Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 24 Siwan 5765

Traktaat Sjabbat 54-60 Nr.  95

Daf 54b-55a

De mitswa om je naaste te vermanen

De Tora gebiedt ons: „Je zult je naaste terecht wijzen” (Wajjikra 19:17). De Rambam citeert deze mitswa en schrijft het volgende (Hilchot De’ot 6:7): „Wanneer iemand ziet dat zijn vriend gezondigd heeft of is afgedwaald op het verkeerde pad, dan is het een mitswa om hem aan te sporen om terug te keren en om hem mee te delen dat hij tegen zichzelf gezondigd heeft ten gevolge van zijn verkeerde gedrag.” Om de mitswa te definiëren, hebben de Poskiem gebruik gemaakt van onze soegia.

De terechtwijzing van een zondaar, die niettemin zal doorgaan met zondigen: Eén punt van discussie is de verplichting om een zondaar te vermanen, die de terechtwijzing naar alle waarschijnlijkheid zal negeren. Onze Gemara geeft kennelijk een duidelijk bewijs dat er niet zo’n verplichting bestaat.

In Tenach (Jechezkel 9:4) lezen we dat vóór de verwoesting van het Beit Hamikdasj, Hasjem aan de engel Gawriël (Gabriël) de opdracht gaf: „Ga door de stad, door Jeruzalem, en zet de letter tav op het voorhoofd van ieder die kreunt en  weent over de gruweldaden die daar gebeurd zijn.” De Gemara legt uit dat Hasjem aan Gawriël opdracht gaf om de voorhoofden van de tsaddikiem – de rechtvaardigen – te merken met de Hebreeuwse letter tav, om hen te beschermen tegen de verwoesting die op het punt stond gerealiseerd te worden. De Midat Hadin – de Eigenschap van de Rechtspraak – protesteerde daartegen en meende dat ook deze rechtvaardigen schuldig waren, omdat zij de misdadigers niet vermaand hadden. Hasjem antwoordde: „Het is aan Mij onthuld dat als zij hadden geprotesteerd, dat het genegeerd zou worden.” We zien daaraan dat er geen verplichting is om te vermanen wanneer duidelijk is dat dit te vergeefs is.

De Eigenschap van de Rechtspraak betoogde echter verder en zei dat weliswaar Hasjem wist dat de terecht­wijzingen genegeerd zouden worden, maar dat die rechtvaardigen dat niet wisten. Daarom hadden zij wel degelijk de booswichten moeten vermanen. Wij zien hieraan dat zelfs de Eigenschap van de Rechtspraak ermee instemde dat wanneer zij geweten hadden dat hun terechtwijzing genegeerd zou worden, zij zouden zijn vrijgesteld (Hagahot Maimoniot op Rambam, ibid. ot 3, die verschillende Risjoniem aanhaalt. Tosafot b.w. We-af al gav is het ook eens met deze mening. Zie Bioer Halacha 608, b.w. Awal iem mefoerasj ba Tora).

Wanneer vermanining een sjogeeg (een onwetende zondaar) verandert in een mezied (een opzettelijke zondaar): Rav Eliëzer van Mitz, de auteur van Sefer HaJereïem is het niet eens met het bovenstaande. Hij houdt vol dat de verplichting tot vermanen blijft bestaan, zelfs wanneer de vermaning zeker genegeerd wordt. En deze mening is geaccepteerd in de halacha, en vindt toepassing in omstandigheden waar de vermaning een sjogeeg verandert in een mezied, waardoor de ernst van de ovetreding verzwaard wordt (Rema O.Ch. 608:2). Hoewel de Gemara incidenteel vemaningen die geen effect zullen hebben, afraadt, onder de veronderstelling dat het beter is om te zondigen besjogeeg (onwetend te zijn dat men een overtreding begaat) dan bemezied (dan opzettelijk, willens en wetens een overtreding te begaan). De Ba’al Ha’Ietoer legt uit dat dit alleen geldt voor verboden die expliciet in Tora vermeld staan. In dat geval moet men zelfs vermanen wanneer de overtreder de vermaning zal negeren. Dit is het standpunt dat de Rema geaccepteerd heeft.

