Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 Rosj Chodesj Tamoez 5765

Traktaat Sjabbat 61-67 Nr. 96

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 318 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 61a: Sjabbat is niet de tijd voor tefillien                                                                             ãó ñà/à: ùáú ìàå æîï úôéìéï

Tefillien op Sjabbat

De Gemara brengt een machloket  over de vraag of Sjabbat een tijd is om tefillien te dragen. Zoals wij allemaal weten is de algemeen geaccepteerde gewoonte om geen tefillien op Sjabbat te dragen. Het is echter niet duidelijk of het alleen maar niet nodig is om op Sjabbat tefillien te dragen, of dat het werkelijk verboden is dat te doen.

Elders noemt de Gemara twee verklaringen waarom men op Sjabbat geen tefillien draagt (Eroewien 96a; Menachot 36b). Eén verklaring is van de passoek: „Zij zullen voor jou zijn als een teken op je arm” (Sjemot 13:9). De Gemara legt uit dat tefillien gedragen moeten worden op werkdagen, maar Sjabbat is zelf een teken en daarvoor worden tefillien niet gedragen op Sjabbat. (De Maharsja zegt dat volgens iedereen dit de primaire verklaring is. Zie Aroech Hasjoelchan 30:3). De Risjoniem (Smag, geboden 3; Rabbeinoe Bachia, Parasja Lech Lecha) voegen hieraan toe dat op werkdagen wij twee tekens hebben die „getuigen” dat wij dienaren van Hasjem zijn: brit mila, het teken van het verbond dat Hasjem met ons gemaakt heeft, en de tefillien, het teken van onze dienstbaarheid aan Hasjem. Sjabbat is ook een teken van de eenheid van Hasjem en het Joodse volk, zoals de passoek zegt: „Het is een teken tussen Mij en jou” (Sjemot 31:13). Daarom is er geen noodzaak voor tefillien op Sjabbat.

Moet een onbesneden Jood tefillien leggen op Sjabbat? De Troemat HaDesjen (Tesjoewot II:108, geciteerd in de Birkei Joseef 31) vraagt in overeenstemming hiermee of een onbesneden Jood tefillien moet dragen op Sjabbat. De Halacha zegt dat wanneer twee broers overlijden ten gevolge van een brit mila, wat G-d verhoede, dan is het verboden de derde te besnijden. Op een normale werkdag heeft zo iemand slechts één „getuigenis”, namelijk de tefillien. Sjabbat is voor hem de enige gelegenheid om ook twee „getuigenissen” te hebben: Sjabbat en tefillien.

De Troemat HaDesjen verwerpt deze redenering en legt uit dat de Smag deze metafoor van twee getuigenissen maakte als aggada. Hij had nimmer de bedoeling dat dit de basis zou zijn voor halachische conclusies. Daarom is ook een onbesneden Jood vrijgesteld van tefillien op Sjabbat.

De Radvaz (Tesjoewot (2334) voegt daaraan toe dat zelfs volgens de metafoor van de twee getuigenissen een onbesneden Jood op Sjabbat is vrijgesteld van tefillien. De Gemara (Nedariem 31b) zegt dat als iemand een neder (eed) gemaakt heeft dat de onbesnedenen niet van zijn bezittingen mogen profiteren, dan mag hij daar geen niet-Jood van laten gebruik maken, maar wel een onbesneden Jood. Dezelfde mitswa om een brit mila te doen is een teken van het verbond tussen Hasjem en het Joodse volk, ook als men niet in staat is om de besnijdenis te doen. Het is interessant dat de Rokeach (30, aangehaald in de Aroech Hasjoelchan) verklaart dat brit mila alleen een onvoldoende teken is, want het getuigt alleen van het verbond dat Hasjem met ons gesloten heeft. Tefillien getuigen ook van de jetsiat Mitsraïm [Uittocht uit Egypte], net als Sjabbat. Daarom kan het teken van Sjabbat de plaats van de tefillien innemen.

Hiermee keren wij terug naar het verbod op het dragen van tefillien op Sjabbat.

