoon­vader gekregen heeft. Hij is hier welkom…”

Hieraan kunnen wij zien dat er geen issoer de’Oraita is voor het openen van een paraplu op Sjabbat. De Chatam Sofer gaat verder en legt uit dat beide meningen in de Jeroe­sjalmi het ermee eens zouden zijn dat het openen van een paraplu niet beschouwd moet worden als bonee – er zijn immers geen muren! Bovendien is een paraplu geen stevige constructiie. Hij wordt rond gedragen en men kan het geen echt bouwwerk noemen (hij bespreekt dan de vraag of er een issoer deRabbanan is tegen het openen van een paraplu; zie Chazon Iesj O.Ch. 52:6; Inleiding tot Tiferet Jisraël, Kalkelet Sjabbat. Zie ook Orchot Sjabbat, hfd. 9, voetnoot 6).

Hedendaagse paraplu’s: De paraplu’s in de tijd van de poskiem waren, in tegen­stelling tot die van onze tijd, moeilijk te openen en te sluiten. „Ze moesten worden recht gestre­ken en dan met banden of metalen draden worden vastge­maakt,” zoals de Prie Mega­diem en de Bioer Halacha (ibid) ze beschrijven. Niet­te­min blijven paraplu’s verboden op Sjabbat. „De grote Tora-leiders van vroege­re generaties hebben het verboden om para­plu’s op Sjabbat en Jom Tov te openen en dicht te doen. Zelfs al is een paraplu al open, mag men hem niet gebruiken, want het lijkt erop dat hij hem op Sjabbat geopend heeft” (zie Sjemirat Sjabbat Kehilchata, hfd. 24:15 en de voetnoot daar).

Electrisch licht als Sjabbat-lamp

Electriciteit is een onderwerp dat vele halachisch interessante punten bevat. Hoe definiëren wij het verbod op het aan- of uitdoen van licht op Sjabbat? Welke av melacha overtreedt men daarbij? Deze en andere vragen zijn onderwerpen van intens onderzoek van de poskiem. In dit artikel zullen wij bespreken of electrisch licht gebruikt mag worden als Sjabbat-lamp [in plaats van de Sjabbat-kaarsen].

Ons hoofdstuk, „Bamee Madlikien” bespreekt een variatie van olieën en pitten en bespreekt welke wel en welke niet voor Sjabbat-lampen gebruikt mogen wor­den. Vlas, zijde, vet, teer, sesamolie, radijs-zaad-olie, pekoeot-olie en vele ande­re substanties worden in onze Misjna nader bekeken.

Wat zou de Misjna hebben beslist over electrisch licht? Zouden gloeilampen genoemd zijn onder de lampen die gebruikt mogen worden op Sjabbat?

De Poskiem spreken hier uitgebreid over, speciaal in verband met de Chanoeka-lichten. Electrisch licht als zodanig verbruikt geen brandstof, zoals kaarsen en olielampen doen. Mag het desondanks gebruikt worden voor Chanoeka-lichten, hoewel het wonder van Chanoeka was, dat de brandstof voor de Menora niet uitgeput raakte? En voorts, misschien moet de gloeidraad in de lamp niet eens als vuur beschouwd worden. En zelfs al is het vuur, dan vragen sommige poskiem zich af of de gedraaide gloeidraad te vergelijken is met een medoera (lett. kampvuur, d.w.z. een verzameling van lichtbronnen, in plaats van één enkele vlam), hetgeen pasoel is voor gebruik in een Chanoeka-lamp.

In plaatsen waar electriciteitsuitval vaak voorkomt, kan electrisch licht misschien vergeleken worden met teer. Teer produceert een smerige stank en daarom heb­ben onze Geleerden het verboden om op Sjabbat te gebruiken. Zij waren bang dat iemand zo een afkeer zo hebben van de stank, dat hij de kamer zou verlaten en in een onverlichte kamer zou eten op Sjabbat. Hetzelfde zou kunnen gebeu­ren met electriciteit. Waar electriciteitsuitval vaak voorkomt, kan iemand makke­lijk zonder licht komen te zitten (zie Encyclopedia Tamoedit, Chasjmal hfd. 4, 304-397).

Het verschil tussen fluorescentlicht en gloeilampen: Sommigen suggereren dat alleen gloeilampen gebruikt mogen worden, omdat zij op kaarsen lijken, want de licht-producerende gloeidraad gloeit van de hitte, net als een vlam. Maar fluorescent-lampen produceren licht wanneer het fosfor aan de binnenkant van de lamp gloeit doordat het wordt blootgesteld aan ultraviolette straling. Daar er niet werkelijk iets „brandt” binnenin, kunnen zij niet beschouwd worden als een vlam (zie Encyclopedia Talmoedit, ibid.).

Kaarslicht samen met electrisch licht: Veel poskiem beslissen dat men in feite electrisch licht mag gebruiken als Sjabbat-kaarsen (Sjemirat Sjabbat Kehilchata hfd. 43: 4:22). Maar het algemene gebruik is nog steeds om kaarsen aan te steken. Daarom suggereren sommigen dat de vrouw des huizes vóór Sjabbat het licht aan moet doen. Zij moet dan onmiddellijk aansluitend daarop de Sjabbat-kaar­sen aansteken, zonder onderbreking en zonder te praten. De beracha die zij dan zegt, geldt dan voor de Sjabbat-kaarsen, zowel als voor het electrische licht, het­geen tenslotte de hoofdbron van de verlichting is  en misschien is dat wel de hoofdzaak van de mitswa. (Az Nidberoe III:2).

Rav Sjlomo Zalman Auerbach zt”l besliste ook dat electrisch licht gebruikt mag worden als Sjabbat-kaarsen. Hij stelde daar echter wel bij dat alleen licht dat door batterijen gevoed wordt, gebruikt mag worden. Wanneer een vrouw een beracha maakt over de Sjabbat-kaarsen, moet er voldoende olie of was zijn om tijdens de hele maaltijd op vrijdagavond te kunnen branden, want één van de redenen voor de mitswa is dat men niet tijdens de seoedat Sjabbat in het donker zit, hetgeen geen oneg Sjabbat is. Als zij de olielamp slechts met een paar drup­pels olie zou aansteken en afhankelijk zou zijn van iemand anders, die daar later nog wat olie aan toevoegt, dan zou haar beracha ongeldig zijn. Er moet dus vol­doende brandstof in de lamp aanwezig zijn, als zij hem aansteekt.

Hetzelfde principe geldt voor electrisch licht. Wanneer een vrouw de schakelaar van het electrisch licht omdraait, moet de electriciteit die het licht voedt, reeds aanwezig zijn. Dat is het geval met licht dat op een batterij brandt en dat is daar­om kosjer voor gebruik als Sjabbat-lamp. Maar ze mag geen beracha zeggen over electrisch licht en afhankelijk zijn van de electriciteitsleverantie van de elec­triciteitsmaatschappij gedurende de hele maaltijd. Daar de electriciteit niet aan­wezig was op het moment van het aansteken van het licht, kunnen wij haar han­deling niet beschouwen als de enige bron van het licht (Sjemirat Sjabbat Kehil­chata, ibid.). Deze beperking geldt voor Sjabbat-kaarsen en nog meer voor Chanoeka-kaarsen. Wanneer electrisch licht voor Chanoeka-kaarsen gebruikt wordt, dan moet dat door batterijen gevoed licht zijn, met genoeg electriciteit voor de hele duur van de mitswa.