Hearot
HaDaf HaJomi
Een
wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave
van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail:
[email protected]
|
10 Adar II, 5763 |
Traktaat Sjewoeot 44 - 49 |
|
Nr.
|
De soegia die wij nu leren, gaat
over vorderingen, die in een beit din geëist worden. Voordat wij dat
leren, moeten wij eerst begrijpen wat de betekenis is van één van de meest
fundamentele begrippen bij financiële zaken, de miĝo – „aangezien, daar,
omdat” in het Aramees. Wanneer een rechtspartij een niet overtuigende bewering
doet in zijn eigen voordeel, wordt hij niet geloofd. Maar wanneer het beit
din zich realiseert dat hij iets ander met meer overtuiging had kunnen
beweren, dan wordt hij geloofd miĝo – aangezien hij de meer overtuigende
bewering had kunnen aanvoeren. Met andere woorden, wij hebben een solide bewijs
dat hij de waarheid vertelt, want als hij een leugenaar was, zou hij een
sterkere, meer geloofwaardige leugen hebben verteld. Een miĝo is dus een
ondersteuning van een overigens twijfelachtige bewering van een rechtspartij.
Wij zullen hier twee schijnbaar identieke gevallen bespreken, maar op slechts
één daarvan is een miĝo van toepassing. We zullen de verschillen tussen
de twee onderzoeken en zodoende meer vertrouwd raken met de verborgen aspecten
van de miĝo.
Iemand is verplicht te zweren:
Reoeween wordt gevraagd een
lening terug te betalen die hem gegeven is zonder schriftelijke
schuldbekentenis. Wanneer hij beweert dat het bedrag van de lening kleiner was,
dan dat wat de schuldeiser eist, zodat hij dus een deel van de lening erkent
schuldig te zijn, dan moet hij zweren dat hij eerlijk de waarheid
zegt [want het feit dat hij een
deel van de vordering toegeeft, is een bewijs dat er een grond van waarheid zit
in de vordering van de schuldeiser]. Maar wanneer hij de
hele lening ontkent, dat wil zeggen, hij beweert dat hij in het geheel niets
schuldig is, dan laat het beit din hem niet zweren, want de eiser heeft
zijn vordering niet bewezen [maar
hij moet wel een heseet-eed zweren als een rabbijnse verordening].
Iemand die een voorwerp moet teruggeven:
Sjim’on moet een dier
teruggeven [dat hij geleend, gehuurd of bewaakt heeft]. Wanneer hij beweert dat
hij het als onderpand aangenomen heeft wegens de grote schade die het had
aangericht, dan moet hij het onmiddellijk teruggeven, tenzij hij bewijst dat er
inderdaad zoveel schade was. Maar wanneer hij beweert dat hij het dier van de
eiser gekocht heeft, dan wordt hij geloofd als een moechzak
[bezitter] en
men veronderstelt dat hij geen dief is
[zie Bawa Batra 36a, geval van de
geiten, waar eigendom van een dier verondersteld wordt [chazaka].
Een korte blik op beide gevallen vertelt
ons dat zowel Reoeween, die een deel van een eis toegeeft en moet zweren, als
Sjim’on, die beweert dat het in beslag genomen dier als onderpand dient wegens
de schade die hij heeft ondervonden, kunnen profiteren van een miĝo.
Tenslotte, wanneer Reoeween zou liegen, waarom ontkent hij dan niet de hele
lening? En als Sjim’on een leugenaar is, waarom zegt hij dan niet dat hij het
dier gekocht heeft? Wij zouden daarom Reoeween moeten vrijstellen van het maken
van een eed en Sjim’on van het teruggeven van het dier.
Echter, onze soegia legt uit dat
deze miĝo aan Reoeween geen geloofwaardigheid kan geven en dat hij toch
moet zweren. Wanneer het beit din zeker zou zijn dat Reoeween niet de
hele lening ontkent uit eerlijkheid, dan zouden de dajaniem zijn
bewering, dat hij slechts een deel van de lening schuldig is, geloofd hebben.
