Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 2 Siwan 5765

Traktaat Sjabbat 34-40 Nr. 92

ãó ìâ/á åøáé ùîòåï

De Heilige Tanna Rabbi Sjim’on bar Jochai

De Talmoed staat vol met de leringen van de Heilige Tanna Rabbi Sjim’on bar Jochai. Overal waar Rabbi Sjim’on wordt genoemd, wordt daarmee Rabbi Sjim’on bar Jochai bedoeld, ook al wordt zijn volledige naam niet uitgespeld (zie Pesachiem 51b).

Rav Mosjé Konitz van Oben heeft een heel boek geschreven, getiteld „Bar Jochai,” waarin hij tot vele verreikende conclusie komt betreffende Rabbi Sjim’on bar Jochai. Hier presenteren we enkele van de handwijzers die hem tot deze conclusies geleid hebben.

De Tanna met twee titels: Vele Tannaïem en Amoraïem worden alleen bij hun eerste naam genoemd, terwijl anderen samen met hun vaders naam genoemd worden, om hen te onderscheiden van anderen met dezelfde voornaam. Maar Rabbi Sjim’on is uniek, want hij is de enige die beide titels kreeg. Soms noemt de Talmoed hem Rabbi Sjim’on en soms Rabbi Sjim’on bar Jochai.

In de meeste discussies wordt de visie van Rabbi Sjim’on verworpen: De Talmoed spaart geen enkele moeite om de grootheid en eruditie te be­schrijven van Rabbi Sjim’on bar Jochai, die hoog boven de andere Geleerden van zijn tijd uitstak. Wanneer Rabbi Pinchas ben Jaïr een vraag tot Rabbi Sjim’on richtte, werd hij met 24 verschillende verklaringen beantwoord (Sjabbat 32b). Over Rabbi Sjim’on werd gezegd (Soeka 45b): „Ik heb hoogstaande mensen gezien, maar daar zijn er weinig van… Wanneer er daar maar twee van in de wereld zijn, dan zijn zij dat [Rabbi Sjim’on en zijn zoon].” Hij veranderde diegenen die hij afkeurde met een enkele blik in een „stapel beenderen” (Sjabbat 33b). Wegens de verdienste van Rabbi Sjim’on, verscheen de regenboog, die een teken is van het ongenoegen van Hasjem, niet eenmaal tijdens zijn leven (Jeroesjalmi Berachot hfd. 9). Deze en vele andere wonderlijke prestaties worden toegeschreven aan Rabbi Sjim’on.

Daarom is het verbazend dat in de meeste discussies van Rabbi Sjim’on met zijn collega’s, zijn mening verworpen wordt. „Wanneer Rabbi Sjim’on discussieert met Rabbi Jossi, is de halacha volgens Rabbi Jossi… Wanneer Rabbi Sjim’on discussieert met Rabbi Jehoeda, is de halacha volgens Rabbi Jehoeda” (Eroewien 46b). De Maharsjal (die meer dan duizend jaar na Rabbi Sjim’on leefde) gaat zelfs zover, om te schrijven: „Zelfs als zou Rabbi Sjim’on vandaag voor ons staan en eisen dat wij een minhag zouden veranderen, die wij tot nu toe volgen, dan zou­den wij zijn protesten negeren. In de meeste gevallen volgt de halacha Rabbi Sjim’on niet” (Tesjoewot 98).

