|
Meorot HaDaf HaYomi Vol. 206 van
Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak |
52a Een ongeschikte dajan
Een
matzeiwa monument in een beit din
Onze
soegia zegt dat als men een ongeschikte dajan aanstelt, dat is
alsof men een asjera plant [een boom die als afgod aanbeden wordt] en
wanneer hij wordt aangesteld naast talmidei chachamiem, dan is het
alsof men een asjera geplant heeft vlak naast het altaar. De Ritva
legt het verband uit tussen een ongeschikte dajan en afgoderij: de
sjechina is aanwezig bij en heeft zitting in het beit din, zoals
ons verteld wordt [Tehilliem 82:1]: �Hasjem is aanwezig in de
vergadering van Hasjem.� Een ongeschikte dajan jaagt de sjechina
weg en hij is dus te vergelijken met een afgod. Een talmied chacham
is als het altaar, dat de zonden vergeeft en als men een ongeschikte
dajan aanstelt te midden van talmidei chachamiem dan is het alsof
men een afgodsbeeld heeft opgesteld naast het altaar.
Wanneer wij Rambam [Hilchot
Sanhedrin 3:8] nader bekijken, dan zien wij dat hij de aanstelling van
een onge�schikte dajan vergelijkt met het verbod op: �je zult geen
matzeiva [monument] oprichten� [Dewariem 16:22], terwijl
hij een ongeschikt persoon tussen talmidei chachamiem vergelijkt met
een asjera naast het altaar. De Maharik
[Responsa 117] legt uit dat naar de mening van Rambam beide verboden
een aanwijzing zijn voor de aanstelling van een ongeschikte dajan.
Soms wordt iemand aangesteld die het verschil tussen rechts en links niet
weet en hij zit dan in een beit din als een stenen monument. Een
andere keer is iemand gezocht voor zijn kennis, maar hij heeft geen vrees
voor Hasjem en kan voor geld worden omgekocht. Zo iemand is gewild voor de
vruchten van zijn wijsheid en is te vergelijken met een asjera, die
onrecht�vaardige vruchten draagt.
52b Zullen wij
ze laten breken
Chameets tussen een
stapel matsot insignificant maken!
Enige decenia
geleden werd een boek gepubliceerd, dat Michtevei Tora heette. Het
bevatte 290 brieven tussen de Rogatchover Gaon, de auteur van Tsafnat
Paneach en een gaon uit Warschau, Rav Mordechai Kalina geheten,
allerlei onderwerpen behandelend.
Moet men
zich van de substantie van het chameets ontdoen of kan men volstaan
met het halachisch insignificant te verklaren:
Een van de onderwerpen waar de
geoniem over discussiëerden, was of men de mitswa van tasjbitoe �
het vernietigen van chameets op erev Pesach kan volbrengen
door het met matsa te vermengen, zodat de chameets insignificant
geworden is [bateel berov]. De twijfel is of men zich van de
substantie van het chameets moet ontdoen of dat het
bateel � halachisch insignificant � gemaakt kan worden.
Rav Kalina
schrijft in brief nr. 108 dat door de din van chameets
op te heffen door het bateel te maken, men de mitswa van tasjbitoe
kan nakomen en bewijst dat uit de halachot die betrekking hebben op
afgoderij. Het is een mitswa om afgodendienst te vernietigen, zoals ons
verteld wordt: �Je zult het zeker vernietigen� [Dewariem 12:2] en in
Erets Jisraël is het zelfs een mitswa er naar te zoeken en het uit te
roeien. Wij vinden echter in Avoda Zara 43a dat Rabbi Elazar HaKapar een
niet-Jood ertoe dwong om de afgodendienst van een voorwerp bateel te
verklaren, waarmee het verbod om er profijt van te hebben of gebruik van te
maken werd opgeheven, zonder dat het vernietigd werd. Hoewel wij kunnen
zeggen dat dit buiten Israël plaatsvond, schrijft Rasji dat hetzelfde
geldt voor binnen Erets Jisraël [53b, s.v. Michdei]. Dus, zo
concludeert Rav Kalina, wanneer de Tora ons zegt dat wij iets moeten
vernietigen, dan is het voldoende wanneer wij de definitie ervan veranderen
en daarmee hebben wij het tasjbitoe van het chameets vervuld
door het bateel te maken.