De beslissing van de Sjoelchan Aroech is gebaseerd op de Zohar: De Sjoelcha Aroech (O.Ch. 31:1) beslist heel dui­de­lijk dat het op Sjabbat verboden is om tefillien te dragen. „Sjabbat is zelf een teken,” verklaart hij. „Door nog een ander teken te dragen, kleineert men het teken van Sjabbat.” De Gaon van Wilna wijst erop dat hiervoor geen bron bestaat in de Rambam of de Toer. De Sjoelchan Aroech haalt zijn conclusie daarentegen uit de Midrasj Ne’elam, het commentaar van de Zohar op Sjier Hasjiriem, hetwelk uitgebreid in de Beit Joseef geciteerd wordt. Het is interessant om op te merken dat dit een van halachot is, die de Sjoelchan Aroech baseert op de Zohar en niet op de Sjas.

Het dragen van tefillien op Sjabbat is een overtreding van bal tosief: Volgens de Sjoelchan Aroech is het dragen van tefillien op Sjabbat niet een verbod van Tora (zie Aroech Hasjoelchan; Lewoesj, ibid.). Echter, de Mageen Awraham voegt er in naam van de Rasjba aan toe dat het dragen van tefilien op Sjabbat een overtreding is van het verbod op bal tosief, het verbod om iets aan de mitswot toe te voegen. Hij zegt dat dit alleen geldt als iemand tefillien draagt met de bedoeling om de mitswa te doen. Maar wanneer hij ze omdoet zonder deze bedoeling, is hij vrijgesteld van de Rasjba’s bal tosief (zie Eroewien 96a). Hij is ook vrijgesteld van de de reden die de Sjoelchan Aroech noemt: de kleinering van het teken van Sjabbat, want het is niet zijn bedoeling om de tefillien als teken te dragen. Niettemin beslist de Misjna Beroera (31:5) dat het dragen van tefillien in het openbaar  op Sjabbat, zelfs zonder de bedoeling om de mitswa te doen, een issoer derabbanan wegens marit ha’ajin (iets doen dat lijkt alsof het verboden is).

We concluderen met een pertinente halachische consekwentie van onze discussie:

Zijn tefillien moektse? De Acheroniem discussiëren over de vraag of tefillien moektse zijn, want het is verboden om ze op Sjabbat te dragen (zie O.Ch. 308:4). De Bioer Halacha schrijft dat aangezien het is toegestaan om tefillien te dragen zon­der de bedoeling daarbij om de mitswa te vervullen, men ze niet als een klie sjmelachto le-issoer (een voorwerp waar­van het gebruik verboden is) kan beschouwen en daarom zijn ze niet moektse. In geval van nood mag men zich op deze re­denering verlaten. [Bij het in overweging nemen van deze beslissing, komt de vraag op of, hoewel er een toegestaan ge­bruik van de tefillien mogelijk is, het primair gebruik toch zeker verboden is, dat wil zeggen ze te leggen met de bedoe­ling om de mitswa te doen. Het primair verboden gebruik zou de tefillien als klie sjmelachto le-issoer  moeten beschou­wen].

ãó ñà/à: åëùäåà çåìõ çåìõ ùì ùîàì

Daf 61a: En wanneer hij zijn schoenen uitdoet, doet hij eerst de linker uit             

Hoe doet men zijn schoenen uit?

De Gemara geeft hier een halacha, die ogenschijnlijk zo duidelijk en ongecom­pliceerd is als wat dan ook: „Wanneer men zijn schoenen uit doet, doet men eerst de linker schoen uit en dan de rechter.” Maar zelfs deze halacha is het onderwerp van discussie van de poskiem, die trachten deze halacha in al zijn bijzonderheden te definiëren.

Voordat wij deze discussies beginnen te onderzoeken, zullen wij eerst nader ingaan op het antwoord dat HaGaon Rav Sjlomo Zalman Auerbach zt”l gaf aan iemand die een nadere verklaring vroeg van de uitspraak van chazal: „Hasjem wilde Israël verdiensten geven en daarom gaf Hij hen een overvloed aan Tora en mitswot.” Rav Sjlomo Zalman Auerbach legde uit dat de bedoeling van chazal is dat ook eenvoudige handelingen, wanneer zij met de juiste intentie gedaan worden, als mitswot worden aangerekend en meetellen als verdienste van Israël. Bijvoorbeeld: ieder mens moet dagelijks aan het eind van de dag zijn schoenen uitdoen. De halacha bepaalt hoe men dat moet doen en zo kan men verdienste krijgen zonder extra moeite of inspanning (Hilchot Sjlomo II, p. 75). Hiermee kunnen we terugkeren naar de halachische discussie.