Deze en andere raadselachtige tegenstellingen leidde Rav Mosjé Konitz ertoe om een onderscheid te maken tussen Rabbi Sjim’on en Rabbi Sjim’on bar Jochai. Beide titels betreffen dezelfde persoon, maar in twee verschillende stadia van zijn leven. Vóór zijn historisch verblijf in de grot werd hij gewoon Rabbi Sjim’on ge­noemd. Toen hij daaruit te voorschijn kwam werd hij Rabbi Sjim’on bar Jochai of ook wel „Bar Jochai” ge­noemd. In de hele Sjas zijn talrijke aanwijzingen te vin­den ter ondersteuning van deze theorie. Zelfs in de vertelling over de vlucht van Rabbi Sjim’on voor de Romeinen vinden wij dit onderscheid. De Gemara begint met: „Rabbi Jehoeda, Rabbi Jossi en Rabbi Sjim’on zaten bijelkaar.” Hier wordt hij zonder de toevoeging van zijn vaders naam genoemd. Na twaalf jaar in de grot stond Eliahoe voor de ingang van de grot en riep: „Wie zal Bar Jochai informeren dat Caesar gestorven is en dat zijn decreet is ingetrokken?” Nadat hij de grot had verlaten, „reinigde” hij Tiberias door de verloren gegane graven te localiseren en te merken, waarover geschreven staat: „Bar Jochai heeft de begraafplaats gerei­nigd.” Als de Gemara het heeft over het tijdperk van Rabbi Sjim’ons geboorte, wordt hij gewoon met ‘Rabbi Sjim’on’ aangeduid (Makkot 17b), maar tegen de tijd van zijn dood wordt hij Rabbi Sjim’on bar Jochai genoemd (Ketoebot 77b). In traktaat Meïla (17b) wordt Rabbi Sjim’on door de Geleerden naar Caesar gestuurd, om zijn harde decreten te annuleren. „Laat Rabbi Sjim’on ben Jochai voor ons uit gaan, want hij is gewend aan wonderen.” Rasji verklaart dat er voor hem in de grot wonderen verricht werden.

„Bar Jochai, je werd gezalfd, Asjrecha”: De twee titels van Rabbi Sjim’on ma­ken niet alleen onderscheid tussen twee periodes in zijn leven. De nieuwe titel is ook een aanwijzing voor de grote geestelijke hoogte die hij in de grot bereikte. De diepste geheimen van Tora werden voor hem onthuld en hij werd omgevormd tot een heilig en subliem individu. Deze transformatie wordt aangeduidt in het bekende lied: „Bar Jochai, je werd gezalfd, Asjrecha! [tot jouw eeuwig genoegen]!”

Voordat Rabbi Sjim’on de grot inging, en hij bekend stond als Rabbi Sjim’on, werd zijn mening verworpen, ten gunste van zijn collega’s. Nadat hij ver­heven was tot het niveau van Rabbi Sjim’on bar Jochai, hadden zijn beslissingen groter gewicht.

Deze goed-onderbouwde conclusie kan ons helpen om een raadselachtige Gemara in traktaat Rosj Hasjana (4a) te verklaren. De Gemara noemt daar Rabbi Sjim’ons mening en steunt die dan met te zeggen: „en dat heeft Rabbi Sjim’on bar Jochai ook gezegd.” Dit is een ongewone manier van uitdrukken, die slechts driemaal in de hele Sjas voorkomt, tweemaal in verband met Rabbi Sjim’on (zoals Rabbi Akiwa Eiger zegt). Wat is het belang van deze woorden? Waarom citeert de Gemara Rabbi Sjim’on als steun voor zijn eigen woorden? Volgens datgene wat wij zojuist uitgelegd hebben, is dat perfect verklaarbaar. Rabbi Sjim’on deed de uitspraak voor het eerst voordat hij de grot inging. Nadat hij daaruit was gekomen en een veel belangrijkere halachische status had verkregen, herhaalde hij zijn mening, daarbij zijn vroegere woorden ondersteunend.

ãó ìä/á ùìéùéú ìäãìé÷ àú äðø

De tijd voor het aansteken van de kaarsen op vrijdagavond

In de tijd van de Talmoed was het de gewoonte om iedere erev Sjabbat zesmaal op de sjofar te blazen, om de mensen te informeren dat Sjabbat op het punt stond in te gaan. De Gemara verklaart de betekenis van ieder sjofar-stoot, waarbij ieder een ander stadium van de Sjabbat-voorbereidingen aangaf. Tegenwoordig is er een soort­gelijke gewoonte in Tora-gemeenschappen, zoals de Rama schrijft: „Het is de ge­woon­te van Joodse gemeenschappen om een bood­schapper aan te stellen die de komst van de Sjabbat, een uur of een half uur voordat de Sjabbat begint, aankondigt om de mensen te waarschuwen dat zij zich op de Sjabbat moeten voorbereiden. Deze aankondiging komt in de plaats van de sjofar die in de tijd van de Gemara gebruikt werd en het is een goede gewoonte, die overal gevolgd zou moeten worden” (Sjoelchan Aroech O.Ch. 256).