Het verschil tussen chameets
en een afgod:
Echter, leden van ons beit midrasj merkten op dat we onderscheid
moeten maken tussen chameets en een afgod. Een voorwerp wordt een
afgod wanneer iemand het als zodanig beschouwt en daarom, wanneer hij
verklaart dat hij het niet meer als afgod beschouwt, heeft hij het als het
ware vernietigd. Aan de andere kant slaat het verbod op chameets op
de substantie van chameets en het gebod van Tora je daarvan te
ontdoen, is daarom een opdracht om het fysiek te vernietigen.
55a Hard in
[de uitvoering van] hun missie maar betrouwbaar in hun eed
Het
verschil tussen asjèr jatsar en refaeinoe
De poskiem
zeggen dat wie tijdens de �amida naar het toilet moet, de beracha
asjèr jatsar moet zeggen, nadat hij Sjemoné �Esré gezegd heeft [Derech
HaChajiem; Misjna Beroera 66:23]. Maar HaGaon Rav Jeroecham
HaLevi maakt hiertegen bezwaar in zijn Bnei Levi [5] en beweert dat
wanneer die persoon Refaeinoe [genees ons] in de Sjemoné �Esré
gezegd heeft, hij niet ook nog eens asjèr jatsar hoeft te zeggen,
omdat beide berachot op hetzelfde onderwerp betrekking hebben.
Twee
soorten genezing:
Echter HaGaon Rav Chajiem Berlin zt�l [Responsa Nisjmat Chajiem
10] bewijst dat Refaeinoe en asjèr jatsar niet hetzelfde
zijn. Volgens hem zijn er twee soorten Hemelse genezing. De een wordt
beschreven in onze soegia, waar wordt uitgelegd dat de Tora ziekten
�slecht en betrouwbaar� [Dewariem 28:59] noemt, daar Hasjem
speciale tijden vaststelt wanneer zij iemand aanvallen en wanneer zij hem
weer verlaten, en betrouwbaar, omdat zij zich aan die tijden houden. De
ander is, wanneer iemand de wegen van Tora volgt en hij de interventie van
Hasjem verdient, waardoor de ziekte verdwijnt vóór de daarvoor vast�gestelde
tijd, zoals ons verteld wordt: �Wanneer je luistert naar de stem van Hasjem�
want Ik ben Hasjem, jouw genezer� [Sjemot 15:26;zie Tosafot,
Rosj Hasjana 16a, s.v. keman]. Dat is de betekenis van de
beracha �want U bent een betrouwbaar en genadig genezende Koning�:
betrouwbaar op de vastgestelde tijd van de ziekte en genadig, zelfs voordat
het de zieke zou moeten verlaten.
Een
beracha werd ingesteld voor ieder systeem. Asjèr jatsar werd
ingesteld voor Hasjems goedheid, waarmee Hij de hele wereld bestuurt
overeenkomstig de natuur en wij concluderen daaruit: �die alle vlees
geneest.� Refaeinoe eindigt met �die de ziekten van Zijn volk
Israël geneest.� Dat wil zeggen, Zijn manier van besturen verschilt
volkomen met ons en de berachot zijn daarom verschillend van inhoud.
Asjèr Jatsar
voor de gezonde; Refaeinoe voor de zieke:
HaGaon Rav E.J. Waldenberg scherpt de ver�schillen tussen Refaeinoe
en asjèr jatsar nog verder aan [Responsa Tsiets Eliëzer
XI:4]. Volgens hem heeft asjèr jatsar niets te maken met de zieke
maar slaat op de eeuwige wijsheid van de schepping, zoals aan het begin
ervan staat: �asjèr jatsar et haädam bechochma � die de mens met
wijsheid geschapen heeft,� wat ieders gezondheid inhoudt, hetgeen onmogelijk
zou zijn zonder de Genezer van alle vlees. Refaeinoe daarentegen
slaat op de zieke, zoals wij zeggen: �Refaeinoe Hasjem � Genees ons,
Hasjem en wij zullen genezen zijn.� Het einde van beide berachot laat
ook hun verschil zien, daar het eind van asjèr jatsar is: �die
alle vlees geneest�, terwijl Refaeinoe eindigt met �die de
ziekte van Zijn volk Israël geneest.�
55b: Het is
verboden iemand die een overtreding begaat te helpen.