Maar de Gemara zegt dat het mogelijk is dat hij liegt en dat de reden dat hij
niet de hele lening ontkent ligt in de veronderstelling dat „iemand zijn
geldschieter niet durft tegen te spreken”
[tenslotte heeft die geldschieter hem
geholpen met de lening]. Met andere woorden, gewoonlijk
kan iemand makkelijker een deel van een lening ontkennen dan de hele lening.
Samenvattend: ieder intelligent persoon zal
begrijpen, dat, wanneer het beit din weet dat iemand een zwakke
verdediging aanvoerd, om wegens een of andere reden een sterkere claim te
vermijden, de miĝo niet werkt. In het licht van hetgeen hiervoor gezegd
is, is de miĝo van Sjim’on ook een „miĝo uit gebrek aan durf”,
want het is makkelijker voor Sjim’on om te beweren dat hij schade heeft
geleden, iets dat de eigenaar van het dier moeilijk kan ontkennen, dan te
beweren dat hij het dier van de eiser gekocht heeft, wanneer beiden, de eiser en
Sjim’on weten dat dit niet waar is. Daarom, wanneer hij beweert dat hij zich het
dier heeft toegeëigend als dekking voor schade die hij geleden heeft, hoeven wij
niet met zekerheid aan te nemen dat hij de waarheid spreekt, want hij heeft niet
echt het betere argument dat hij het dier gekocht heeft. Wij kunnen hem ook als
een leugenaar beschouwen, maar dan een die alleen maar een „kleine” leugen durft
te vertellen.
In het licht van de sterke logica van de
voorafgaande redenering, zijn vele wenkbrouwen omhoog gegaan in batei midrasj
over de hele wereld over de regeling van de Sjach
[volgens vele Risjoniem,
Ch.M. eind 82, noot 6 en in Kitsoer Kelalei Miĝo, noot 20]
dat Reoeween niet aan de gedurfde miĝo mag worden toegevoegd,
terwijl Sjim’on wel de miĝo mag gebruiken en daarmee wordt
vrijgesteld om het dier terug te geven. Hierna volgt een van de voornaamste
verklaringen.
Wij moeten een duidelijk onderscheid maken
tussen hetgeen Reoeween moet bewijzen en wat Sjim’on moet bewijzen, daar
Reoeween moet zweren omdat het beit din beslist dat hij zijn eerlijkheid
moet bewijzen. Wanneer Reoeween een ander bewijs wil overleggen in plaats
van de eed, dan moet dat minstens zo betrouwbaar zijn als de eed. Daarom geldt,
dat als hij een sterk miĝo heeft, dat bewijst dat hij eerlijk is, dan is
hij vrijgesteld van de eed, maar als hij alleen maar een „miĝo uit gebrek
aan durf” heeft, houden wij daar geen rekening mee en moet hij zweren.
Aan de andere kant werd van Sjim’on nimmer
geëist te bewijzen dat het dier van hem is. Als bezitter wordt hij reeds
verondersteld de eigenaar te zijn en alles wat hij hoeft te doen is het beit
din ervan te ovetuigen hem van de eis, om het aan de originele eigenaar
terug te geven, te ontslaan. Daarom mag Sjim’on profiteren van de miĝo,
hoewelk het een zwak miĝo is. Zijn zwak argument dat hij het dier houdt
als onderpand wegens geleden schade, gecombineerd met de zwakke miĝo
overtuigt de rechters ervan dat zij hem niet kunnen dwingen het dier terug te
geven [Kehillat Ja’akov, Bawa Metsia, §3, e.a.]
