|
Door
Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Soeka 9a
De
gestolen soeka
De Tora (Deuteronomium 16:13) gebiedt ons: „Een Loofhuttenfeest
zul je voor jezelf maken.” Deze woorden lenen zich voor
verschillende interpretaties. Beit Sjammai ziet hierin een
vereiste dat er een speciale soeka moet worden gebouwd met het
doel om de mitswa van het wonen in een soeka te vervullen. Daarom
is volgens Beit Sjammai een soeka, die meer dan dertig dagen vóór
het feest gebouwd werd, ongeldig, wanneer die niet speciaal voor
het feest gebouw werd. Beit Sjammai leest het vers namelijk alsof
er staat: „Je zult loofhutten maken [speciaal] voor het feest.”
Ook in de woorden „voor jezelf” lezen zij een vereiste dat de
soeka gebouwd moet worden „om de mitswa te vervullen.”
Beit Hillel daarentegen meent dat de woorden „voor jezelf” „van
jezelf” betekenen, waarbij een gestolen soeka ongeldig is.
Tosafot werpt hier een interessante vraag op. De Gemara (Soeka
30a) verklaart dat een gestolen loelav [de
plantenbundel waarmee op het Soekot-feest gezwaaid wordt] ongeldig
is en dat men daar de mitswa niet mee kan doen. Waarom? Omdat, zo
legt de Gemara uit, je geen mitswa kunt doen door een overtreding
te begaan. Als dat zo is, vraagt Tosafot, waarom was het dan
noodzakelijk voor Tora om een speciaal vers in te lassen dat een
gestolen soeka ongeldig verklaart. Wij zouden toch wel geweten
hebben dat je met een gestolen soeka geen mitswa kunt doen.
Tosafot concludeert daarom dat de diskwalificatie van een mitswa
in het algemeen, die gedaan werd door een overtreding te begaan,
een diskwalificatie door de Rabbijnen is, maar dat het wonen in
een gestolen soeka zelfs door Tora verboden is en dat dit
gebaseerd is op de woorden „van jezelf.”
Een andere benadering van Tosafot wordt voorgesteld door de
negentiende eeuwse auteur van Minchat Chinoech (mitswa
325). Zelfs als de diskwalificatie van een mitswa die in zonde
begaan is, van Tora-oorsprong is, betekent dat alleen maar dat men
met het voorwerp dat tegen Hasjems wil verkregen is, Zijn wil niet
kan doen. Het hoeft nog niet te betekenen dat de soeka zelf
ongeldig is.
Dit onderscheid is subtiel, maar het heeft de volgende
consequenties: er zijn twee categorieën van verplichtingen
betreffende het eten in een soeka. Voor de eerste avond (of buiten
Israël op de eerste twee avonden) is er een positief gebod om een
maaltijd te eten in een soeka, zoals er een positief gebod is om
op de eerste avond van Pesach [of eerste twee avonden buiten
Israël] matsa te eten. Daarna bestaat er alleen de verplichting
dat maaltijden die gegeten worden tijdens het Loofhuttenfeest,
niet buiten de soeka gegeten mogen worden. Als Tora niet „van
jezelf” geschreven had, dan zouden we de mitswa van het eten op de
eerste avond niet in de gestolen soeka kunnen vervullen, maar als
we de overige dagen in de gestolen soeka zouden eten, zouden we in
een geldige soeka eten en dus niet het verbod om „buiten een soeka
te eten” overtreden. Maar nu dat Tora ons leert dat een gestolen
soeka geen geldige soeka is, is iemand die daarin zijn maaltijd
eet, schuldig aan het eten buiten een soeka.
Soeka 10b
Tot
hoe laag mag je gaan?
Iemand kan zich in een soeka bevinden waar minder dan stahoogte
is, en toch zijn mitswa vervullen, terwijl iemand anders in een
vergelijkbare situatie niet zijn plicht gedaan heeft.
De minimum hoogte van een soeka is tien tefachiem
[handbreedtes]. In een eerdere Gemara (4a) diskwalificeerde de
Geleerde Rawa een soeka, waarvan het schach [de
dakbedekking van de soeka] hoger was dan tien tefachiem,
wanneer de uiteinden van het schach tot onder tien
tefachiem bungelen. In onze Gemara treffen wij echter een
geval aan van een soeka met de minimum hoogte, waarvan het
schach versierd is met voorwerpen die onder de minimum hoogte
hangen. De regel is dat de soeka toch beschouwd kan worden als
voldoende hoog.