Mag een
Jood een dier slachten voor een Moslim op diens feestdag?
Wij zijn goed
bekend met het gebod van Tora: �Voor een blinde zul je geen struikelblok
leggen� [lifnei
�iveer] [Wajjikra 19:14].
Behalve dat, bestaat er een
rabbijns decreet dat mesajeia�
[helpen]
genoemd wordt, volgens welk men iemand niet mag helpen een overtreding te
begaan, zelfs niet wanneer die persoon de overtreding ook zonder die hulp
zou [kunnen] doen [zie
Tosafot en Ran, Sjabbat 3a].
De reden voor het decreet is, dat iedereen geboden is om te voorkomen dat
een ander zondigt en het is zeker verboden hem daarmee te helpen
[Ran, Rosj, SjabbatI 3a].
Om deze reden werd de halacha vastgesteld dat iemand geen verboden
voorwerpen mag verkopen, ondanks dat zij elders beschikbaar zijn.
[Dat wil zeggen, wanneer het
voorwerp alleen verkrijgbaar is bij een andere Jood, dan zijn beide Joden
geboden het niet te verkopen wegens lifnei �iveer, maar zelfs wanneer
het voorwerp te koop is bij een niet-Jood, dan nog is het de Jood verboden
het te verkopen wegens mesajeia� [Misjné Lamelech, Hilchot
Malvé Welowé 4:2]. Aangaande mesajeia� aan een niet-Jood, zie
Sjoelchan Aroech J.D. 151:1, Rema en commentaren, ibid en zie Rasji,
s.v. WeJisraël].
Wegens
mesajeia� verbood Rasjbats
[Responsa Tasjbetz, III,
133] Joden om dieren te
slachten voor Moslims als offerdier voor hun feesten. Hierbij zijn
verscheidene verboden betrokken maar één daarvan is dat de Moslim-viering
een gebod toevoegt aan de zeven Noachidische wetten, hetgeen verboden is
[Rambam, Hilchot
Melachiem 10:9] en de
Jood zou hem op die manier hierbij helpen.
Het
verhuren van onroeren goed aan overtreders:
Een ernstige vraag werd aan de poskiem voorgelegd, betreffende de
verhuur van onroerend goed, bijvoorbeeld een winkel of een woning, aan een
zich niet aan de mitswot houdende Jood, wanneer het duidelijk zou zijn dat
hij daarin Sjabbat zou overtreden. De Maharsjam
[Responsa II, 182],
aan wie gevraagd werd of het toegestaan was een winkel te verhuren aan een
niet-mitswa�houdende kapper, vond enkele redenen om het toe te staan, onder
andere, dat mesajeia� alleen van toepassing is op het moment van de
overtreding en niet ervoor: de winkel werd tenslotte verhuurd op een
werkdag. Verder werd de overtreding niet uitgevoerd met het eigendom zelf,
maar binnen zijn ruimte. Wij leggen er de nadruk op, dat de laatste reden om
het toe te staan niet in onze tijd van toespassing is, wanneer de
ontheiliging van Sjabbat wel degelijk gebeurt met het eigendom zelf, door de
electriciteit te gebruiken.