Waarom steekt men de kaarsen vroeger aan? De Gemara eist alleen maar dat wij gewaarschuwd worden voor de nadering van Sjabbat, opdat de mensen die niet per ongeluk zullen ontheiligen en dat zij de Sjabbat zullen verwelkomen met het juiste eer­betoon. De noodzaak voor deze waarschuwing is best te begrijpen. Echter, waar­om steken de vrome vrouwen de Sjabbat-kaarsen zo vroeg aan? Niet alleen dat zij vroeg al voor de Sjabbat voorbereiden, zij beginnen de Sjabbat ook vroeger.

De verschillende gewoonten van het aansteken van de kaarsen in Erets Jisraël: De logica zou veronderstellen dat men de Sjabbat-kaarsen slechts een paar minuten voor zonsondergang aansteekt. Door aan te steken op het moment dat de Sjabbat begint, eren we de Sjabbat bij haar komst. Zeker, er is een mitswa van tosefet Sjabbat (toevoeging aan Sjabbat), maar dat kan men ook doen door Sjabbat een paar minuten voor zonsondergang te laten ingaan (Seder Hachnasot Sjabbat, Sjoelchan Aroech HaRav, Bioer Halacha 261, beg.w. eze zman). Dus waarom steken de Asjkenazische Joden in Jeruza­lem de kaarsen al veertig minuten voor zonsondergang aan? Vele families in Petach Tikwa volgen die gewoonte ook, omdat Petach Tikwa werd gesticht door Jeru­zalemie­ten. In Haifa is het de gewoonte om de kaarsen 30 minuten voor zonsonder­gang aan te steken. In vele andere steden is het de gewoonte om ze twintig minuten van te voren aan te steken. Bnei Brak voegt daar 2 minuten aan toe en steekt dus twee-en-twintig minuten voor zonsondergang aan. Wat is de basis voor deze gewoon­te om zo vroeg aan te steken?

De Misjna Beroera schrijft (261:23) dat lechatchila men niet tot het laatste moment moet wachten met aansteken, maar dat men moet aansteken als de zon boven de toppen van de daken staat. „Wanneer iemand een half uur of minstens een derde van een uur voor zonsondergang aansteekt, dat vervult hij op bewonderenswaardige wijze alle meningen van de Risjoniem.”

Over welke Risjoniem heeft de Misjna Beroera het en wat zijn hun meningen?

De Misjna Beroera heeft het in de eerste plaats over Rav Eliëzer van Mintz zt”l, de schrijver van Sefer HaJereïem, die meent dat bein hasjemasjot tussen 13 en 18 minuten voor zonsondergang begint. Volgens hem is het, op grond van een sfeka de’oraita (een twijfel over Tora), een verplichting om 18 minuten voor zonsondergang met alle melachot te stoppen. Ten einde de mitswa van tosefet Sjabbat te kunnen doen, voegen wij daar nog twee minuten aan toe, en zo komen we dan aan de wijd verspreide gewoonte om twintig minuten voor zonsondergang de lichten aan te ste­ken.

Van de redactie

Een mededeling die duizend woorden waard is

Mijn vriend Rav Chyim Monsenago een ervaren magied Sji’oer van de Daf HaJomi, hing de volgende mededeling op tegen het begin van het leren van traktaat Sjabbat. Het is zo toepasselijk dat het hier op de voor­pagina verdient te worden geplaatst.

Beste vriend,

Als je iedere dag, beginnende woens- dag 21 Adar, slechts een uur van je tijd gewijd had aan het leren van de Talmoed, dan had je nu trak­taat Berachot uit.

Over een half jaar van nu wil je een der-gelijke mededeling als dit: „Als je… traktaat Sjabbat uit” niet lezen. Dus vergezel ons vandaag in de Daf HaJomi sji’oer in de Ohel Gavriël Sy­na­goge, in Ramot, Jeruzalem, tus­sen 19.00 en 20.00.

Krachtige woorden.

* * * * * * * * * * * * * * * * * * *

Middernachtelijk leren uitgelokt door de Daf HaJomi

Wanneer je meer wilt weten over de grote dorst om Daf HaJomi te leren, luister dan naar het verhaal van Rav Y.A., die vlak naast Meorot HaDaf HaYomi in Bnei Brak woont.