De verklaring die Tosafot biedt, is dat Rawa de soeka met het
schach, waarvan de uiteinden te laag hangen,
diskwalificeerde, omdat zo’n soeka beschouwd wordt als een
„miserabele woning” ten gevolge van zijn gebrek aan ruimte. Dit
geldt niet voor een soeka, die de minimum hoogte heeft, en waarvan
de verminderde ruimte het resultaat is van de versiering van de
soeka.
Het onderscheid dient als basis van de wet, zoals die staat
opgeschreven in de Sjoelchan Aroech Orach Chaim 633:9: „Als
de soeka een hoogte heeft van tien handbreedtes, maar er zijn
twijgen die lager hangen dan de dakbedekking, tot minder dan
tien handbreedtes van de vloer, … dan is de soeka ongeldig.
Echter, wanneer de decoratie onder de tien handbreedtes van de
vloer hangt, maakt dat de soeka niet ongeldig.”
Soeka 11b
De
soeka in de woestijn
In wat voor soeka leefden onze voorouders in de woestijn? Rabbi
Eliëzer zegt dat het geen door mensen gemaakte hutten waren, maar wonderbaarlijke
wolkzuilen – „wolken der
heerlijkheid” – die de Israëlieten tegen de ongastvrije
woestijn beschermden. Volgens Rabbi Akika waren het hutten die
door de mensen gebouwd waren om in de schaduw daarvan te kamperen
tijdens hun reis door de woestijn.
Hoewel de commentatoren algemeen de opvatting van Rabbi Eliëzer
steunen (zie Targoem Onkelos op Wajjikra 23:42), is het
interessant om de achtergrond van deze twee benaderingen nader te
bekijken.
Er bestaat een fascinerende relatie van wederzijdse liefde tussen
Hasjem en Zijn uitverkoren volk. Daarbij tracht iedere partner de
andere partij aan te vullen en de prijzen, zoals bij iedere
soortgelijke relatie. Wij noemen het feest, dat de Uittocht uit
Egypte viert, „Pesach”, hetgeen vertelt dat Hasjem over de Joodse
huizen heen ging toen Hij de Egyptische eerstgeborenen doodde.
Maar Hasjem noemt het in Tora „het feest van de matsot,” ter ere
van onze voorouders die, op Zijn gebod, Egypte verlieten en de
woestijn introkken met niets anders aan voedsel bij zich dan een
paar matses, volledig vertrouwend op Hasjem.
Rabbi Akiwa vat het vers [Wajjikra 23:43]: „Opdat jullie
nageslachten zullen weten dat Ik jullie in soekot heb laten wonen,
toen Ik jullie uit Egypte heb gevoerd” op als een herinnering,
niet alleen aan Hasjems goedheid, dat Hij ons bevrijd heeft, maar
ook aan het vertrouwen dat onze voorouders hadden in Hasjem, dat
Hij hen zou beschermen tegen de ongastvrije woestijn en waar zij
hutjes moesten bouwen om zich tegen de elementen te beschermen.
Rabbi Eliëzer echter ziet in de soeka de primaire uitdrukking van
al de goedheid die Hasjem ons betoond heeft bij Zijn bescherming
van ons, toen Hij ons van het manna uit de hemel voorzag, ons
water te drinken gaf dat op wonderbaarlijke wijze uit een stenen
bron te voorschijn kwam en alle andere noden die Hij bevredigde
tijdens onze reis door de woestijn.
Soeka 13a
Mararita d’agma
–
bitterkruid uit het
meer
Kan men mararita d’agma – bitterkruid uit
het meer – gebruiken als bitterkruid voor de mitswa van Pesach,
zoals Tora dat vereist, ondanks dat het een andere naam heeft?
Ja, beslist Rav Chisda in naam van de Geleerde
Rawina bar Sjela.