Daar dit de geaccepteerde halacha is, hoe kunnen wij dat dan in overeenstemming brengen  met de ogenschijnlijke tegenstrijdige Gemara, waar staat dat Hasjem de rechtvaardigen verdedigde, met de bewering dat de vermaning niet zou hebben geholpen. Sommigen zeggen dat de rechtvaardigen wel degelijk protesteerden tegen overtredingen die nadrukkelijk in Tora genoemd worden. Het meningsverschil tussen Hasjem en de Grote Aanklager betrof alleen die overtredingen, die niet expliciet in Tora vermeld staan en dat daarom Hasjem zei dat de tsaddikiem geen verplichting hadden om tegen dovemans oren te vermanen.

Anderen verwerpen deze verklaring, en menen dat de rechtvaardigen niet verdienen zwaarder gestraft te worden dan de booswichten, omdat zij niet vermaand hebben tegen zonden die niet eens in Tora genoem worden.

De Beoer Halacha legt uit dat het principe „Alle Joden zijn verantwoordelijk voor elkaar (Sjawoe’ot 39), hetgeen in essentie meent dat we verantwoordelijk gesteld worden voor de zonde van een ander, alleen geldt wanneer de verma­ning effectief is. Er bestaat inderdaad een verplichting om te vermanen, zelfs als dat genegeerd wordt. Maar we zijn niet verantwoordelijk voor zonden waartegen wij machteloos staan om ze tegen te houden. Om deze reden beweerde Hasjem dat de rechtvaardigen, hoewel zij fout waren, dat zij niet vermaand hadden, niet verantwoordelijk gesteld konden worden en dus niet zo zwaar gestraft moesten worden voor zonden die zij niet hadden kunnen voorkomen, omdat hun vermaning toch niet geholpen had.

Vermaning zodat anderen niet leren te zondigen: Rav Sjlomo Kluger Zts”l (TesjoewotTov Ta’am Veda’at) leert van onze Gemara nog een extra punt voor de mitswa van vermaning. De Misjna zegt dat Rabbi Elazars koe een last in resjoet harabbiem (publiek gebied) droeg, in overtreding van het gebod dat men zijn dier moet laten rusten op Sjabbat. De gemara legt uit dat de koe in feite van zijn buurvrouw was, maar de ontheiliging van de Sjabbat werd hem aangerekend, omdat hij zijn buurvrouw niet vermaand had.

De reden dat hij haar niet vermaand had is waarschijnlijk omdat hij het gevoel had dat zijn terechtwijzing geweigerd zou worden. Daarom meende hij dat het beter was dat de buurvrouw sjogeeg bleef, dan mezied werd. Niettemin had hij haar toch moeten vermanen, want de ontheiliging van Sjabbat was publiekelijk bekend. Hoewel zijn vermaning nadelig voor haar was, zou het ten goede komen aan anderen. Zij zouden zijn vermaning horen en zich onthouden om haar voorbeeld te volgen.

Daf 56a: Hij zag herkenbare aanwijzingen in hem                              ãó ðå/à ãáøéí äðéëøéí çæà

Het geloven van lasjon hara wanneer er redenen zijn om te geloven dat het de waarheid is

Het ernstige verbod tegen het vertellen van of het luisteren naar lasjon hara is algemeen bekend. Zelfs als men niet actief deelneemt in het vertellen van of instemmen met het verhaal, maar alleen maar luistert naar lasjon hara en gelooft dat het waar is, is al verboden. Men moet alle moeite doen om te geloven dat het verhaal niet waar is. Echter, de poskiem bewijzen met behulp van onze soegia dat er omstandigheden zijn die het toestaan om lasjon hara te accepteren.

De Gemara vertelt het verhaal van het gevecht van David Hamelech met zijn opstandige zoon Avsjalom, die trachtte zijn vader te doden en de troon in te nemen. Nadat Avsjalom verslagen was en David weer terugkeerde op de troon, werd hem verteld door Tsivia dat Mefibosjet de rebellie van Avsjalom gesteund had. David geloofde Tsivia en strafte Mefibosjet overeenkomstig. De Amora Sjmoeël legt uit dat David het verbod tegen het accepteren van lasjon hara niet had over­treden, omdat hij redenen had om te geloven dat Tsivia de waarheid sprak. Toen Mefibosjet David voor de eerste keer na diens terugkeer begroette, toonde hij niet de nodige eerbied voor de koning. Dit versterkte Tsivia’s bewering.

De Hagahot Maimones (Hilchot De’ot 7:4) leert hier van een belangrijke halacha: „Wanneer iemand dewariem nikariem ziet (omstandigheden die de bewering steunen), dan mag hij de bewering accepteren en geloven, zoals wij leren van David.” De Smag en de Jereïem (verbod 10) zijn het ermee eens  en schrijven: „Wanneer iemand bij een ander aanwijzingen ziet die een bewering tegen hem steunen, mag hij geloven dat de bewering waar is.”

