|
Daf 54b: Stel tijden vast voor
Tora-studie
דף נד/ב:
עשה מועדים לתורה
Vaste
tijden voor Tora-studie
In de Daf
Jomi van afgelopen week vinden we een afdeling van aggadata,
gewijd aan het belang van Tora-studie. Tegen het eind van die afdeling
citeert de Gemara het advies van Rawa: „Stel tijden vast voor
Tora-studie.” Men zou hieruit licht kunnen veronderstellen dat hier
bedoeld wordt dat iemand voor zichzelf tijden moet vaststellen waarop
hij iedere dag Tora zal studeren. Rasji echter verklaart (s.v. asoe)
dat het tot de verantwoordelijkheid van de leraar behoort om voor zijn
leerlingen vaste tijden vast te stellen waarop zij bij hem zullen
komen om van hem te leren.
In een parallel soegia in traktaat Sjabbat (31a) vinden
we dat een van de eerste vragen die aan iemand gesteld worden bij zijn
uiteindelijke beoordeling, is: „Heb je vaste tijden gesteld voor
Tora-studie.” Daar verklaart Rasji dat men zich moet bezighouden met
een beroep; zonder levensonderhoud zou hij niet in staat zijn Tora te
studeren. Men moet ook vaste tijden vaststellen om Tora te leren, om
er zeker van te zijn dat niet zijn hele dag in beslag genomen wordt
met het achterna lopen van materiële behoeften. Hieraan zien wij, dat
het ieders persoonlijke verantwoordelijkheid is om voor zichzelf
tijden vast te stellen waarop hij Tora leert.
Idealiter zouden er
geen vaste tijden moeten zijn waarop men Tora leert: men zou de hele
dag moeten leren. Maar daar dit vaak onmogelijk is, moet men op zijn
minst vaste tijden vaststellen voor iedere dag om te leren. Van die
vast tijden moet men niet afwijken, zelfs al kan men op dat tijdstip
veel geld verdienen (Toer, O.Ch. 155). Het is niet voldoende
als iemand tijd vindt om Tora te leren wanneer de gelegenheid zich
voordoet. Hij moet die tijden van te voren vaststellen. Tora-studie
heeft de hoogste prioriteit. Daar komt bij dat men zijn Schepper
toont, dat men zich realiseert wat het ware doel van het leven is en
dat alle andere strevingen slechts middelen zijn om dit doel te
bereiken.
Daar
Tora-studie idealiter de hele dag in beslag zou moeten nemen, hoeft
men de birkot haTora maar eenmaal per dag te zeggen. Iedere
interuptie in de studie vormt geen onderbrekling voor de beracha,
omdat de verplichting om te leren voortduurt (zie Tosefot, Berachot
11). Verder wordt er geen beracha gezegd na het beëindigen van de
Tora-studie, zoals na het eten. Er bestaat niet zoiets dat men klaar
is met Tora-leren, men heeft nimmer zijn verplichting daartoe voldaan
(Beit Joseef O.Ch. 47).
Wandelen van Bnei Brak naar Tel Aviv op Sjabbat
Daf 55a
Zoals
wij weten heeft iedere stad een techoem Sjabbat, een gebied van
tweeduizend ammot rondom de buitengrens van een stad, waar
voorbij het verboden is om te lopen. Wanneer steden vierkant of
rechthoekig waren, met rechtlijnige grenzen, dan zou het makkelijk
zijn om de techoem vast te stellen. Echter, de meeste steden
hebben een onregelmatige vorm, met grenzen die zich op de ene plaats
ver van het stadscentrum verwijderen en op ander plaatsen daar
dichtbij blijven. De techoem wordt dan berekend op basis van
het principe riboe’a ha’ier – „het rechthoekig maken van de
stad.” De verst verwijderde punten van de stad in iedere richting
worden bepaald, en daar wordt een rechthoek of vierkant omheen
getrokken, met deze punten als de perimeter. De techoem wordt
dan gemeten vanaf deze rechthoek en niet vanaf de feitelijke
stadsgrenzen.
Deze procedure is een
algemene regel, waarop vele uitzonderingen zijn. Eén van deze
uitzonderingen wordt besproken in onze Gemara en betreft een geval van
een stad die in een boog gevormd is. Het is ook niet altijid duidelijk
hoe men de rechthoek om de stad moet trekken.
Behalve de problemen van
de gecompliceerde halachot met betrek-king tot
het meten van een techoem Sjabbat, is het vaak moeilijk om vast
te stellen wat de grenzen van de stad zijn. De stadsgrenzen zoals die
op stadskaarten staan aangegeven, zijn niet altijd van toepassing voor
ons halachisch begrip van een stad. Bijvoorbeeld, rondom een stad
liggen vaak industrieterreinen, die binnen de officiële stads-grenzen
horen. Maar de techoem Sjabbat wordt alleen van woonwijken
gemeten.