Toch beweren
de poskiem [�Aroegot
Habatiem, O.Ch. 54 en Nachlat Eliahoe 36]
dat wanneer de woning zich bevindt in dezelfde buurt als waar men woont, men
het niet moet verhuren aan een �slechte buur�. In zijn Responsa Tsiets
Eliëzer [XIII,39]
adviseert Rav Waldenberg een clausule in te voegen die de ontheiliging van
het eigen�dom op Sjabbat verbiedt. Wij wijzen ook op wat Misjnat Rabbi
Aharon
[I,3]
schrijft: �Maar het past zeker ieder�een die vrees voor de Hemel heeft, om
Hasjems eer en de eer van Sjabbat te eerbiedigen en niet te helpen bij de
ontheiliging van Sjabbat op welke manier dan ook, en ook niet om het
afschuwelijk van ontheiliging van Sjabbat
in zijn huis of eigendom te brengen. Door een dergelijke verhuur te
voorkomen, heiligt men G-ds naam.�
57a Een baby
van een dag oud maakt jein nesech
De
oorsprong en de reden voor het verbod van jein nesech
Gewoonlijk
citeren wij niet een hele paragraaf van de Sjoelchan Aroech maar deze
keer zullen wij het grootste deel van paragraaf 1 van hoofdstuk 123 van
Joré De�a citeren daar deze paragraaf de reden en de criteria bevat voor
jein nesech. Wij moeten deze paragraaf lezen en aandacht besteden
voor zijn verandering van taal, als volgt: �Het is verboden profijt te
hebben van de gewone wijn [stam jeinam] van niet-Joden en hetzelfde
geldt wanneer zij onze wijn aanraken. Rama: Wegens het decreet op wijn
dat geplengd wordt ter ere van afgoden. Maar in onze tijd, waar het niet
gebruikelijk meer is voor niet-Joden om plengoffers te brengen voor afgoden,
zeggen sommigen dat hun aanraking van onze wijn het niet verboden maakt
er profijt van te hebben maar alleen om het te drinken� en
daarom is het toegestaan om stam jeinam van een niet-Jood aan te
nemen als betaling voor diens schuld� maar lechatchilla
moet men het niet kopen en verkopen als bron van onderhoud� en
sommigen zijn soepel maar het is goed om streng te zijn.�
Mogen wij profijt hebben van jein nesech? Wij zullen eerst de aard
van de jein nesech die in onze soegia genoemd word, ophelderen
en waarom het verboden is.
De Tora
verbiedt ons om profijt te hebben van wijn dat geofferd is voor een afgod en
hetzelfde geldt voor alle voedsel en drinken dat voor afgoden geofferd is.
Chazal � onze Geleerden � hebben beslist dat wij geen profijt mogen
hebben van stam jeinam � gewone wijn van niet-Joden, hoewel dat niet
aan een afgod geofferd werd � of van onze wijn wanneer dat door hen werd
aangeraakt. De Risjoniem [Rosj en Rasjba] leggen uit
dat Chazal eerst het drinken van stam jeinam en
wijn die door een niet-Jood werd aangeraakt, verboden hebben, om de
rampzalige resultaten te voorkomen van het drinken van wijn en zich
vervolgens met hen te vermengen. Later hebben zij beslist dat wij ook geen
profijt mogen hebben van stam jeinam, om te voorkomen dat mensen zich
zouden vergissen en zij zouden denken dat men ook profijt mag hebben van
echte jein nesech.
Het is zeer
belangrijk om de oorsprong en de redenen na te gaan voor het decreet op
jein nesech zoals Rambam beweert
[Hilchot
Maächalot Asoerot 11:7],
dat �het verboden is om te drinken maar is toegestaan om profijt van te
hebben van wijn van niet-Joden die geen afgoden aanbidden, zoals
moslims� en de halacha is overeenkomstig vastgesteld
[Sjoelchan
Aroech J.D. 124:6].
De reden is dat gewone wijn van een afgodendienaar makkelijk verward kan
worden met jein nesech maar wanneer de niet-Joden niet verdacht
worden van afgoderij, dan is het verbod op het drinken van hun wijn
duidelijk om gemengde huwelijken te voorkomen en er kan dan geen verwarring
komen met echte jein nesech; daarom is er geen reden om geen profijt
te hebben van hun wijn.