Van de redactie

Ga naar Wenen

Iemand kwam eens naar het huis van de Chafeets Chaim zt”l met een bijzonder verzoek. „Van jongs af aan hebben wij geleerd dat de booswichten hun beloning in deze wereld krijgen en de rechtvaar­digen krijgen hun beloning in de Komende Wereld. Gezien de om­standigheden heb ik begrepen dat ik een tsaddiek ben. Kunt u tot Hasjem bidden dat hij één mitswa van mij afneemt, eentje maar,  van alle mitswot die ik gedaan heb, om die te verwisselen voor een leven in deze wereld, als of ik een slecht mens ben, met slechts één mitswa.”

De Chafeets Chaim had mede­lij­den met hem en vertelde hem het volgende verhaal, om hem te tonen hoe absurd zijn verzoek was.

Een koning nam eens, heel alleen een bad in de rivier. Plotseling werd hij gegerepen door een ster­ke stroom en dreigde hij te ver­drinken, als er niet juist een boe­ren dorpsbewoner langs­ was gekomen, die in de rivier sprong en de koning naar de kant trok. Zonder te weten wie hij gered had, nam de dorpeling de koning mee naar zijn huis, droogde hem, verwarm­de hem kleedde hem en zond hem vervolgens naar huis. Voor­dat de koning vertrok haalde hij een notitieboekje te voorschijn  en schreef iets op een klein stukje papier, en gaf dat aan de boer, met de mededeling dat hij daar­mee naar de bank moest gaan.

De landman ging naar de bank, waar hij nog nooit geweest was. De wacht weigerde hem toe te laten, totdat hij zijn ganzen achter zich had gelaten, die hij had meegenomen. Hij stond nu in de rij en bekeek zijn omgeving. Hij zag hoe de mensen met hun hoofd knikten, een papier over­han­dig­den, even wachtten, een handtekening zetten en met nog een knik geld kregen.

Toen hij aan de beurt was, haalde hij het verkreukelde stukje papier uit zijn zak, knikte en legde het briefje op de balie, zoals hij het de man voor hem had zien doen. Hij wachtte op de inktpot om zijn duim in te dompelen voor de vingeraf­druk, keek neer op de bankbe­dien­de, die bewegingloos zat te kijken naar het papiertje en zacht­jes zat te knikken. „Dit is een cheque van de koning,” zei hij, „maar ik kan u dit geld niet geven.”

„U eerbiedigt de cheques van de koning niet?”

De directeur van het bankkantoor kwam erbij en legde uit dat al het geld dat dit bankkantoor in de kluis had, niet voldoende was om een tiende van het bedrag op de cheque te dekken.

„Meneer, ga naar Wenen, naar ons hoofdkantoor daar. De grote safe is in het kantoor van de hoofd­directeur van de bank. Toon hem uw cheque. Ga naar Wenen.”

De manager hield op met praten en zij keken elkaar sprakeloos aan. De manager was tot in de puntjes gekleed, met goudge­rande brilleglazen, terwijl de boer er haveloos uitzag, met zijn laar­zen en slordige, besmeurde kle­ren en een enorme pet. Maar het was voor hen beide duidelijk dat de manager graag met de boer had willen ruilen, ondanks het feit dat de boer op dat moment geen cent bezat en nauwelijks wist hoe hij in Wenen moest komen. Maar zij wisten allebei de waarheid: Hij moest een beetje geduld oefenen. Hij moest naar Wenen gaan.

De Midrasj zegt dat wanneer iemand een mitswa doet,  dan krijgt hij de beste cheque, gete­kend door Eliahoe en de Masjiach en Hasjem betaalt hem uit. (Wajjikra Rabba 34)!

De Chafeets Chaim beëindigde zijn verhaal: „Het hoeft zeker geen extra verklaring dat de cheque van Eliahoe en de Masjiach niet in deze wereld kunnen worden uitbetaald.”

De Chafeets Chaïm zt”l (7:10) citeert deze regel in halacha en voegt daaraan toe dat het geaccepteerd is door iedereen (zelfs volgens Rav, die in onze soegia meent dat David het verbod op het accepteren van lasjon hara overtrad).