Groot Tel Aviv:
De principes van
riboe’a ha’ier zijn met name interessant met betrekking tot het
gebied van Groot Tel Aviv, waaronder ook de naburige stad Bnei Brak
valt. De Gemara zegt dat iedere stad omgeven is door een karpaf
van ruim 70 amma. Wanneer de beide karpafs, die twee
steden omringen, elkaar overlappen, worden die twee steden voor de
techoem Sjabbat als één stad beschouwd. Dat wil voor de praktijk
zeggen dat wanneer er minder dan 140 ammot tussen beide steden
is, dan is het toegestaan om van de ene stad naar de andere te lopen
en daar nog 2000 ammot voorbij.
De vraag is dan of de
zeventig ammot die elkaar overlappen, gemeten worden vanaf de
werkelijke stadsgrens of vanaf de riboe’a ha’ier. Het antwoord
op deze vraag is in feite afhankelijk van de nauwkeurige definitie van
een riboe’a ha’ier. Hebben onze
Geleerden de
halachi-sche grens
van een stad gedefiniëerd als een rechthoek rondom de uiterste punten
van een stad? In dat geval moet de zeventig
amma van |
Het
volgende is een brief die de redactie van Meorot HaDaf HaJomi ontving
van een van de lezers.
Aan het
begin van de huidige Daf HaJomi-cyclus begon een zeker Jood in Bayit
Wegan, een woonwijk in Jeroesjalajim, een plaatselijke Daf Jomi-sjioer
bij te wonen. Iedere dag bracht hij zijn eigen traktaat Berachot van
zijn Sjas mee. Zoals vele anderen voelde hij zich gehecht aan zijn
eigen seforiem, en prefe-reerde
hij die te gebruiken, boven de Gemarot die in de sjoel be-schikbaar
waren. Toen zij het einde van Berachot naderden en het begin van
Sjabbat, werd hij er pijnlijk aan herinnerd dat hij Mesechet Sjabbat
zestien jaar geleden had laten lig-gen
in een taxi en dat die nu man-keerde
aan zijn Sjas. Zijn vele po-gingen
om de taxichauffeur op te sporen waren vruchteloos geweest en hij
had al lang geleden de hoop op gegeven die gemara terug te krijgen.
Toen,
op de vijfentwintigste Nisan,
de dag voordat Daf Jomi Sjabbat zou beginnen, kreeg hij een tele-foontje
van iemand die zijn Gemara zojuist gevonden had in de Zupnik sjoel in
Givat Sjaoel. De vinder had de Gemara nooit eerder gezien, en merkt
hem op toen hij Sjacharit dawwende. Er stond een naam en
telefoonnummer in en zo vervulde hij de mitswa van het terug-bren-gen
van een gevonden voorwerp, waarvan de sentimentele waarde groter was
dan de nominale waar-de
ervan.
De
inzender van deze brief was de zoon van de Daf Jomi student in dit
verhaal. Hij concludeerde zijn brief met de opmerking: „Ik bedoel met
dit verhaal niet te suggereren dat dit een wonderbaarlijke
gebeurtenis was of een teken van de Hemel. I wilde alleen maar
aantonen hoe groot de liefde en gehechtheid is tussen diegenen die
Gemara leren en hun geliefde seforiem.”
De onderbroken sji’oer
Iedere
avond van 20.00-20.45 vindt een Daf Jomi sji’oer plaats in de Avo
Weisecha sjoel in Bajit Wegan, een woonwijk in Jeroesjalajim. Op een
avond maakte de sjoel voorberei-dingen
voor een aantal sprekers die zouden komen om een eulogie te geven ter
gelegenheid van de sjelosjiem van een van buurtbewo-ners.
De ceremonie was voor 21.00 aangekondigd. Eén van de spre-kers
die was uitgenodigd, was Dr. Meir Isaacson, voorheen de admini-strateur
van de kinderafdeling van het Sja’arei Tsedek ziekenhuis. Hij kwam
vroeg, in het midden van de Daf Jomi-sji’oer, waarnaar hij met grote
aan-dacht
luisterde, met een duidelijk merk-bare
blijk van verwon-dering
op zijn gezicht.
Toen de
ceremonie begon en Dr. Isaacson gevraagd werd te spre-ken,
began hij zijn toespraak met een ver-bazingwekkend
hulde-betoon
aan de Daf Jomi. „Ik weet zeker dat R. Meir Sjapira, de grond-legger
van de Daf Jomi, veel vreug-de
ondervindt in de Hemel, van-avond,”
begon hij. Ver-volgens
ver-klaarde
hij dat hij een regel-matige
deelnemer was van de Daf Jomi sji’oer in de Sockotchov sjoel aan de
andere kant van Bajit Wegan. Die avond was hij gedwongen ge-weest
om vroeg te vertrekken om een eulogie te geven. Hij had zijn eigen
sji’oer verla-ten,
alleen om binnen te komen bij een andere sji’oer, die, met verbazing-wek-kende
hasjgacha pratiet, verder ging op dezelfde regel als waar hij
gestopt was. |
|
de karpaf ook
gemeten worden vanaf die rechthoek. Of wordt de grens van de stad
gedefinieëerd overeenkomstig de feitelijke locatie van de huizen, en
is de riboe’a ha’ier niet meer dan een soepelheid die onze
geleerden alleen toepasten om de techoem Sjabbat te meten, maar
geldt die niet voor de overlapping van de karpafs?