Zij beslissing werd aangevochten door een Misjna,
waar staat dat de ezov [hysop] die Tora noemt als
ingrediënt voor de verkrijging van reinheid, alleen voor dit doel
geschikt is wanneer er geen andere naam (zoals Grieks, Romeins,
Woestijn of iets dergelijks) mee verbonden is. Een van de
voorgestelde oplossingen is die van de Geleerde Rawa, die erop
wijst dat in het geval van de ezov de familienaam erop
wijst dat het van een andere soort is dan de hysop die Tora
bedoelt, maar dat d’agma alleen maar een geografische
aanduiding is van de plaats waar de door Tora aangewezen
bitterkruid te vinden is.
Rasji meent dat de
mararita de chazèret is, die algemeen op Pesach
gebruikt wordt en die in Israël bekend staatonder de naam
chassa of Romeinse sla [andijvie in het Nederlands]. Tosafot
verwerpt deze definitie, op basis van wat de Geleerde Rawina
gezegd heeft tegen een andere Geleerde, toen hij die tegenkwam
terwijl die op zoek was naar mararita om de mitswa van
maror te vervullen (Pesachiem 39a). Waarom zoek je naar
mararita, vroeg hij, wanneer we weten dat chazèret
de voorkeur heeft voor deze mitswa?
De conclusie van Tosafot is dat mararita
een speciaal soort bitterkruid is dat in meren groeit maar dat
geen chazèret is.
¯
¯
¯
Drie
is een bundel
Hoeveel eenheden maken een bundel? Betreffende het bloed van het
korban Pesach, dat de Joden slachtten op de drempel van hun
Exodus uit Egypte, gebiedt Tora (Sjemot 12:22): „En jullie
zullen een bundel [agoeda] hyzop nemen en in het
bloed dopen dat in het bekken is en daarmee de bovendorpel en de
beide deurposten bestrijken met het bloed dat in het bekken is.”
Ezov
wordt ook voorgeschreven door Tora voor de besprenkeling met het
reinigings water op mensen en voorwerpen die spiritueel onrein
zijn geworden door in contact te komen met een dode (Bemidbar
19:18). Daar gebruikt Tora niet het woord „bundel”. Niettemin
leiden onze Geleerden van de Tora af dat ook daar een bundel
vereist is (Sifri, parasjat Choekat).
Wat is de definitie van een bundel? Deze vraag is ook relevant
voor een soeka, aangezien er een rabbijns decreet is dat een bos
schach-stokken diskwalificeert, wanneer die tot een bundel
zijn samengebonden (uit vrees dat iemand zo’n bundel vers, nog
vochtig hout van het veld meeneemt en dat op zijn soeka te drogen
legt, omdat dan vervolgens daar te laten liggen als schach.
Dat maakt de soeka ongeldig, want het schach moet speciaal
op de soeka gelegd zijn om voor schaduw te zorgen, niet om te
drogen).
In al deze gevallen stelt Rav Chisda vast dat drie een „bundel”
vormt. Dit leidt Tosafot ertoe om te vragen hoe we deze definitie
van een bundel in overeenstemming kunenn brengen met de definitie
van een bundel in traktaat Awot (3:6). De Misjna daar
vertelt ons dat wanneer vijf mensen Tora studeren, de G-ddelijke
Aanwezigheid bij hen is. De bron hiervoor is het vers in Amos
9:6: „Zijn groepering [agoeda] was het fundament van de
aarde.” Dit lijkt erop te wijzen dat het minimum voor een groep
(bundel) vijf is. Hoe kan Rav Chisda dan zeggen dat het drie is?
Tosafots antwoord is dat in weliswaar bij alle andere
aangelegenheden drie genoeg is om een groep of bundel te vormen,
maar dat de Misjna in Awot begreep dat de groep in het vers
over de Schepping van de aarde het over vijf had. Waarom? Omdat in
een ander vers (Jesjaja 48:13) Hasjem zegt: „Mijn handen
hebben de fundering van de aarde gelegd.” We moeten daarom
concluderen dat de woorden groep en hand die
in deze contekst gebruikt worden, elkaar definiëren. Een hand
bevat vijf vingers en dat aantal vormt dus een groep.
Tiferet Jisraël
ziet in het nummer vijf een aanwijzing voor de vijfde letter van
het Hebreeuwse alfabet, de letter Hee, waarmee Hasjem
de aarde geschapen heeft (Menachot 29b). De combinatie van
vijf mensen die gezamelijk Tora leren, iets waarvoor de wereld
geschapen werd, brengt die wereld in nauwer contact met zijn
Schepper. |