Waar in Tora vinden we een bron voor deze toegevendheid? De Zera Chaïm (ibid) verklaart dat het verbod op het accepteren van lasjon hara geleerd wordt van de pasoek: „Accepteer geen valse getuigenis.” De Risjoniem leggen uit dat in essentie het verbod tegen het accepteren van lasjon hara betekent dat we geen ongegronde laster moeten accepteren. Daar het zeer waarschijnlijk is dat de beschuldiging vals is, gebiedt Tora ons het te verwerpen. Echter, wanneer de beschuldiging gesteund wordt door duidelijke aanwijzingen, ook al is dat nog geen sluitend bewijs van de beschuldiging, dan is er geen verbod om het te accepteren (zie ook ibid. 6:1).

De Chafeets Chaïm (Beëer Majiem Chaïm 26) benadrukt echter wel dat wij niettemin uitermate voorzichtig moeten zijn om de kennelijke aanwijzingen zevenvoudig te onderzoeken, om er zeker van te zijn dat dit inderdaad dewariem nekariem zijn. De jetser hara misleidt ons maar al te makkelijk en legt ons bewijsmateriaal voor dat sluitend schijnt te zijn, ten einde ons in de val te laten lopen en de lasjon hara  te accepteren en hij vangt ons zo in het net van de zonde. Daarom moet men niet te haastig zijn om op niet definitieve aanwijzingen te vertrouwen.

De Chafeets Chaïm voegt daaraan toe dat zelfs wanneer de dewariem nikariem beslissend zijn en wanneer blijkt dat de beschuldiging onweerlegbaar waar is, de mitswa om ten gunste te oordelen, nog steeds blijft bestaan. Hoewel die persoon inderdaad verkeerd handelde, had hij misschien toch goede bedoelingen. Wanneer die mogelijkheid bestaat, is het verboden om te veronderstellen dat hij uit boze opzet gehandeld heeft.

Verder permitteert de inschikkelijkheid van dewariem nikariem ons alleen het verhaal te geloven. Het geeft ons geen toestemming het verhaal verder te vertellen, net zo min als het is toegestaan om een vernederend incident dat men zelf heeft waargenomen, verder te vertellen.

De Meïri concludeert zijn commentaar op onze soegia met de volgende woorden: „Lasjon hara is gebaseerd op een verwerpelijke karaktertrek. Het kan alles wat kostbaar is en wat is opgebouwd, vernietigen… Als David de lasjon hara niet geloofd had, was zijn koninkrijk niet verdeeld geworden, Israël zou geen afgoden gediend hebben en wij zouden nimmer verbannen zijn uit ons land.”

Daf 60a – Een man mag niet uitgaan                                                                                           ãó ñ/à – ìà éöà äàéù

Speciale schoenen ter ere van Sjabbat

Onze soegia vertelt over een Rabbijns decreet die het verbiedt om op Sjabbat schoenen met spijkers eronder te dragen. De binnenzool van deze schoenen waren aan de onderzool bevestigd met spijkers, waarvan de punten aan de onderkant van de zool uitstaken. Het verbod was ingesteld na aanleiding van een tragische gebeurtenis, die zich had voorgedaan in de tijd van de Romeinse bezetting van Erets Jisraël, toen het verboden was Tora te leren. Joden verzamelden zich clandestien in grotten, om daar Tora te leren, uit vrees voor de vijand. Tijdens een zo’n bijeenkomst vielen de Romeinse soldaten plotseling de grot aan, om de Joden te doden. De Joden renden voor hun leven en in de paniek werden velen onder de voet gelopen met deze spijkerzolen, waarbij meer mensen gedood werden dan er door de Romeinen gedood werden. Daar dit op Sjabbat plaatsvond, verboden de Geleerden dergelijke schoenen op Sjabbat te dragen. Maar zij verboden het niet om ze door de week te dragen.

Naar aanleiding van dit onderscheid geeft de Jeruzalemse Talmoed (Sjabbat 6:2) het volgende commentaar: „Het is niet de gewoonte van mensen om twee paar schoenen te hebben, een voor werkdagen en een voor Sjabbat.” De commentatoren verschillen van mening hoe men deze Jeroesjalmi moet interpreteren. Gebaseerd op diverse interpre­taties, komen zij tot interessante halachische conclusies, met betrekking tot de mitswa van het dragen van speciale schoenen lichwod Sjabbat, zoals we zullen zien.

Laten wij eerst de Poskiem citeren, die deze verplichting bediscussiëren, en daarna zullen wij terugkeren naar de Jeroesjalmi.