Welke schoen moet men eerst uittrekken? De Gemara vertelt ons dat wanneer wij onze schoenen aantrekken, wij eerst de rechterschoen aantrekken (zonder de veters dicht te maken), dan de linkerschoen aantrekken, dan de veters van de linker schoen dichtstrikken en pas dan de veters van de rechterschoen dichtknopen. Dan gaat de gemara verder en zegt dat wij bij het uitdoen van de schoenen andersom te werk moeten gaan, eerst de linkerschoen uit en dan de rechterschoen uit. Maar de Gemara zegt niets over het losmaken van de veters bij het uitdoen van de schoenen. Moeten wij bij het uitdoen van de schoenen eerst de veters van de rechterschoen losmaken, dan die van de linkerschoen, vervolgens de linker schoen uitdoen en ten slotte de rehterschoen uitdoen? Dat is inderdaad de mening van de Maharlach (Hagahot HaToer 2), van de Sjoelchan Sjlomo (ib.) en Pitchei Olam (ib. n. 6 en zie ook Mekor Chaïm ib. n. 2).

Anderen echter (Beit Baroech I, appendix op klal 1, n.39; Tesjoewot Az Nidberoe II, 25:3) beweren dat nu de vroege Geleerden geen bijzonderheden hierover gegeven hebben, dit kennelijk niet waar is, maar men maakt de veters van de linkerschoen eerst los, doet die schoen uit en gaat daarna naar de rechterschoen. Zij menen, dat, hoewel bij het aandoen van de schoenen men eerst de linker veters moet dichtbinden omdat men de arm-tefillien op de linkerarm bindt, het losmaken van de veters geen zelfstandige betekenis heeft maar onderdeel van de handeling van het uitdoen van de schoenen is. Daarom hoeft men geen speciale eerbied te tonen voor de linkerschoen door de veters daarvan pas op het laatst los te maken.

Hebben overige kleren dezelfde din als schoenen?

De poskiem discussiëren nog verder over deze halacha van de volgorde van het aantrekken van schoenen. Rasji zegt in zijn commentaar, dat men wegens de eer aan rechts eerst de linkerkant uittrekt. Wegens deze reden geldt deze din ook voor de overige kleren, waarvan men ook de linkerkant eerst moet uittrekken [dus men moet dan eerst de linker mouw van een jas enz. uittrekken, zodat de rechter arm enz. het langst gekleed is].

Echter de Rabbaniem van Beit Midrasj Meorot HaDaf wijzen erop dat de Meïri verklaart dat de reden dat men de linkerschoen eerst uitdoet, is wegens de eer die men wil bewijzen aan de rechtervoet, opdat die niet bloot zal zijn [het lopen op blote voeten is traditioneel een teken van vernedering of armoede of rouw, daarom laten we de rechtervoet zo lang mogelijk geschoeid]. Uit zijn woorden kan men opmaken dat ook bij het uittrekken van een kledingstuk, waarvan het uitdoen iets vernederends heeft, men zo moet handelen maar bij het uittrekken van een jas, waarna men nog netjes gekleed blijft in zijn overige kleren, hoeft men niet zo precies te zijn.

Het uitdoen van schoenen erev Jom Kippoer: In zijn commentaar op de Joodse kalender schrijft HaGaon Rav Jechiël Michal Tukitsinski (in naam van HaGaon Rav Awraham Jitschak Kook) dat wanneer men zijn schoenen uitdoet voor Jom Kippoer, men eerst de rechterschoen uitdoet, omdat men daarmee een mitswa doet ter ere van deze heilige dag, waarop het verboden is leren schoenen te dragen, en als men een mitswa doet, heeft rechts voorrang (Hilchot Sjlomo, ib. n. 70).

Echter, sommigen zijn het daar niet mee eens (Responsa Dwar Jehosjoea III:75), omdat dit niet genoemd wordt door chazal. En bovendien is het uittrekken van de schoenen op zich geen mitswa, het is alleen maar een verbod om leren schoeisel te dragen op Jom Kippoer.