Op maandag 10 Adar II eindigde ik mijn normale Sji’oer om 23.30 ’s avonds. Ik had een lange dag achter de rug en was moe. Ik merkte op dat iemand mij benaderde. Hij liep zwaar, met soort-gelijke symptomen van uitputting.

„Mag ik een ongewoon verzoek doen?”

„Met plezier.”

„Iedere dag ben ik zeer zorgvuldig om de DafHaJomi te leren, maar van­daag had ik vertraging en ver­keersopstoppingen en ik kon niet komen leren. Wilt u de daf met mij leren?”

Dit was duidelijk iemand met een grote liefde voor Tora. Hoe zou ik kunnen weigeren? Ik vroeg hem welke daf hij wilde leren en hij ant­woordde dat hij blij zo zijn of welke daf dan ook te leren die ik wilde, zo­lang als hij maar zich aan zijn ver­plichting kon houden om iedere dag een daf Gemara te leren. Terwijl wij zaten te leren, kwam iemand anders binnenen vroeg of hij erbij mocht zit­ten, want ook hij had geen kans ge­zien zijn daf te leren. Wij eindigde met leren om 00.30 uur in de ochtend. De Gemara die wij leerden ging over de dienstdoende engelen en ik ver­telde hem dat Hasjem nu zeker tegen de engelen zou zeggen: „Chazoe, chazoe...– zie mijn dier­bare kinderen die mijn Tora zelfs op deze tijd van de nacht liefhebben.”

Na afloop vroeg ik naar zijn naam en waar hij woonde. Zijn bescheiden­heid verhindert mij zijn naam te ver-melden, maar hij woont in Kiriat Herzog. In zijn enthousiasme haalde hij een biljet van 50 sjekel te voor­schijn. Dat heb ik natuurlijk gewei­gerd aan te nemen, maar ik was diep onder de indruk, dat iemand zelfs bereid is te betalen voor zijn liefde voor Tora. Ik heb nimmer ge­dacht dat ik mijzelf nog eens zou terugvinden Tora te leren te midder-nacht met twee mensen die ik nim­mer eerder gezien had, maar de Daf HaJomi kan alles doen.

Ik wil deze gelegenheid aangrijpen om die persoon te vertellen hoe het mij gesterkt heeft, nu ik mij realiseer welk een wonderschone toewijding de Daf HaJomi-lerners bezitten.”

* * * * * * * * * * * * * * *

De Daf HaJomi overal

We komen nu ook al ergens op een militaire basis… waar de Daf HaJomi ook is aangekomen, zoals wij ons reali-seren op grond van de volgende brief:

Een groene envelop van het leger bij de post bevatte mijn oproep voor mijn herha­lingsoefening. Je neemt af­­scheid van je familie, vrienden en kin­deren, werk en kortom van een comfortabele routine, om het uniform weer aan te trekken. Ik pakte mijn plunje­zak in en stopte er ook een Gemara in.

Naar een legerbasis, ergens in nie­mandsland. Miloeïem.

„Hallo!” „Hoe gaat het er mee?” „Kijk ik heb mijn Gemara meegenomen.”

„Ik heb bandopnamen van de komen­de sji’oeriem.”

„Ik volgde een sji’oer waar ik woon.”

En zo voegt nog een soldaat zich bij ons, en nog een. We zetten een cha-wroeta op! Er was een middagpauze tijdens de training en we besteedden onze tijd aan de chawroeta. Ik herin­ner me dat een paar jaar geleden de synagoge op deze basis een klein kamertje was. Baroech Hasjem be­zet de synagoge nu een groot ge­bouw, maar nog te klein om ieder­een te omvatten. Soldaten blijven er zit­ten leren, te praten over de Daf Ha­Jomi. Ze komen vanuit het hele land en van diverse divisies om mee te doen aan de Daf HaJomi. De revolu­tie veegt door alle lagen van de bevolking, overal.

Met groeten,

Chanan Zoldan, Ma’alee Levona.

We spraken met Chanan en hij voegde nog een interessant as­pect toe aan zijn persoonlijk verhaal. „Waar ik werk,” vertelt hij, „ontdekte ik dat een collega ook Daf HaJomi leert dus nu hebben we wat de pra­ten tijdens de koffiepauze.