[Uit: Meorot HaDaf HaYomi nr. 198]
Iemand die een mitswa doet, is vrijgesteld
van het doen van een andere mitswa
[Soeka 25a],
wanneer hij ze niet allebij tegelijk kan doen. Want waarom moet hij de ene
mitswa laten schieten om de andere te doen? Zelfs als de andere mitswa
belangrijker is, dan nog zegt Tora dat hij de eerste mitswa niet moet laten
lopen [Ritva en Ran,
ibid]. Met deze richtlijn refereren chazal aan
mitswot van Tora, maar er bestaat veel discussie tussen de poskiem over
de vraag hoe dat zit met handelingen die niet precies als mitswot kunnen worden
aangemerkt.
Een tefillien handelaar:
Rabbijn Awraham Avli HaLevi Gombiner, auteur van Maĝeen
Awraham, beslist [Sjoelchan
Aroech O.Ch. 38:8] dat als iemands voornaamste bedoeling
is om eraan te verdienen, hij niet beschouwd kan worden als dat hij een mitswa
doet. Bijvoorbeeld iemand die tefillien koopt om ze aan een ander door te
verkopen met winst, wordt niet beschouwd als dat hij zich met een mitswa bezig
houdt, maar wanneer hij dat doet met de voornaamste bedoeling om voor de ander
een mitswa te doen, dan wordt het wel beschouwd dat hij een mitswa doet.
De Chafeets Chajiem z”l
[Beioer Halacha 38:8]
beweert dat de Maĝeen Awraham het heeft over iemand die zich bezig houdt
met een handeling waarvan de definitie afhankelijk is van zijn bedoelingen: soms
kan het geteld worden als een mitswa, soms is het een gewone wereldlijke
handeling. Met andere woorden, iemand die tefillien koopt voor een ander
houdt zich niet met een absolute mitswa bezig; de definite daarvan hangt af van
zijn bedoelingen. Een sofeer daarentegen, wordt beschouwd als iemand die
hij zich met een mitswa bezighoudt, ondanks dat hij verwacht daarvoor betaald te
krijgen, want hij is actief bezig met het doen van een mitswa.
Niettemin vraagt de Chafeets Chajiem
over de Mageen Awraham, op grond van onze soegia, waar Rabbi Akiwa
zegt dat iemand die iets uitleent en daarvoor een onderpand neemt, beschouwd
wordt dat hij een mitswa doet, hoewel het onderpand dient om hem ervan te
verzekeren dat de schuldenaar hem zal terugbetalen. Schijnbaar is het in
bewaring nemen van een onderpand geen definitieve mitswa en volgens de Maĝeen
Awraham moet de geldschieter niet beschouwd worden als iemand die een mitswa
doet, want hij houdt het onderpand bij zich om de lening weer te kunnen innen en
in dat geval is zijn voornaamste bedoeling niet een mitswa te doen
[zie ibid, wat hij schrijft om de
meningen met elkaar in overeenstemming te brengen].
HaGaon Rav Moshe Sternbuch
[Tesjoewot Wehanhagot III:15]
legt uit, dat de beslissing van de Maĝeen Awraham, dat een bepaalde
handeling, die beschouwd kan worden als een wereldse handeling, alleen als een
mitswa beschouwd kan worden als die gedaan wordt met als voornaamste bedoeling
de mitswa te doen, geldig is. Daarom moet iemand die tefillien koopt
hoofdzakelijk de bedoeling hebben een mitswa te doen, maar degene die in onze
soegia genoemd wordt en geld uitleent, had de zuivere bedoeling om een
mitswa te doen. Leende hij soms het geld uit met de bedoeling dat hij het
onderpand zou kunnen gebruiken om de lening terug betaald te krijgen? Zijn
bedoeling was een mitswa te doen en iemand geld te lenen, en omstandigheden
noodzaakten hem om een ondepand te gebruiken om zijn geld terug te krijgen.
[Uit: Meorot HaDaf HaYomi nr. 198]
44b De meester zegt: hij doet een mitswa
Is iemand die een mitswa doet waarvan hij profiteert,
vrijgesteld van een andere mitswa?