Daf 63a: Een man mag niet met een zwaard uitgaan ãó ñâ/à ìà éöà äàéù ìà áñééó

Het dragen van een decoratief zwaard op Sjabbat

Volgens de voorschriften van het Zwitserse leger moeten alle soldaten hun volle­dige  militaire uniform dragen, ook wanneer zij tijdens verlof naar huis gaan. Daar er bij dat uniform ook een zwaard hoorde, dat aan hun riem hing, benaderden de Joodse soldaten de Chelkat Ja’akov, Rav van Zürich, om hem te vragen of zij hun zwaarden op Sjabbat over straat mochten dragen, in plaatsen waar er geen eroev was.

De Chelkat Ja’akov (Tesjoewot 67) begint zijn responsum met het aanhalen van onze Misjna: „Een man gaat niet met een zwaard of boog uit… en als hij dat toch doet is hij een chataat schuldig. Rabbi Eliëzer staat het hen toe dat te dragen, want ze zijn als versiering. De Geleerden zeggen dat het alleen maar iets bescha­mends is, zoals de passoek zegt: „Het ene volk zal geen zwaard meer op­heffen tegen een ander volk, zij zullen niet meer leren oorlog te voeren.” De mening van de Chachamiem is als halacha geaccepteerd in de Sjoelchan Aroech (O.Ch. 301:7).

Hieruit lijkt men te kunnen concluderen dat het de Zwitserse soldaten verboden is om met hun zwaard over straat te gaan op Sjabbat. Maar de Chelkat Ja’akov schrijft dat dit betekent dat zij dan de hele Sjabbat thuis moeten blijven en niet in sjoel kunnen dawwenen en geen Tora kunnen horen lezen. Daarom moet men niet te haastig zijn met een dergelijk streng oordeel. Wanneer er een acceptabele reden is om soepel te kunnen zijn, moet die gevonden worden en worden toege­past.

Het gebruik van een wandelstok om een bevroren rivier over te steken: De Chelkat Ja’akov  haalt de Taz (301:12) aan, die het toestaat om een wandelstok te dragen om een bevroren rivier over te steken op Sjabbat. De Taz legt uit dat aangezien het gevaarlijk is om zonder stok een bevroren rivier over te steken, de stok vergelijkbaar wordt als iemands schoen en dat het daarom is toegestaan. Het is ook gevaarlijk voor soldaten om zonder zwaard gezien te worden, want dan kunnen zij gepakt en gestraft worden. De zwaarden worden daarom als een kledingstuk. Voorts is het zelfs nog meer redelijk om de zwaarden te vergelijken met kleding, daar zij vastzitten aan de riemen van de soldaten.

De Chelkat Ja’akov verwerpt vervolgens deze redenering. Een stok is voor iemand een hulpmiddel bij het lopen, daarom is het te vergelijken als een hulpmiddel voor de voet. Dat geldt niet voor een zwaard. Het feit dat de soldaten verplicht zijn om een zwaard te dragen, maakt de zwaarden niet een deel van hun kleding.

De Chelkat Ja’akov stelt dan een andere mogelijke soepelheid voor. Rabbi Eliëzer en de Geleerden verschillen van mening over de vraag of een zwaard een sieraad is. Misschien verwerpen de Chachamiem deze idee alleen maar voor een zwaard dat gedragen wordt als een wapen. Dan is het een schande en geen sieraad. Maar het zwaard dat de Zwitserse soldaten dragen is niet hun wapen, maar alleen maar een decoratief onderdeel van het uniform. Daarom zouden de Chachamiem het misschien eens zijn met Rabbi Eliëzer, dat zulke zwaarden als decoratie gedragen mogen worden op Sjabbat.

Tot slot brengt de Chelkat Ja’akov het meest overtuigende argument van alles. Vorige week hebben wij geleerd dat een slaaf uit mag gaan met een kleitablet met een zegel erop, dat hem identificeert als het eigendom van zijn meester (58a). Hoewel het zegel niet echt een kledingstuk is, want hij moet het altijd dragen als symbool van zijn dienstbaarheid, wordt het toch als een deel van zijn kleding beschouwd. Het­zelfde geldt voor de zwaarden van de Zwitserse soldaten, die een symbool zijn voor hun verbondenheid met het Zwitserse leger.