* * * * * * * * * * * * * * *

 

 

In Jeroesjalajiem steken de Asjkenaziem veertig minuten voor zonsondergang aan. Sommigen menen dat dit gebaseerd is op de mening dat tosefet Sjabbat een half uur voor zonsondergang moet beginnen. Wanneer wij dat zouden moeten interpreteren als sja’ot zemaniot (seizoen-uren), dan duurt een half zomer-uur ongeveer veertig minu­ten. Vandaar de oorsprong van de gewoonte om het hele jaar dan veertig minuten voor zonsondergang aan te steken (zie Sefer Hazmaniem, door Rav Zaks, blz. 5).

De Kaf HaChaim  (256:5) schrijft dat het de gewoonte van Jeruzalem is om de komst van Sjabbat veertig minuten voor zonsondergang aan te kondigen en om dat tien minuten later nogmaals aan te kondigen. Wanneer het de gewoonte was om Sjabbat te accepteren door de kaarsen veertig minuten voor zonsondergang aan te steken, wat had het dan voor nut om het tien minuten later nogmaals aan te kondigen? Geba­seerd op deze waarneming, zetten sommige poskiem vraagtekens bij de gewoonte om de kaarsen veertig minuten voor Sjabbat aan te steken en daarmee Sjabbat te beginnen (zie Resp. Jabia Omer V, O.Ch. §21). Het is interessant om op te merken dat Rav Sjlomo Zalman Auerbach zt”l gezegd zou hebben dat de gewoonte om Sjabbat veertig minuten voor zonsondergang te accepteren alleen voor vrouwen geldt. Mannen mogen ook na deze tijd nog melacha verrichten (Sjemirat Sjabbat Kehilchata 46, noot 20). Wanneer de gewoonte om vroeg aan te steken, gebaseerd zou zijn op de mening dat Sjabbat dan moet beginnen, dan zou het voor iedereen gelden, mannen zowel als vrouwen. Maar Rav Sjlomo Zalman vatte het op als een prijzenswaardige hidoer, bedoeld om de mensen te weerhouden van onopzettelijke ontheiliging van Sjabbat.

ãó ìã/á úðå øáðï áéï äùîùåú ñô÷ îï äéåí åîï äìéìä

Bein Hasjemasjot” – tussen de zonnen

Bein Hasjemasjot is een periode gedurende welke het niet meer dag is, maar de nacht is ook nog niet begonnen. De parameters van bein hasjemasjot, zijn halachische status, de preciese tijd en zelfs de definitie van zijn naam zijn allen onderwerp van discussie. In dit artikel willen wij aandacht besteden aan de belangrijkste opinie’s en we beginnen met het bekende debat over de tijden van skia (zonsondergang) en tseet hakochaviem (de verschijning van de sterren).

De Geoniem (genoemd in Tesjoewot Maharam Alsjakar 96) vatten de skia op als het tijdstip waarop de bol van de zonder ondergaat. Hier begint bein hasjemasjot en duurt voort tot tseet hakochaviem. Echter, Rabbeinoe Tam is van mening dat er in feite twee skiot zijn. De eerste skia is wanneer de bol van zon achter de horizon uit het gezicht verdwijnt en de tweede is geruime tijd later (zie Maggid Misjna hilchot Sjabbat 5:4). Tosafot (Zewachiem 56a, b.w. minajim) noemt deze twee tijden het „begin van skia” en het „einde van skia”. Rabbeinoe Tam meent dat hoewel de zon onder is en uit het gezicht verdwenen is, het nog steeds dag is, tot de tweede skia.

Nu zullen we de betekenis van de woorden bein hasjemasjot trachten te definiëren.