Rav A. Bockwold
(Kiriat Ariël, hfd. 5)
bespreekt deze kwestie uitgebreid en komt tot de conclusie dat volgens
de meeste Risjoniem de riboe’a ha’ier niet geldt voor de
karpaf rondom de stad. Dus zeventig ammot die elkaar
kunnen overlappen, moeten gemeten worden van de werkelijke
(halachische) stadsgrenzen, en niet van de rechthoek daar omheen.
Op
verzoek van de huidige Kozhnitzer Rebbe werd deze vraag voorgelegd aan
R. Elyashiv sjlita. De Kozhnitzer Beit Midrasj ligt in
Noord Tel Aviv. Daar de Ayalon-autoweg Tel Aviv in tweeën deelt, is
het de vraag of men van Bnei Brak naar Noord-Tel Aviv mag lopen op
Sjabbat. Wanneer we de principes van de riboe’a ha’ier zouden
toepassen, zouden de karpafs van de twee delen van Tel Aviv
elkaar overlappen, en men zou van de ene kant naar de andere kant
mogen lopen. Echter, Rav Eliyashiv besliste dat de riboe’a ha’ïer
hier niet van toepassing is voor de overlapping van de karpafs.
Wanneer iemand van Bnei Brak naar de Kozhnitzer Beit Midrasj in Tel
Aviv wil lopen, moet hij eerst een eroev techoemiem plaatsen
(Kowets Beit Aharon WeJisraël 101:118).
דף
נו/א ואין בין תקופה לתקופה אלא תשעים ואחד יום שבע שעות ומחצה
Daf 56a:
Tussen twee tekoefot kunnen nooit meer dan 91 dagen en 7½ uur
liggen
De
vier jaargetijden
Chazal
waren gewoon om het jaar in vier seizoenen – tekoefot – van elk
drie maanden, in te delen: Tekoefa Nisan, Tekoefa Tamoez, Tekoefa
Tisjri en Tekoefa Tèwet. De langste dag van het jaar is de eerste dag
van Tekoefa Tamoez en de kortste dag van het jaar is de eerste dag van
Tekoefa Tèwet. De middelmatig lange dagen vallen in de Tekoefot Nisan
en Tisjri. Deze tekoefot vallen dus niet samen met de maanden met
dezelfde namen, noch beginnen zij op de Rosj Chodesj van die
maanden
De
tekoefot worden vastgesteld aan de hand van het zonnejaar, dat
volgens Sjmoeël precies 365¼ dagen [= 365 dagen en zes uur] telt, en
in overeenstemming daarmee berekent de Gemara precies het begin van
ieder seizoen. Ieder seizoen is dus 365¼
÷
4 = 91 dagen
en 7½ uur. Dus als Tekoefa Nisan op de vierde dag van de week begint
[de hemellichamen werden op de vierde dag van de schepping geschapen],
dat is woensdag, ’s avonds om 18.00 uur [de Joodse dag begint altijd
’s avonds], dan begint het volgende seizoen, Tamoez, 91 dagen en 7½
uur later, dat wil zeggen op de vijfde dag van de week [donderdag] om
01.30 ’s ochtends. Het volgende seizoen begint ook 13 weken en 7½ uur
later, dat wil zeggen op donderdag om 09.00 ’s ochtends (drie uur na
zonsopkomst). Het vierde seizoen begint weer 91 dagen en 7½ uur later,
dat is op donderdag om 16.30 uur en het volgende seizoen, het eerst
van de nieuwe cyclus start 7½ uur later, dat is te middernacht van de
zesde dag van de week [de nacht van donderdag op vrijdag]. Dit alles
gerekend volgens het jaar van Sjmoeël. Rav Ada had een andere
berekening, volgens welke het jaar 365 dagen, 5 uur, 55 minuten en
25,44 seconde duurde. In overeenstemming daarmee wordt onze kalender
vastgesteld [zie Rambam Hilchot Kiddoesj HaChodesj 10:1].
Op grond van bovenstaande
berekeningen komt Sjmoeël tot de conclusie dat de Tekoefa Nisan
altijd begint op één van de vier „breekpunten” van de dag, dat wil
zeggen of om 18.00 uur [het invallen van de nacht] of 4 × 7½ = 30 uur
later, dat is 24.00 uur [middernacht], of nog eens 30 uur later, om
06.00 uur ’s ochtends, bij het aanbreken van de dag, of nog eens 30
uur later, om 12.00 uur ’s middags, en dat er nimmer meer dan 91 dagen
en 7½ uur ligt tussen twee opeenvolgende tekoefot.
|