Men zou kunnen denken dat men onderscheid mag maken tussen beide gevallen. Een slaaf is het materiële eigendom van zijn meester. Daarom wordt het symbool van zijn dienstbaarheid, dat zijn meester van hem verlangt te dragen, een onderdeel van zijn kleding. Maar soldaten zijn niet het eigendom van het leger. Hoewel hun meerderen van hen kunnen eisen dat zij de zwaarden moeten dragen, maakt dat de zwaarden nog niet automatisch tot een onderdeel van hun kleding. Echter een van de vroegste poskiem, de Or Zaroea (II, 84:3) heeft reeds vele generaties terug een precedent geschapen toen hij het toestond dat Joden „groene cirkels” mochten dragen die hen als Jood identificeerden, zoals de burgelijke overheid toen eiste. Hij citeerde het geval van een slaaf met zijn kleitablet als bewijs voor deze regeling. Wij zien hieraan dat hij dat onderscheid niet maakte. Net zoals hij het geval met de klei-zegels toepaste op het dragen van de groene circels op Sjabbat, zo mogen wij het toepassen om het dragen van de decoratieve zwaarden, zoals het leger eist, toe te staan. De beslissing van de Or Zaroea is de geac­cep­teerde halacha in de Sjoelchan Aroech (301:223).

Identificatieplaatjes: Tegenwoordig eisen vele legers dat de soldaten een metalen identificatieplaatje dragen, in geval dat zij sneuvelen, G-d verhoede. Aan de poskiem werd gevraag of men zulke plaatjes mag dragen op Sjabbat op plaatsen waar geen eroev is. Zij antwoordden dat aangezien het leger strikt eist dat de soldaten deze plaatjes altijd dragen, zij kunnen beschouwd worden als een deel van hun kleding, zoals de kleizegels en de Zwitserse zwaarden (zie Sjemirat Sjabbat Kehilchata 18:22 in naam van Rav Sjlomo Zalman Auerbach zt”l. Zie ook Sjoelchan Sjlomo 301:4 en voetnoot).

Daf 66b: Alle bezweringsformules met de naam van de moeder ãó ñå/á ëì îééðé áùîà ãàéîà

Zegent men iemand met zijn vaders naam of met zijn moeders naam?

In een discussie over een groot gevariëerd aantal bovennatuurlijke geneeswijzen, zegt de Gemara dat formules die gezegd worden voor iemands genezing, de naam van de zieke en diens moeder genoemd moeten worden (zie Gittien 69b, Awoda Zara 12b). De Zohar (parasjat Lech Lecha 64) leert het belang van het noemen van de naam van de moeder in onze gebeden, uit  de passoek: „Redt de zoon van Uw dienstmaagd” (Tehilliem 86:16). Sommigen veronderstellen dat de naam van de moeder gebruikt wordt, in plaats van die van de vader, omdat het altijd absoluut zeker is wie de moeder is van een kind, maar het is niet altijd duidelijk wie zijn vader is (zie Maharsjal hier; Prie Chadasj en Sja’arei Tesjoewam, begin van Sjoelchan Aroech 119).

De psoekiem van Tora schijnen deze gewoonte ook te steunen. Jitschak Awinoe zegende Ja’akov: „De zonen van je moeder zullen voor je buigen” (Bereisjiet27:29). Jitschak zegend hem, en noemde daarbij zijn moeder, niet zijn vader. Toen Ja’akov op zijn beurt Jehoeda zegende, zei hij: „De zonen van de vader zullen voor je buigen.” Maar dat was alleen omdat Ja’akov zonen van vele vrouwen had, en hij wilde dat zij allen ondergeschikt zouden zijnaanJehoeda. Daarom noemde hij hen allen als de zonen van zijn vader.

De verdienste van een moeder is groter: De Ben Jehoyada schrijft dat aangezien vrouwen minder mitswot hebben dan mannen, hebben zij ook minder kans om ze te overtreden. Voorts kan hen geen laksheid in Tora-studie verweten worden, want het is niet opgedragen zich met Tora bezig te houden. Daarom bidden wij voor mensen in naam van hun moeders, om de Aanklager minder gelegenheid te geven om onze gebeden uit te dagen.