Worden schoenen als kleding beschouwd? Deze discussie begint met vast te stellen of de Tora schoenen als „malboesjiem – kleren” beschouwt. De Gemara (113a) zegt dat wij speciale kleren voor Sjabbat moeten dragen om Sjabbat te eren: „Je kleren voor Sjabbat mogen niet dezelfde zijn als je kleren voor de rest van de week.” Deze regel wordt in de halacha aangehaald (Rambam HiIchot Sjabbat 30:3; Toer en Sjoelchan Aroech 262:2): „Men moet moeite doen om speciale, mooiere kleren te verkrijgen voor Sjabbat Kodesj.” Wanneer schoenen thuishoren in de rubriek ‘kleding’, dan lijkt het erop dat zij zijn inbegrepen in deze mitswa.

„Wie mij heeft voorzien van alles wat ik nodig heb”: De Ben Iesj Chai (Rav Poaliem IV, O.Ch. 13) beslist dat schoenen geen kleren zijn. Als bewijs citeert hij de twee speciale berachot die wij ’s ochtends zeggen: malboesj aroemiem – Die de naakten kleedt, waarna wij zeggen sjè’asa li kol tsarchie – Die mij heeft voorzien van alles wat ik nodig heb. Deze tweede beracha slaat op schoenen. Hieraan zien wij dat malbiesj aroemiem geen schoenen inhoudt, omdat schoenen geen kleding zijn. Daarom bestaat er geen verplichting om speciale schoenen te dragen op Sjabbat.

Barrevoets is niet naakt: Bepaalde poskiem (Jakar Erech 85b) verwerpen dit bewijs, en beweren, dat ook al is een schoen een kledingstuk, het gemis aan schoenen iemand niet „naakt” maakt, maar alleen maar barrevoets. En daarom omvat de beracha malbiesj aroemiem niet ook schoenen en moet men de speciale beracha, sjè’asa li kol tsarchie, zeggen voor schoenen, om Hasjem ook daarvoor te bedanken.

Met dit in gedachten, keren we terug naar de Jeroesjalmi. De Korban Eda (commentaar op de Jeroesjalmie, ibid.) en de Ben Iesj Chai leggen de Gemara heel eenvoudig uit. „Het is niet de gewoonte van mensen om twee paar schoenen te hebben, een voor werkdagen en een voor Sjabbat.” De Jeroesjalmi bedoelt te zeggen dat aangezien mensen in het algemeen slechts één paar schoenen hebben, het verbod op schoenen met spijkers op Sjabbat hen ook zal weerhouden om deze schoenen op werkdagen te dragen. In ieder geval zien wij hieraan dat het niet nodig is om speciale schoenen voor Sjabbat te kopen.

Andere commentatoren (Pnei Mosjé op de Jeroesjalmi, ibid.) zetten een vraagteken achter de verklaring van de Jeroesjalmi en lezen die zin als een rethorische vraag: „Is het niet de gewoonte van de mensen om twee paar schoenen te hebben, een voor werkdagen en een voor Sjabbat?” De Jeroesjalmi bedoelt te vragen waarom de Geleerden dit verbod alleen voor Sjabbat hebben ingesteld. Daar mensen in het algemeen een tweede paar voor door de week hebben, hadden de Geleerden deze schoenen ook voor werkdagen moeten verbieden. Volgens deze interpretatie was het dus wel de gewoonte om speciale schoenen voor Sjabbat te dragen.

Rav Betzalel Shafran zt”l haalt in zijn brief aan Rabbijn Jisraël van Bahush zt”l een bewijs aan ter ondersteuning van de Korban Eda uit een andere Gemara (Ketoebot 64b), en beslist daarom dat men geen speciale schoenen voor Sjabbat hoeft te hebben (Tesjoewot Ravaz, O.Ch. 12).

Deze discussie heeft ook gevolgen voor hilchot tsedaka. Wanneer iemand belooft een behoeftige te kleden, moet hij dan ook voor schoenen zorgen? (Zie Sjewoet Ja’akov I, 24; Sja’ar Efraïem 124).

Een speciale kipa voor het slapen op Sjabbat:  De Chia (Chesed LeAwraham 3, genoemd in de Kaf HaChaïm 262:25) zegt dat het een vrome gewoonte is om al zijn kleren voor Sjabbat te verwisselen, met inbegrip van schoenen, zelfs de kipa die wij dragen als we slapen. Het is ook bekend dat de Gaon van Wilna al zijn kleren verwisselde, van hoofd tot voet, ter ere van Sjabbat (Ma’asè Rav 147).