Het
verschil tussen Christenen en Moslims en de implicaties daarvan voor jein
nesech:
Wij
begrijpen dat er een verschil bestaat tussen Christenen, die afgodendienaren
zijn, en Moslims die niet in een andere god geloven. Wij moeten nu de
halacha vaststellen aangaande moderne Christenen, die, hoewel
afgodendienaren, reeds lang geleden de gewoonte om wijn voor hun afgoden te
offeren hebben verlaten. Worden zij beschouwd als Moslims, wier wijn alleen
verboden is om te drinken, om te voorkomen dat men met hen gaat trouwen? Met
andere woorden, hebben Chazal het profijt van hun wijn
verboden juist omdat zij afgodendienaren zijn? Met andere woorden, hebben
Chazal de wijn van afgodendienaren in ieder geval verboden, zelfs
wanneer zij niet verdacht worden de wijn voor een afgod te plengen?
Deze vraag
werd voorgelegd aan de Risjoniem. De Tosafot
[7b, s.v.Laäfoekei]
en de Rosj
[�7]
willen met behulp van onze soegia bewijzen dat het ons is toegestaan
profijt te hebben van wijn die door niet-Joden is aangeraakt, wanneer zij
niet verdacht zijn van wijnoffers voor afgoden. Ten slotte zegt onze Gemara
dat een niet-Joodse baby die onze wijn aanraakt, die niet verboden maakt,
omdat hij niet bekend is met afgoderij. Hetzelfde geldt dan voor een
volwassen niet-Jood die onbekend is met de gewoonte om wijn te offeren voor
afgoden. Toch zegt Tossafot dat een baby helemaal geen bedoeling
heeft om de wijn aan te raken, maar slechts instinctief handelt en daarom
niet vergeleken kan worden met een volwassene, die de wijn doelbewust
aanraakt. Daar de Tossafot niet tot een definitieve conclusie komen
en daar er een mening is die zegt dat men profijt mag hebben van zulke wijn,
concluderen zij dat �daar het de gewoonte is om dit toe te staan, is het
beter om de mensen toe te staan iets onbewust verkeerds te doen, dan dat zij
het bewust verkeerd doen.� De Mordechai beperkt deze toestemming
alleen tot die gevallen waarbij een verlies een rol speelt, zoals in het
geval van het innen van een schuld van een niet-Jood, maar hij verbiedt de
normale handel erin.
Ten slotte
werden de handelsmogelijkheden van Joden steeds verder ingekrompen en velen
begonnen te handelen in wijn. Daarop rees de vraag of men profijt mag hebben
van de wijn van Christenen. Er werd geen duidelijk antwoord gegeven en dat
is de verklaring voor de dubbele en tegenstrijdige beslissing van de Rama:
��In onze tijd, waar het ongewoon is voor niet-Joden om wijn te offeren voor
afgoden, zeggen sommigen dat het verboden is het te drinken maar
toegestaan om profijt te hebben van wijn die door een niet-Jood is
aangeraakt� en daarom is het toegestaan om stam jeinam te
accepteren van een niet-Jood als betaling voor een schuld� maar
lechatchilla is het verboden om het in te kopen ten einde het te
verkopen� maar sommigen zijn soepel� � met andere woorden, het is
ook toegestaan er profijt van te hebben, �maar het is goed om streng te
zijn.�
59a: Wegens
het koken door afgodendienaren
De
microwave oven vanuit halachisch standpunt bekeken
Onze Gemara
herhaalt het verbod op bisjoel �akoem [voedsel door een niet-Jood
gekookt], hetgeen wij onlangs behandeld hebben. Chazal hebben
bisjoel �akoem verboden om te voorkomen dat Joden met niet-Joden zouden
trouwen [Rasji,35b,
s.v. Wehasjelakot; Tosafot 38a, v.s. Ela]
en om te voorkomen dat de Jood tijdens de maaltijd misschien iets zou eten
dat verboden is en dat hem door de niet-Jood werd voorgezet
[Rasji 38a, s.v.
Miderabanan, en zie Rambam in zijn commentaar op de Misjna].