Dit alles geldt voor gebeden voor de levenden. Zoals bekend is het de Asjkenazische gewoonte om voor overlede­nen te dawwenen en daarbij de naam van hun vader te gebruiken. Deze gewoonte is gebaseerd op het Sefer Chas­sidiem (242), en dat wordt ook genoemd door de Hafla’a in zijn werk Pniem Jafot (parasjat Beha’alotecha).

Van de redactie

De Daf HaJomi

De volgende brief die de redactie ontving, spreekt voor zichzelf over het belang van de Daf HaJomi en de studie van Tora.

B., een deelnemer aan een sjioer in de Geoela Synagoge in Ramat Hasjaron, is opgewonden deze dagen. Je kunt niet onverschillig blijven in zijn aanwezigheid. Op een dag kwam hij de synagoge binnen en zei: „Als de sjioer alleen hiervoor was opgezet, was het al genoeg geweest!”

„Wat is er gebeurd?” vroegen de anderen en de magied sjioer Rav Jisrael Daskal.

B. verrasde hen. „Dankzij de sjioer ben ik gered van de overtreding van een verbod van Tora! Iedere Sjabbat ben ik gewend om djach­noen [een Temanitisch Sjabbes-gerecht] op de electrische plaat te zetten voor de ochtend-maaltijd. Vrijdag­avond, na de maal­tijd zette ik dan de pan met de ongebakken djachnoen op de plaat en de vol­gende ochtend heeft het dan een heerlijke geur. Maar mijn vrouw en ik hadden er geen idee van dat dit verboden is om zo te doen. We wisten het niet. Deze Sjabbat, na­dat wij deze week in de sjioer ge­leerd hebben dat er zoiets bestaat als een klie risjon en een klie sje­nie, vochtig en droog voedsel en nadat de feiten nog eens in Meorot HaHa­la­cha uiteen­gezet werden, heb ik begrepen dat de djachnoen die ik gewend was te bereiden voor Sjabbat mij een overtreding ver­oorzaakte van het verbod om te koken op Sjabbat. Wie kan dat ge­loven? Ik kook djachnoen op Sjabbat?!  Ik heb het een en ander aan mijn vrouw uitgelegd, en wij hebben onze ge­woonte veranderd.”

Tot tranen bewogen stond B. daar en zei: „Ik ben van een Tora-verbod gered! Dankzij deze sjioer. Als alleen daarom de sjioer was vastgesteld, zou het al voldoende geweest zijn!”

De deelname aan de vreugde van B en de opwinding die ook de an­deren aangreep, bevestigde zijn uitspraak, daar iedereen aanvoel­de dat het leren van de halachot hun leven veranderd had en dat zij ook nieuwe gewoonten hadden aange­nomen. Van nu af aan zal de djachnoen van B. een nieuwe smaak heb­ben: de smaak van Sjabbat.

Een andere brief aan de redactie van Meorot HaDaf

Erev Rosj Chodesj Siwan 5765

Ten eerste wil ik u oprecht danken voor uw speciale publicatie. Met uw toestemming wil ik u een verhaal aan­bieden waarvan men een les kan leren. Het is mij overkomen.

De opname afdeling van het Hadassa Ziekenhuis Ein Kerem in Jeruzalem zoemde van de drukte van artsen en verpleegsters die heen en weer renden tussen de patiënten, bezoekers en technici.

Het bed waarin ik lag leek een marginaal object vergeleken met de massa instrumenten rondom mij. Mijn lichaam was verbonden met electroden, transfusie en en iedere andere mogelijke draden en buizen die mijn hartfunctie konden weer­geven. Achttien mensen lagen op de opnameafdeling, van wie er vier godsdienstig waren. We waren allen klaar om de nacht in het zie­kenhuis door te brengen. Ieder van ons, overeenkomstig zijn conditie, dacht dat zijn conditie vereiste dat hij de nacht in het ziekenhuis zou moeten door­brengen en wij waren er klaar voor. De ziekenhuis kleren lagen al klaar.