Tussen de zon en zijn licht: Volgens de Maharal van Praag (Goer Arjee, Sjemot 12:6) wordt iedere dag een „zon” genoemd. Daarom wordt met bein hasjemasjot – tussen de zonnen – de schemerperiode bedoeld tussen de ene dag en de volgende. De Gaon van Wilna zegt echter dat de twee zonnen waar we het hier over hebben de zon zelf is en zijn licht (Bioer HaGra O.Ch. begin 261 en J.D. 262). Bein hasjemasjot is daarom de tijd tussen de ondergang van de zon en de verdwijning van zijn licht. De interpretatie van de Gaon van Wilna past goed bij die van de Geoniem, dat bein hasjemasjot begint met de ondergang van de zon en voortduurt tot het verdwijnen van het licht. De Gaon van Wilna steunt hun idee in de halacha. Echter, volgens Rabbeinoe Tam begint bein hasjemasjot lang na zonsondergang, wanneer het zonlicht volkomen verdwenen is.

Het derde probleem waar wij hier mee te maken hebben is de halachische status van bein hasjemasjot. De Gemara beschouwt bein hasjemasjot als een twijfelachtige periode, waarvan we onzeker zijn of de halachot van de vorige dag of die van de volgende avond daarop van toepassing zijn. Wat is er eigenlijk onzeker aan deze periode?

De sterren zijn al zichtbaar en toch is het onzeker of de nacht al begonnen is: Volgens de interpretatie van de soegia volgens Tosafot (35a, b.w. trei) neemt de Gemara aan dat de nacht begint met het verschijnen van de sterren. Maar welke sterren? De grote sterren kunnen al bij daglicht worden waargenomen en de kleinste sterren kunnen we pas zien als het helemaal donker is. De interimperiode van bein hasjemasjot is de tijd dat sommige sterren zichtbaar zijn, maar wij weten niet zeker of zij klein genoeg zijn om de nacht in te luiden. Sommigen verklaren dat de onzekerheid van bein hasjemasjot de vraag is, of de nacht met twee of met drie sterren begint (Minchat Kohen, deel I en eind hfd. 3).

Een combinatie van dag en nacht: Gebaseerd op de interpretatie van bepaalde Risjoniem in onze soegia, geven sommige Acharoniem een nieuwe interpretatie van de onzekerheid omtrent bein hasjemasjot. De Maharal (Goer Arjee) beschrijft het zeer duidelijk, dat bein hasjemasjot niet alleen maar een kwestie van onwetendheid is, dat we niet weten wanneer de dag eindigt en de nacht begont. Maar bein hasjemasjot bevat kenmerken van zowel de dag als de nacht. Ons probleem is hoe wij deze twijfelachtige schemerperiode halachische moeten zien. Beschouw­en we het als dag of als nacht? Daar het een kwestie van halachisch gewicht is en niet alleen maar van onwetendheid, kan het nimmer worden opgelost [deze interpretatie komt overeen met de mening van de Geoniem, dat tijdens bein hasjemasjot het daglicht nog te zien is en de duister al inzet.

Als bewijs voor deze interpretatie citeren de Acharoniem de Misjna in Pirkei Awot (5:6): „Tien dingen werden er geschapen op erev Sjabbat: bein hasjemasjot…” Dus Bein hasjemasjot was een reële definitieve periode, zelfs al bij de schepping. Maar dat alleen is nog geen bewijs. Hasjem heeft er geen twijfel over, wanneer de dag eindigt en de nacht begint. Misschien heeft de Misjna het over die periode die in onze ogen twijfelachtig is. Maar de Midrasj zegt expliciet dat Hasjem besloot om deze dingen tussen de zesde dag en Sjabbat te scheppen. (Midrasj HaGadol, Bereisjiet 2:2). Dit bewijst dat bein hasjemasjot een aparte periode is en niet alleen maar ontstaat uit onze onwetendheid.

Tussen dag en nacht: De Netziv is het hier mee eens en citeert een bewijs  uit de woorden van de passoek: „Om een scheiding te maken tussen dag (bein jom) en nacht (oewein halaila) (Bereisjiet 1:14). De Tora-woorden „bein oewein” duiden altijd op een derde alternatief: een derde periode tussen de twee. Die periode is bein hasjemasjot. Daarom kunnen wij begrijpen dat er alleen ’s avonds een bein hasjemasjot is en niet ook ’s ochtends. De Tora zegt: „tussen de dag en de nacht,” maar er wordt niet gezegd „tussen de nacht en de ochtend.” Dus de onzekerheid over bein hasjemasjot is een kwestie van halacha: hoe beschouwen wij een periode die kenmerken heeft van zowel dag als nacht?