Bepaalde
processen, zoals het zouten en pekelen, worden als koken beschouwd voor wat
betreft het mengen van vlees en melk. De Risjoniem verschillen van
mening in hoeverre voedsel dat op zo�n manier door een niet-Jood bereid
werd, als bisjoel �akoem beschouwd dient te worden [zie boven, 8b,
dat de Risjoniem van mening verschillen over de aard van het
meningsverschil van de Amoraïem]. Wat de halacha betreft, bepaalt de
Sjoelchan Aroech [J.D. 113:13] dat vis die door een niet-Jood
gezouten is of fruit dat door een niet-Jood gerookt is, niet beschouwd wordt
als bisjoel �akoem.
De laatste
jaren is de microwave oven een algemeen gebruiksvoorwerp geworden. Het zijn
geen ovens, want zij hebben geen vuur, maar zij kunnen water en vlees koken.
Is bisjoel �akoem daarop van toepassing? Om deze kwestie te
beantwoorden, moeten wij eerst begrijpen hoe een microwave werkt.
Een microwave
oven verandert electriciteit in electromagnetische golven, die iedere
substantie, dat vocht bevat, binnendringen, en het voedsel wordt in zichzelf
gekookt. Ogenschijnlijk is het redelijk te veronderstellen dat bisjoel
�akoem hier niet op van toepassing is, want, zoals wij al gezegd hebben,
bisjoel �akoem geldt alleen waar vuur is.
Twee
verklaringen voor het verbod van bisjoel �akoem door middel van vuur:
Wanneer wij nader
onderzoeken wat de reden voor bisjoel �akoem door middel van vuur
is, krijgen wij een volkomen ander beeld. Volgens de Raävad
[geciteerd door de Rasjba in
Torat Habajit, bajit 3,einde van sja�ar 7],
wilden Chazal voorkomen dat Joden zich zouden vemengen met
niet-Joden; gezouten en gepekeld voedsel vormen in het algemeen geen
haut-cuisine en brengen de mensen daarom niet dichter tot elkaar en zijn
daarom toege�staan. Aan de andere kant legt de Magid Misjna
[Hilchot Mäachalot Asoerot,
9:6] uit dat Chazal
alleen de wijdverspreide methode van koken � d.w.z. met behulp van vuur �
verboden hebben.
Nu wordt
voedsel in een microwave oven als superieur beschouwd en zou dus volgens de
Raävad verboden moeten worden. Ook volgens de Magid Misjna
moet iedere vorm van koken die algemeen verbreid is, verboden worden en de
microwave methode is algemeen gebruikelijk geworden
[zie responsa Igrot Moshe,
O.Ch. III:52]. En
inderdaad, voedsel door een niet-Jood in een microwave oven gekookt is
verboden [Responsa Sjevet
Halevi, VIII, 185] en
HaGaon Rav Y.S.Elyashiv heeft overeenkomstig beslist
[Sjewoet Jitschak, VI,
hfdst. 6, p.61].
Koken
per telefoon:
Een andere
methode van koken die algemeen gebruikelijk is geworden in grote fabrieken
is koken in hele grote ovens door middel van stoom. Hoewel deze methode
beschouwd wordt als roken en oorspronkelijk was toegestaan, is het algemeen
gebruikelijk geworden, en moet het dus worden verboden. Eén methode om dit
obstakel voor bisjoel �akoem te overkomen, is om een speciale
telefoon te verbinden aan de oven-aansteker. De masjgiach draait een
bepaald telefoonnummer en de oven wordt aangestoken
[Sjewoet
Jitschak, ibid p. 73. Wij wijzen erop dat Responsa Minchat Jitschak
[III, 26, ot 6] ertoe neigt soepel te zijn met betrekking tot koken
door middel van stoom in fabrieken; zie daar, hoe hij een mening combineert,
die soepel is voor industriëel koken met een mening die soepel is voor
stomen, maar andere poskiem zijn het niet met hem eens, zoals de
Chazon Iesj, die alles verbiedt in zijn brief, die geciteerd wordt door
Sjevoet Jitschak, ibid.]
|