Om 18.00 uur kwam de zoon van een van de patienten met een Gemara en begon, zonder dralen de Daf HaJomi van „Bamè Madli­kien” met zijn vader te leren. De Daf HaJomi maakt voor geen enkele dag uitzondering, zelfs niet in het ziekenhuis. De „magied sjioer”, een man van middelbare leeftijd, begon de Gemara aan zijn vader uit te leggen op een duidelijke en ple­zierige manier en wij allen luister­den toegewijd mee. Hij sprak vlot en fascineerde ons allemaal met zijn verklaringen en niet alleen ons. De hele afdeling werd stil. Iedereen luisterde naar de sjioer. Het leek of zelfs de telefoons de situatie eer­biedigden en stopten te rinkelen. De zoon ging verder met zijn sjioer en merkte misschien niet eens dat hij een aandachtig gehoor achter de gordijnen had. Na een paar minuten durfde een van ons mee te doen aan de les. Hij stelde een vraag die werd opgelost en er werd geargu­menteerd. Al spoedig waren wij allemaal vergeten waarvoor wij daar eigenlijk waren.

Tegen het eind van de sjioer kwam de dokter de vader bezoeken en we hoorden hem zeggen: „U bent ont­slagen. Neem contact op met uw huisarts en dan zien wij wel verder.”

De zoon maakte de „daf” af. De sjioer eindigde. We hadden een „daf” geleerd. Het levendige „gezonde” leren ontsloeg ons allen. Ik zag hoe de vader van de „magied sjioer” zijn hoed opzette en vertrok. Even later hoorde ik de ver­pleegster tegen een andere patiënt zeggen: „U kunt naar huis gaan. Ga door met de medicij­nen. Er is eigenlijk geen reden om u nog langer hier te houden.”

Ik keek eens naar mijn eigen lichaam met alle slangetjes en draden en dacht: „Ik wou dat ze tegen mij het­zelfde zouden zeggen.”

„Zuster, neem me niet kwalijk, hoe zit dat met mij? Is er nog kans dat ik vandaag ontslagen wordt?”

„Misschien, we zullen zien.”

Na een half uur: „Oké, u kunt gaan.”

De vierde persoon bleek al stilletjes te zijn vertrokken. Wie had hem zo in stilte verteld dat hij mocht gaan? Nadat ik ontslagen was, daalde er een vreemde stilte over de afdeling. De Daf HaJomi had de mensen thuis gebracht en niet alleen ons, de actieve deelnemers, maar ook een aantal van de andere toe­hoor­ders.

Gelukkig het volk met zo’n lot.

G.J. Jeruzalem.

* * * * * * * * * * * *

ãó ñâ/à ìéîø àéðéù, åäãø ìéñáø

Eerst leren en pas dan redeneren

Rav Kahana zei: „Toen wij 18 jaar waren, hadden wij de hele Talmoed geleerd, maar wij wisten niet dat een vers zijn eenvoudige betekenis behoudt, tot nu toe. Wat leer dat ons? Dat iemand eerst moet leren en pas er daarna over redeneren.”

Chazal heeft ons geleerd dat men eerst de woorden van zijn leraar moet herhalen en pas daarna de diepere betekenis ervan moet pro­beren te begrijpen.

Een sioem van de Sjas met 16 jaar

De Chafeets Chaim zt”l vertelde: In mijn jeugd hoorde ik over een buitengewone jongen die de hele Sjas geëindigd had op de leeftijd van 15 jaar. Huwelijksmakelaars kozen hem uit en in een korte tijd was hij verloofd. Niet lang daarna werd de verloving verbroken, toen bleek dat hij de Sjas pas geëindigd had toen hij 16 werd en dat was niet zo bijzonder (in die tijd!).

De mens is geschapen uit de aarde: De Mekor HaChesed schrijft in het commentaar op Sefer Chassidiem (ib.) een interssante verklaring voor deze gewoonte. De Gemara zegt dat iemands vlees en bloed afkomstig zijn van zijn moeder en zijn botten van zijn vader (Nidda 31a). Zolang als iemand leeft, zijn zijn vlees en botten intact, en dan bidden we voor hem in naam van zijn moeder. Nadat hij is overleden, ontbindt zijn lichaam en al wat er overblijft zijn de botten die hij van zijn vader gekregen heeft. Daarom bidden wij voor hem in zijn vaders naam.